Bij Cash was elk woord menens

Johnny Cash, de zanger die vrijdag in zijn woonplaats Nashville in de Verenigde Staten op 71-jarige leeftijd overleed, behoorde tot de zeldzame artiesten die zich steeds vernieuwen, zonder zichzelf te verliezen....

M eer nog dan zijn liedjes vormt zijn leven het echte kunstwerk dat Johnny Cash ons nalaat. Van de oertijd van de rock 'n roll, via het protest en de excessen van de late jaren zestig en het benauwde van de vroege jaren tachtig, tot aan het eclectische heden - bijna de hele naoorlogse geschiedenis van de Verenigde Staten heeft in zijn werk sporen nagelaten. Aan opeenvolgende generaties vertelde Cash de verhalen van de gewone man, die worstelt met de wet, met zijn partner, met zijn geweten. Zijn intense voordracht maakte dat iedereen zich persoonlijk door die songs aangesproken kon voelen. Als Cash zong, wist je zeker dat elk woord menens was.

Cash was een man met een moraal. Hij nam stelling in kwesties van oorlog en vrede (Vietnam), van rijk en arm, van misdaad en straf. Hij behoorde zodoende tot de vooraanstaande lekenpastors van zijn tijd. Anders dan zijn grimmige imago van 'the man in black' doet vermoeden, was het geloof daarbij voor hem van levensbelang. Op zijn vierde zong hij met zijn moeder de gospel, op zijn twaalfde bekeerde hij zich en toen hij zich in 1955 bij Sam Phillips van het fameuze Sun Records in Memphis meldde, deed hij dat als gospelzanger. De vier, met producer Rick Rubin voor het American label opgenomen albums ontlenen hun kwaliteit mede aan religieus getinte nummers als Redemption, Why me Lord, Spiritual en Personal Jesus.

Cash bracht religieuze gevoelens over op een publiek dat daar geen affiniteit mee dacht te hebben. Maar met dezelfde intensiteit en hetzelfde begrip kon hij zingen over moord en doodslag. Cash bracht in nummers als Don't take your guns to town, Mister Garfield en I hung my head de gemoedstoestand van de moordenaar met groot inlevingsvermogen onder woorden. Weinig artiesten hebben zo vaak over en in gevangenissen gezongen. Zijn concerten in Folsom Prison en San Quentin (San Quentin may you burn and rot in hell) maakten hem tot een held van de inmates. Zo ontstond het beeld dat Cash zelf ook geregeld vastzat. In feite heeft hij alleen eind jaren zestig een maand vastgezeten, wegens het bezit van verdovende middelen.

'Hello, I'm Johnny Cash' - met die, sinds de opnamen uit 1968 van Fulsom Prison legendarisch geworden openingszin begonnen zijn concerten. Maar wie Johnny Cash was, werd mede bepaald door wie hem hoorde. In 1955, toen hij in de Sun Studio van de eerder dit jaar overleden Sam Phillips Hey Porter opnam, was Cash een veelbelovende zanger, een man die rock 'n roll kon helpen uitvinden. Samen met Elvis Presley, Carl Perkins en Jerry Lee Lewis. Het boemtsjakkeboem-ritme dat Cash met zijn begeleiders The Tennessee Three uitvond, is hij altijd trouw gebleven.

In de jaren zestig was Cash een rebel, die voortgejaagd door het succes, greep naar alles wat in Amerika verboden was. Het was June Carter Cash, nazaat van de Carter Family, grondleggers van de moderne country, die hem terug in het spoor zou brengen. June was de liefde van zijn leven, bijna tot in zijn laatste dagen, toen in een elektrisch karretje door het winkelcentrum van Nashville rijden en zijn fans de hand drukken nog zijn enige vertier was.

Al was Cash zelf een groot songschrijver, hij is nooit eenkennig geweest. Veel typische Cash-songs, zoals A boy named Sue, Ring of Fire en The beast in me werden door anderen geschreven. Maar zodra een nummer door Cash was gezongen, klonk het weer als nieuw.

In de jaren tachtig was het dood tij voor Johnny Cash. Voor de country-elite van Nashville was hij inmiddels te oud en te lastig, in de popmuziek had hij niets te zoeken. Een geniale producer, Rick Rubin, was nodig om hem tot nieuw leven te wekken. De vier American Recordings die hij het afgelopen decennium opnam, behoren tot het beste wat hij maakte. Waar generatiegenoten als George Jones, Carl Perkins en Chuck Berry op oude roem zijn blijven teren, sloeg Cash, aan Rubins hand, nieuwe wegen in. Rubin bracht hem terug tot zijn kern, die diepe, doorleefde, gemene brombas, waarmee hij doorgaans zo halverwege zingen en parlando bleef steken en er nooit twijfel over liet bestaan dat het leven te kort is voor flauwekul.

Rubin en Cash kozen voor een sobere instrumentatie, en voor songs uit onverwachte hoek, zoals Depeche Mode, Nine Inch Nails, Beck, Nick Cave, Nick Lowe en Sting. Met die albums wist Cash een groot, nieuw, jonger publiek voor zich te winnen, dat viel voor zijn intensiteit en durf. Maar Cash was intussen bijna aan het einde van zijn latijn.

Op de ontroerende videoclip voor het nummer Hurt van zijn laatste album is Cash thuis te zien als de bevende, oude man. Hij leed aan een zenuwaandoening en aan suikerziekte, werd meerdere malen als terminale patiënt opgenomen, maar herstelde wonderbaarlijk. Uiteindelijk is June Carter Cash hem toch nog een paar maanden vooruitgegaan. Johnny Cash zal daarna de dood als een vertrouwde vriend hebben begroet. Afscheid nemen had hij al gedaan: 'We'll meet again, don't know where, don't know when' - dat is het slotlied van zijn allerlaatste album, door Cash met wankele stem gezongen.

Ariejan Korteweg

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden