Bij de daders niet thuis, maar bij de slachtoffers evenmin

EEN VAN DE verschrikkelijkste waarheden uit de mozaïsche wet is dat 'de zonden der vaderen bezocht zullen worden aan de kinderen, tot in het derde en vierde geslacht'....

Daar is niemand gek op, de rekening gepresenteerd krijgen voor wat zijn ouders en voorouders misdaan hebben, zijn leven van begin af aan al hypothecair belast te weten door een schuld die hij niet heeft gemaakt.

Het is een gedachte die bovendien in strijd is met wat vanaf het begin van de beschaving gegolden heeft als een pijler van het rechtsbestel: schuld is individueel en persoonlijk. Voor wat het voorgeslacht ons heeft aangedaan of zelfs maar nagelaten, kunnen wij niet verantwoordelijk worden gehouden, voor wat wij het nageslacht aandoen daarentegen wel.

Dat leeft voor de meeste mensen een stuk makkelijker en vrolijker, want tegen de tijd dat het nageslacht gerechtigheid komt eisen zijn degenen die aansprakelijk gesteld zouden moeten worden er veelal niet meer. Wij zadelen de toekomst op met onze fouten en misdaden, maar dat wij die van onze voorouders met ons mee zouden slepen en erdoor belast zouden worden, misschien wel tot in het derde en vierde geslacht, is een onverkwikkelijke gedachte. Als we er helemaal niet onderuit kunnen, maken we haar anoniem en onpersoonlijk - en regelt de staat excuses en een staatscommissie een schadevergoeding.

Maar de god die Mozes in de eenzaamheid van de woestijn dicteerde hoe het leven in elkaar stak en hoe het geleefd moest worden, was geen gemakkelijke of vrolijke natuur en met de staat of commissies hield hij geen rekening. Hij stelde de overerfbaarheid van schuld en daarmee de aansprakelijkheid voor misdrijven op drie, hooguit vier geslachten. Het heeft iets van wrange ironie dat de generatie die, in Nederland, zijn verordeningen laatdunkend terzijde schoof en al krenten uitdelend verkondigde dat ieder mens zijn leven met een schone lei kon beginnen, even later zelf de begrippen 'tweede' en 'derde generatie' uitvond - en er prat op ging daarmee iets nieuws te hebben bedacht.

Hadden zij bij de godsdienstlessen net zo goed opgelet als bij de lessen maatschappijleer, dan hadden zij het kunnen weten.

In zijn roman Die Tochter laat de Duitse schrijver Maxim Biller zien, of beter nog: voelen, hoe verschrikkelijk en hoe verschrikkelijk wáár het is dat de zonden der vaderen worden bezocht aan de kinderen. In Nederland is de leer van de erfzonde en de voorbeschikking, die in haar theologische verschijningsvorm de cultuur drieënhalve eeuw heeft bepaald, van de ene op de andere dag als belachelijk van de hand gedaan - en vervangen door het ogenschijnlijk veel gerieflijker geloof in een sociaal en vervolgens zelfs een genetisch determinisme. Wij erven geen schuld meer, maar kwalen, geen aansprakelijkheid, maar ontvankelijkheid voor gebreken. Vroeger richtten we ons in onze wanhoop over de torenhoge last die wij moesten meedragen tot God en zijn dominees, tegenwoordig roepen wij de staat en de dokter aan.

Maxim Biller weet wel beter. Hij is een in 1960 uit Duits-joodse ouders in Praag geboren schrijver, die op zijn tiende met zijn ouders naar Duitsland emigreerde. Wie de moeite neemt alleen al die strikt feitelijke mededeling tot zich door te laten dringen, ziet voor zijn geestesoog een toren van erfelijke morele belasting wankelen. Duits, joods, uit Praag, naar Duitsland - en dan ook nog schrijven willen: Maxim Biller, beste jongen, is dat niet een beetje veel van het goede, had je je niet beter op de genetische biologie kunnen toeleggen?

Sedert hij ruim tien jaar geleden debuteerde met de verhalenbundel Wenn ich einmal reich und tot bin heeft Biller zich ontwikkeld tot het enfant terrible van de Duitse literatuur. Dat heeft veel met hem en zijn onverzoenlijke stijl van optreden te maken, het heeft minstens zoveel met de Duitse literaire cultuur te maken - maar het wordt vanzelfsprekend in niet geringe mate veroorzaakt door de geschiedenis van Duitsland, de Duitse joden, de Duitse joden uit Praag, inzonderheid diegenen onder hen die ook nog boeken willen schrijven.

Hij schreef een tweede boek, waarvan alleen al de titel, Land der Väter und Verräter, zijn huidige landgenoten tot blinde razernij gebracht moet hebben, en hij begon columns te schrijven voor de kranten. Inmiddels heeft hij met vrijwel iedereen ruzie. Alleen al zijn aanwezigheid - hij woont, godbetert, in München: 'Ja, ik kom in de cafés waar ook Adolf Hitler destijds placht te komen', zei hij ooit in een interview voor de VPRO-televisie - roept pijnlijke herinneringen en vragen op.

In Die Tochter, zijn eerste roman, richt hij opnieuw een ravage aan, onbesuisder en eerlijker dan hij ooit in een van zijn verhalen deed. Het is een bloedbad en geen lezer zal erin slagen daar onbesmeurd uit te komen. Hij voert er de Israëlische jood Motti - Mordechai - Wind in op, kind van Duitse ouders die, de een na de holocaust, de ander op de golven van het vooroorlogse zionisme, naar Israël zijn geëmigreerd en daar hebben geprobeerd een nieuw leven op te bouwen, een nieuwe staat, onbevangen en onbelast door het verleden. De schone lei, vrolijk optimisme en niks geen gezeur over het derde en vierde geslacht.

Over de oorlog wordt niet gesproken, thuis, en als er al over gesproken wordt dan is het in geheimtaal; daarin doet de jeugd van Motti Wind denken aan die van het jongetje in David Grossmans roman Zie: liefde of die van de hoofdfiguur in Amos Oz' Panter in de kelder. Er is een verschrikkelijk geheim, en naarmate je daar besluitvaster over zwijgt wordt het venijniger. Leve de verdringing, drie hoera's voor de achteloosheid van de krentendistributie.

Maar Motti Wind is een stuk jonger dan de helden van Grossman en Oz. Hij maakt, begin jaren tachtig, als dienstplichtig soldaat de Israëlische brandschatting van vluchtelingenkampen in Zuid-Libanon mee en een van zijn vrienden bezoekt Palestijnen in Israëlische gevangenissen. Die zitten daar, aan gort geslagen en gemarteld, de erfgenaam van het holocaust-verleden een hoogst onaangenaam spiegelbeeld voor te houden. En Motti Wind ziet dat de slachtoffers van toen de daders van nu zijn.

Van dat moment af is alles dubbelzinnig. Want het daderschap laat zich zo gemakkelijk verklaren, bijna alsof de god van Mozes met zijn vreselijke diagnose een historisch determinisme heeft afgekondigd. Om bij te komen van de Libanese oorlog gaat Motti Wind op reis, net als zijn vrienden uit het leger. Die vertrekken naar India of Californië - hij gaat naar Duitsland. Als het niet zo on-kosjer klonk zou je zeggen: dat is de kat op het spek binden. Het is in elk geval de goden verzoeken. Motti Wind belandt in München, waar hij gaat samenwonen met een aanzienlijk te dikke en veel te blonde Duitse vrouw. En, jawel, zo'n vrouw heeft ook ouders, en, tja, waar waren die, tijdens de jaren 1933-'45? Dat geeft op zijn minst een opmerkelijke dynamiek aan de gemeenschappelijke middagmaaltijden op zondag (rode kool en gebraad).

