Bijna niets klinkt zo mooi als de stilte tussen twee nummers in een stampvol Paradiso

Volkskrantpoprecensent Gijsbert Kamer komt nu al tientallen jaren in Paradiso. Zijn jonge jaren en zijn arbeidzame leven zijn met de plek vergroeid. Te midden van al die optredens en avonden doemen er een paar op die een onuitwisbare indruk op hem maakten.

Honderden, nee duizenden keren ben ik het trapje van Paradiso opgelopen. Langs de portiers, de hal in. Altijd hing die aangename spanning in de lucht. Wat gaat er gebeuren achter die grote zware deuren die hal en zaal van elkaar scheiden? Ik zag er beloftes, gevestigde namen, legendes en eendagsvliegen. Sommige optredens kenden momenten van euforie, een enkele keer liep het uit op een deceptie. Er zijn zalen (De Melkweg, TivoliVredenburg) waar ik net zo vaak en net zo graag kom. Maar nooit is er dat speciale gevoel dat alleen wordt opgeroepen door dit voormalige kerkgebouw van De Vrije Gemeente aan de Amsterdamse Weteringschans.

De eerste keer

17 jaar was ik. Alles in mijn leven draaide om popmuziek. Maar Paradiso leek onbereikbaar: achter de toegangsprijzen in advertenties stond altijd  ‘+ lidmaatschap' vermeld. Maar ik was geen lid en wist ook niet hoe het te worden. De concerten van Joe Jackson, The Specials, en de Undertones gingen aan mij voorbij.

Dat je dat lidmaatschap gewoon aan de kassa kon kopen en dat het maar een paar gulden per maand kostte, begreep ik pas later. Het was maart 1981 en ik kon meerijden vanuit mijn woonplaats Hilversum naar het concert van Garland Jeffreys in Paradiso. Deze New Yorkse singer/songwriter had net een plaat uit, Escape Artist. Toen ik merkte dat dat lidmaatschap niks voorstelde, wandelde ik op zaterdag 7 maart 1981 voor het eerst Paradiso binnen: alsof ik het paradijs had betreden.

Het was niet uitverkocht, dat waren concerten in Paradiso toen eigenlijk zelden. Het zal een mooi concert zijn geweest, maar ik was te druk met alles om me heen. Die glas-in-lood ramen achter het podium en de woorden Soli Deo Gloria, de balkons en het publiek. Ik wist het zeker: als het ultieme geluk bestond, dan vond ik dat in Paradiso.

Dus ging ik de volgende week weer. Naar The Jam, het trio van de de Britse zanger/gitarist Paul Weller. Het concert was nu wel uitverkocht en ik ervoer hun Eton Rifles en That’s Entertainment in pure extase.

De Pep Club

New wave beleefde begin jaren tachtig hoogtijdagen. Bands als The Sound, Echo & The Bunnymen, Comsat Angels, Au Pairs en Bauhaus frequenteerden Paradiso. Er was iedere week wel een nieuwe goede band te zien. De muziek richtte zich op alles wat nieuw was. Oude muziek, daar hadden we geen tijd voor.

Dat veranderde begin 1984 dankzij de door dj Eddy de Clercq maandelijks georganiseerde Pep Club. Behalve de mooiste concertzaal werd Paradiso ook de beste plek om te dansen. En de beste dansmuziek bleek soulmuziek uit de jaren zestig en zeventig. De zaal werd feestelijk ingericht, het personeel had zich in pak gestoken en het bier werd niet getapt in de gebruikelijke wit-plastic limonadebekers, maar in echte glazen.

Maar het was de muziek die de Pep Clubs uniek maakte. Hier hoorde je soul van Marvin Gaye en andere Motown-acts naast Nina Simone en Afro-beat van Fela Kuti. Er ging een nieuwe muziekwereld voor me open. Dansen tot zeven uur in de ochtend op What I’d Say van Ray Charles of My Baby Just Cares For Me van Nina Simone, lang voordat Levi’s-reclames oude soul weer hip zouden maken.

Oude soulhelden

Paradiso hield het niet bij souldansfeesten alleen, midden jaren tachtig. Grote soullegendes als Curtis Mayfield, Junior Walker, The Drifters, Ann Peebles en Bobby Womack kwamen ook allemaal optreden. En dat in een tijd dat hun muziek nauwelijks verkrijgbaar was. Soul was lang uit de gratie geweest. Alles draaide in het uitgaansleven immers om nieuwe muziek. Dankzij deze Paradisoconcerten werd een nieuwe generatie voor oude soul geënthousiasmeerd.

Welcome To The Future

Toen begin jaren negentig house- en techno-muziek een muzikale revolutie hadden ontketend, duurde het even voordat Paradiso hier op inspeelde. Het was Volkskrantjournalist en technomuzikant Gert van Veen die onder de naam Welcome To The Future een eerste vaste dance-avond organiseerde.

Dj’s die live-optredens verzorgden in een fraai aangeklede en uitgelichte zaal, werd de nieuwe norm. Het Britse Underworld gaf tijdens de tweede editie van Welcome tot the Future in april 1994 een legendarisch optreden. Vanaf dat moment was dance niet meer weg te denken uit de Paradisoprogrammering. Steeds vaker werd de zaal na een bandoptreden omgebouwd tot een discotheek, inclusief toiletjuffrouw. Die deed haar intrede in februari 1996, tijdens een (nacht)concert van de Britse techno-act Leftfield.

Ik vond dat concert te hard en veel minder overtuigend dan dat van soortgelijke bands als Underworld, Orbital en The Orb. Dat er ineens voor een plasje een gulden moest worden betaald maakte mijn humeur er niet beter op. Boven mijn mopperrecensie zette de eindredacteur van dienst, wijlen chef kunst Michaël Zeeman de kop: ‘Leftfield jaagt publiek de wc’s op en brengt een gulden in rekening.’ Het werd een klein relletje. Maar de wc-bijdrage was vanaf nu vrijwillig.

Underplayed optredens

In de jaren negentig begonnen artiesten optreden steeds meer te zien als hun belangrijkste inkomstenbron. Kaartjes werden steeds duurder. Toch was Paradiso ook steeds voller. Alternatieve rock werd mainstream. Nirvana moest in november 1991 al van de Melkweg (600 bezoekers) naar het twee keer zo grote Paradiso worden verplaatst. Ze hadden toen al makkelijk een zaal als Ahoy kunnen uitverkopen. Het was eigenlijk best een rommelig concert, maar iedereen die erbij was ervoer het met het klimmen der jaren toch als legendarisch. Je was er toch maar bij geweest, bij de laatste keer Kurt Cobain in Nederland. 

Eeuwig gelukkig voelden ook zij zich die in maart 1995 bij de twee nachtconcerten van Prince waren. En zij die twee maanden later de Rolling Stones in Paradiso zagen. Er leek een traditie geboren van ‘underplayed’ optredens: heel populaire artiesten die in het voor hen te kleine Paradiso wilden optreden. Sting, Robbie Williams en Justin Timberlake zouden nog volgen.

De bovenzaal

Met een Grote Zaal die sinds de eeuwwisseling steeds sneller uitverkocht raakte, werd het aantrekkelijk om nieuwe ontdekkingen in de kleinere bovenzaal te presenteren. Drie bovenzaalconcerten zal ik nooit vergeten. In 1993 stond Jeff Buckley er voor een man of tien de longen uit zijn lijf te schreeuwen. En dat was misschien nog wel mooier dan zijn concert twee jaar later in een stampvolle, bloedhete Grote Zaal.

De Britse Arctic Monkeys debuteerden in 2005 spectaculair in de Kleine Zaal. Het was zo’n optreden dat je deed beseffen dat er niks opwindender is dan brutale rock-’n-roll.

En dan countrybelofte Gillian Welch, in 1996. De Amerikaase zangeres liet vervolgens vijftien jaar op zich wachten. Maar haar concert in 2011 bezorgde het publiek kippenvel. De zaal hing aan haar lippen, muisstil. Want bijna niets klinkt zo mooi als de stilte tussen twee nummers in een stampvol Paradiso.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden