Column Klassiek volgens Kerkhof

Bij veel musici heerst het gevoel: voor mij tien anderen

Merlijn Kerkhof.

Stelling: freelancemusici verdienen meer dan een habbekrats

Het was heuglijk nieuws. Het Platform voor Freelance Musici had een akkoord bereikt met koepelorganisaties en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over een zogenaamde fair-practice-norm in de podiumkunsten. Vanaf 1 januari 2024 zouden de tarieven voor zelfstandige musici zijn vastgelegd op ten minste 98,36 euro per uur.

‘Al jaren strijden wij voor eerlijke tarieven voor podiumkunstenaars’, zei woordvoerder en hoboïst Dorine Schoon in het persbericht. ‘Decennialang worden musici en artiesten uitgebuit terwijl ze dag in dag uit moeten presteren op het hoogste niveau voor duizenden concertbezoekers. Vooral sinds de radicale bezuinigingen van Halbe Zijlstra is het voor zzp’ende musici vrijwel onmogelijk om een gezonde financiële toekomst op te bouwen.’

Prachtig nieuws dus, die norm – alleen was het 1 april. Balen voor de musici die erin trapten en het bericht op sociale media met gejuich ontvingen. Want wat verdienen freelancemusici eigenlijk? Kijk naar de cao voor orkestremplaçanten (de ‘invallers’). 135,60 bruto voor een ‘podiumactiviteit van drie uur’, 87,70 euro voor een repetitie. Bij het Concertgebouworkest krijgt die remplaçant iets meer: wel 162,72 voor een concert. Ter vergelijking: een dirigent uit de internationale top strijkt voor een concert al snel 25 duizend euro op.

Heel ‘fair’ is zo’n cao dus niet. Maar bij gezelschappen die niet zijn opgenomen in de BIS (de culturele basisinfrastructuur) is het nog wat erger gesteld, want vaak zijn er überhaupt geen afspraken. In deze periode klinkt in iedere uithoek van het land wel een Matthäus-Passion. In veel gevallen zingen de zangers uit de gevestigde koren nu de solopartijen aus Liebe. Een hoop musici heeft er een bijbaan bij. In mijn sportschool kan ik een bodypumpsessie volgen onder leiding van een vermaard klarinettist.

Een iets eerlijkere praktijk lijkt er toch te komen. De Raad voor Cultuur nam er een paragraaf over op in het donderdag gepresenteerde Advies Cultuurstelsel 2021-2024. De raad adviseert de minister dat de Fair Practice Code een ‘stevige voorwaarde voor subsidietoekenning’ wordt voor instellingen die worden ondersteund door het Rijk, de cultuurfondsen en kleinere overheden. Wie niet fatsoenlijk betaalt, moet zich daarvoor verantwoorden. De sector moet zelf tot concrete afspraken komen over normtarieven.

Die structurele onderbetaling ligt natuurlijk niet alleen aan de zakelijk leiders van orkesten, ensembles en koren die hun prioriteiten niet op orde hebben. De overheid moet bereid zijn bij te dragen en de subsidiebedragen zijn in veel gevallen niet toereikend, de consument moet bereid zijn om een kaartje te kopen. En natuurlijk hebben musici er zelf ook een aandeel in.

Want dat veel musici genoegen nemen met een bloemetje of die reiskostenvergoeding, om maar eens in die mooie zaal te kunnen spelen tijdens zo’n gratis lunchconcert, maakt hun onderhandelingspositie er niet beter op. Bij velen heerst het gevoel: voor mij tien anderen – en dan grijp je alles aan. Uiteindelijk heb je niet alleen jezelf ermee, maar ook je collega’s.

Het zou helpen als meer musici een beetje zoals Dorine Schoon worden. Dat ze vaker nee zeggen, vertellen dat ze zo de kinderopvang niet kunnen betalen. Als een violist door een amateurorkest wordt gevraagd om het Vioolconcert van Brahms te komen spelen, móét die wel uitleggen dat je daar twee maanden of meer op moet studeren, en dat een gage van 500 euro dan echt een belediging is. Dat de Raad voor Cultuur het probleem erkent, is een begin.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.