Motti's vrouw is heftig in Israël en het jodendom geïnteresseerd en net als veel van haar generatiegenoten wil ze graag tot het joodse geloof overgaan. Aanvankelijk verdient Motti de kost als handelaar in spijkerbroeken - hoeveel lef moet je hebben wanneer je als Duitse schrijver een joodse jongen weer koopman in de textiel laat worden? -, maar na verloop van tijd wordt hij huisleraar joodse inzettingen en verordeningen, joodse riten en symbolen, voor al die Münchener dames die willen oversteken. Hij onderwijst ze, en hij neukt ze - want alles heeft zijn prijs.

Er is weinig verbeeldingskracht voor nodig om in te zien dat dat, gegeven al deze verwarrende en wanhopig stemmende ingrediënten, nooit goed kan gaan. Die dames hebben vaders en met die vaders is het niet pluis. Ze hebben verledens en proberen daar wanhopig mee in het reine te komen. Maar de technieken die ze daarvoor aanwenden zijn zo sentimenteel en slordig, ze zijn zo volslagen in de war en zitten zo verstrikt in de tentakels van het verleden, van schuld en boete, dat ze er nooit meer uit gaan komen.

Maar ook Motti Wind komt er nooit meer uit. Van die Duitsers houdt hij niet, van zijn Israëlische landgenoten kan hij niet houden. Bij de daders hoort hij niet thuis, maar bij de slachtoffers evenmin - en het is bovendien keer op keer tamelijk onduidelijk wie hier dader is en wie slachtoffer en waarvan precies. Mordechai heet hij, naar de man die tijdens de Babylonische ballingschap - in een van de mooiste boeken van het Oude Testament beschreven - het volk Israël van de eerste holocaust redde door zijn nichtje Esther in te zetten.

Motti Wind zet zijn dochter in. Ergens roept hij uit dat wie zijn ouders niet liefheeft ook geen kinderen kan hebben en het lijkt erop dat hij die kwestie van de zonde der vaderen wil oplossen door mateloos veel van zijn kind te houden. Maar daar steken de krentenuitdelers een stokje voor - en Motti Wind loopt tegen de lamp. Incest, meent de Raad voor de Kinderbescherming: weg vaderschap.

Dat is de stand van zaken wanneer we hem leren kennen in Die Tochter en het zal geen mens verbazen dat we Motti Winds geestesgesteldheid direct kunnen aflezen uit de stijl waarin dat boek geschreven is. Het is een delirium, waarin Motti aanhoudend raast en ratelt, een volslagen verwarde apotheose van schuld en nog meer schuld, van wanhoop en uitzichtloosheid. Alles wordt erin overhoop gehaald en niets wordt afgemaakt, alles buitelt over elkaar heen in een grote turbulentie van gevoelens en herinneringen. Het hele boek is geschreven in een toestand tussen waken en slapen in, het is een nachtmerrie waaruit je maar niet kunt ontwaken.

Maxim Biller liet het voorafgaan door een motto uit David Vogels roman Huwelijksleven, die ongeslepen diamant uit de vroegste literatuur van het moderne Israël, die tien jaar geleden ineens opdook en die zijn wortels in de Centraal-Europese traditie van Oostenrijk-Hongarije had. Dat is terecht, want Die Tochter doet er, althans stilistisch, wel wat aan denken.

Niemand komt er meer uit, ook die dochter niet. Zij is indolent en zij zwijgt, bijna het hele boek lang. Alleen als haar grootmoeder van moederszijde, haar Duitse en Arische grootmoeder, dood ligt te gaan en even later begraven wordt, ontsteekt ze in energiek en vrolijk gekwebbel. Dat is niet mis - en zou je Die Tochter daartoe reduceren, dan kan Maxim Biller beter emigreren. Naar India of Californië, bijvoorbeeld - naar het land waar je ten eeuwigen dage gevangen blijft in de kaste van je ouders of naar het land van de grote vergetelheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden