Herinneringen aanHarry Mulisch

Bij de tiende sterfdag van Harry Mulisch: Onno Blom over zijn ontmoetingen met de ‘wondergrijsaard’

Het moest nog maar bewezen worden dat hij kon doodgaan, vond Harry Mulisch. Tien jaar geleden, op 30 oktober 2010, gebeurde het toch. Onno Blom schreef een boek over Mulisch’ late jaren, waarin hij zijn beste werk publiceerde, en haalt herinneringen op aan zijn ontmoetingen met hem.

Beeld ANP/Maria Austria Instituut - Bewerking Peter Lipton

‘Pas met de dood van de schrijver treedt de onherroepelijkheid in en wordt het ernst met lezen’, schreef Harry Mulisch in 1961 in Voer voor psychologen.

Ik las het boek toen ik een jaar of 16 was. Op het omslag stond de morbide prent van Vesalius, de eerste patholoog-anatoom, van een man wiens lichaam is ontdaan van zijn huid. Je kon zo ‘de ontelbare draden, zenuwen, spieren, strengen en kanalen’ zien liggen die volgens de schrijver ook in zijn tweede lichaam was te vinden, sterker en beter dan hij van zijn moeder had gekregen: zijn literaire oeuvre.

Hij leefde alsof hij onsterfelijk was. Sterker nog: hij dacht dat hij het was – leefde hij na zijn dood immers niet eeuwig voort in zijn werk?

Mulisch was 33 toen hij de laatste hand aan Voer voor psychologen legde, de sterfleeftijd van Christus. 17 beschouwde hij als zijn ‘absolute leeftijd’. Die hield hij altijd, hoe oud hij ook zou worden. Niet voor niets begon het boek met de regel: ‘Ik was achttien, toen er gebeld werd.’ Ik denk niet dat ik als jongen veel van die eeuwige jongen begreep. Misschien was ik juist daarom wel mateloos gefascineerd. Door de mythe. Het mysterie.

Voer voor psychologen is altijd mijn lievelingsboek van Mulisch gebleven. Het is geestig, hoogmoedig, duizelingwekkend en ontroerend. Het bevat de twee oerscènes die zijn verscheurde houding ten opzichte van zijn ouders tekent en zijn leven tot aan de dood zouden bepalen:

Een herinnering aan de dag dat hij als 3-jarig jongetje door zijn vader, Kurt Victor Karl Mulisch, erop uit wordt gestuurd om een pakje Lucky Strike-sigaretten te halen. ‘Ik begin te schreeuwen. ‘Ik sigaretten halen!’ Een opdracht! Ik! Ik!’

En het gesprek met zijn moeder, Alice Schwarz, op augustus 1951, de dag dat zij Harry voor de tweede maal verliet. In 1936 was Alice van haar echtgenoot gescheiden en had haar zoontje bij zijn vader achtergelaten. Vijftien jaar later emigreerde zij naar Amerika.

Zij – Zorg goed voor jezelf. Dag Harry.

Ik – Veel geluk.

Zij – Dank je. Wuif maar niet.

Ik – Nee.

Zij – Dag schat.

Ik – Dag. Niet huilen.

Zij – Dag.

Ik – Dag.

Zij – Dag Harry.

Ik – Dag mama.

Harry op Schoot bij zijn moeder Alice Schwarz te Haarlem, 1930.Beeld Archiefbeeld

De eerste keer dat ik Harry Mulisch in levenden lijve ontmoette, was op een koude, grijze herfstdag in 1992. Ik studeerde Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam en was in de rij gaan staan bij Athenaeum Boekhandel aan het Spui om zijn nieuwe boek te kopen en laten signeren.

Voor Onno (!)

Harry Mulisch

17.10.92

Dit staat op de titelpagina van mijn exemplaar van De ontdekking van de hemel. Het uitroepteken tussen haakjes achter mijn naam herinnert me eraan dat Mulisch mijn voornaam had geschonken aan het personage Onno Quist, voor wie zijn ‘aartsvriend’, de meesterschaker Jan Hein Donner, model had gestaan. Mulisch koos mijn naam, zo vertelde hij mij in de boekhandel, omdat die hetzelfde blijft als je ’m omkeert. De schrijver knipoogde hier natuurlijk mee naar de paradox die de kern van zijn levensfilosofie bevatte, zoals verwoord in De compositie van de wereld: ‘Het is hetzelfde, en niet hetzelfde.’

Maar mijn naam past ook goed bij wat Donner altijd over Mulisch zei: ‘Bij Harry is alles altijd omgekeerd.’

Met het inleveren van de 65 hoofdstukken van De ontdekking van de hemel op zijn 65ste verjaardag, 29 juli 1992, loste Mulisch een belofte in. In 1972, in een polemiek met Gerard Reve, ontkende hij een wonderkind te zijn. ‘In tegendeel’, schreef hij in Het ironische van de ironie, ‘ik zal een wondergrijsaard zijn, let maar eens op.’

Magnum opus

Zijn magnum opus, de totaalroman waarin hij alles ‘hergebruikte’ wat hij tijdens zijn leven had bedacht, ervaren en meegemaakt, leverde hem wereldroem op. The Wall Street Journal vergeleek hem met Homerus, Dante en Milton. Mulisch was een zeldzaam voorbeeld van een schrijver die zijn beste werk tijdens zijn late leven publiceerde.

Vijf jaar later, als grasgroene literair redacteur van het voormalige christelijke dagblad Trouw, heb ik Harry Mulisch voor het eerst echt gesproken. Ik mocht de schrijver interviewen ter ere van zijn aanstaande 70ste verjaardag. Het gesprek vond plaats op een van de eerste dagen van juli 1997. Ik was bloednerveus en wilde graag een goede indruk maken bij de Goethe van het Leidseplein.

Mulisch ontving mij in zijn majestueuze werkkamer aan de Leidsekade in Amsterdam met alle egards. Hij belde om koffie, ‘roomservice’, en die werd gebracht door zijn vriendin Kitty Saal én de 7-jarige Menzo, hun zoon. Menzo legde, zonder iets te zeggen, even zijn hoofd tegen de schouder van zijn vader en verdween daarna weer met zijn moeder.

De schrijver zei niets. Hij leek niet veel zin te hebben in het zoveelste jubileumgesprek en tikte op zijn horloge, een Cartier met een vierkante witte wijzerplaat en Romeinse cijfers, als ik me niet vergis. Hij wees mij erop dat we hadden afgesproken dat ik precies één uur de tijd kreeg.

‘Laten we direct beginnen’, zei ik, en vroeg of ik het gesprek mocht opnemen.

‘Uitstekend’, zei Mulisch, ‘maar dan gaan we dáárheen.’

En hij liep van de voorkant van de werkkamer naar zijn bureau aan de achterkant. Hij ging zitten in zijn lederen bureaustoel, stak één van zijn 88 pijpen op (de sterfleeftijd van Sophocles en zijn moeder) en wees naar een stoeltje, duidelijk lager, aan een tafeltje dat in de lengte van het bureaublad was neergezet.

Ik legde mijn recorder op het tafeltje, drukte het record-knopje in en stelde mijn eerste vragen. Ik wilde het met hem – de verjaardag van de wondergrijsaard naderde – over het verstrijken van de tijd hebben. Zijn eerste antwoorden gaven niet veel blijk van goede zin, want op mijn eerste drie lange, met citaten doorspekte vragen gaf hij als antwoord: ‘Ja.’ ‘Ja.’ ‘Ja.’

Dan heb je dus drie keer niks.

Recorder

Ik wees op een van de Carceri van de etser Giovanni Batista Piranesi boven de schouw, die voor Mulisch het voorgeborchte van zijn bestaan vertegenwoordigden. De ontijd. Daarna wees ik op de prenten van de Sfinx en de piramiden. Egypte raakte Mulisch tot in het diepste van zijn ziel en bepaalde zijn kijk op het leven. De mens vreest de tijd, de tijd de piramiden.

En verdomd, de schrijver begon te spreken. Het gesprek vloog voorbij. Toen Mulisch opnieuw op zijn horloge keek, zag ik dat er 55 minuten waren verstreken. Vervolgens keek ik naar mijn recorder en zag dat het rode knopje naar buiten was geschoten. Het zweet brak me uit. Er was niets opgenomen.

Mulisch zag onmiddellijk wat er aan de hand was. Hij zei: ‘Ik doe het niet over.’

‘Misschien mag ik dan de laatste vijf minuten van uw tijd’, zei ik, en drukte het rode knopje opnieuw in. Na vijf minuten zette ik het opnameapparaat weer uit, pakte mijn spullen en stond op.

Nu leek Mulisch verwonderd. Hij wees met de steel van zijn pijp naar het Leidseplein en zei: ‘Ga naar Americain en schrijf het op!’

En dat is precies wat ik heb gedaan. Op basis van in allerijl opgetekende flarden van herinneringen aan de leestafel in de lounge maakte ik het paginagrote interview met de jubilerende schrijver. Ik liet daarin mijn eigen stunteligheid onvermeld.

Harry Mulisch, Amsterdam, 25 juli 2007.Beeld HH

Achteraf zei Mulisch tegen mij dat het interview zo natuurlijk veel beter was geworden. ‘Het geheugen is duizendmaal sterker dan een opnameapparaat.’ Bovendien vond hij het zeer passend dat de opname van een gesprek over het verstrijken van de tijd was blijven stilstaan.

Ik was 32, toen er werd opgebeld. De Bezige Bij aan de lijn. Of ik ter ere van Mulisch’ 75ste verjaardag een fotobiografie wilde maken. Dat wilde ik wel. Het zou een vervolg worden op Mijn getijdenboek uit 1975. Mulisch stopt in dat boek met schrijven op het moment dat hij debuteerde, en daar pak ik het verhaal op in Zijn getijdenboek.

Een half jaar bivakkeerde ik geregeld in Mulisch’ werkkamer. Of eigenlijk: in het zijkamertje. Daar waar de brieven aan de schrijver waren gerubriceerd, keurig in mappen, op achternaam van de scribent. Brieven van de schrijver zijn zeldzaam. Op een bureautje stond een schaakbord op zijn kant tegen de wand, waarin een foto van een man in een rolstoel was geplakt. Woeste blik in het ene oog. Lapje over het andere oog: Jan Hein Donner.

Cees Nooteboom, Harry Mulisch en Hugo Claus. 'De dunne', 'De Bruine' en 'De Dikke' op Ibiza, 1959.Beeld Archiefbeeld

Af en toe keek Mulisch om de hoek, en spraken we even. Of we gingen foto’s bekijken, die aan de voorkant van de kamer in een ladekastje zaten. We hebben aan zijn bureau ook uren en uren gesproken voor de zevendelige radioserie Mulisch en het woord. Ik nam de gesprekken op. De recorder faalde geen seconde.

Toen ik na de zomer van 2002 het typoscript van Zijn getijdenboek van Mulisch met op- en aanmerkingen terugkreeg, stond er op het eerste vel:

pax tibi onno

evangelista meus

harry m.

Hotel Des Bains

Lido di Venetia

1.8.02

Mulisch had het typoscript op de dagen na zijn 75ste verjaardag zitten lezen op het enorme balkon van suite 216 van Hotel des Bains. Hij huurde elke zomer een paar weken de kamer naast de vertrekken die zijn literaire vader Thomas Mann ooit met zijn familieleden betrok. Uitzicht over de mare azzurro. Mann schreef daar Der Tod in Venedig, Mulisch zou er een deel van De procedure schrijven.

Mulisch’ inscriptie in mijn typoscript was een knipoog naar de beroemde tekst die staat gebeiteld in het stenen boek onder de rechterklauw van de gevleugelde leeuw van Venetië, hoog verheven boven het piazza San Marco op zijn zuil. In dat stenen boek staat geschreven:

pax van

tibi geli

mar sta

ce e meus

Mulisch citeert de tekst in Voer voor psychologen. ‘Voor het eerst zie ik de volmaaktheid. In geen boek, in geen schilderij of stuk muziek heb ik ooit zo gepast.’

Beeld ANP

In januari 2004 werden we uitgenodigd door de Nederlandse ambassade in Brussel om op te treden voor vierhonderd landgenoten in het oude paleis van koning Leopold in Tervuren. We werden er op hoge snelheid heen gereden in een gepantserde BMW, met voor en achter motorescorte. Harry’s neus glom van vreugde.

Voor het optreden werden we ondergebracht in Hotel Metropole, het fameuze 19de-eeuwse hotel aan de Place de Brouckère, waar Sarah Bernhardt en Arthur Rubinstein ooit overnachtten en dat zo toepasselijk de initialen van Harry Mulisch draagt. In de lobby werden we samen geïnterviewd door een jongedame van de Vlaamse radio, die nogal zenuwachtig was. Tot onze verbijstering luidde haar eerste vraag aan Mulisch: ‘Wanneer heeft u Onno Blom voor het eerst ontmoet?’

Dat was verkeerd om.

Vele gesprekken, optredens, boeken, reizen en jaren verder ging het mis. Op Kerstavond 2008 werd Mulisch geopereerd aan longkanker. Al twee maal eerder had hij de gevreesde ziekte verslagen – ‘we zullen wel eens even zien wie hier de baas is’ – maar ditmaal was het anders. De ziekte bleef onzichtbaar, maar voelbaar voortwoekeren. In de zomer van 2010 kreeg hij een tumor in de hersenstam. Op maandagavond 6 september, de datum staat op een notitievelletje, belde Kitty me op: ‘We zijn aan het laatste hoofdstuk begonnen.’

Soeverein

‘Dat ik dood kan gaan, moet eerst maar eens bewezen worden’, had Mulisch tegen me gezegd. Op 30 oktober 2010, om acht uur ’s avonds, werd het bewijs geleverd. Soeverein trad hij de dood tegemoet. Hij was drieëntachtig jaar, drie maanden, drie dagen, negen uur en vijfenveertig minuten oud geworden.

In de week erna, in het schemergebied tussen sterven en begraven, mocht ik afscheid komen nemen. Kitty liet me binnen in de donkere werkkamer. Hij lag in de zijruimte aan de voorkant. Achter hem de Egyptiana, zijn amuletten voor in het dodenrijk. Zijn lichaam was vederlicht geworden, zweefde bijna op de baar, zijn huid van perkament. Hij had zijn favoriete donkerblauwe linnen jasje aan, rood pochet in de borstzak, vuurrode kousen. Zijn neus stak, doordat zijn gesloten ogen diep in de kassen waren verzonken, nog scherper naar voren. Een wijze, oude vogel.

Ik brak.

‘Dag Harry.’

Beeld De Bezige Bij

Onno Blom: De wondergrijsaard – Het late leven van Harry Mulisch. De Bezige Bij; 256 pagina’s; € 21,99.  

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden