Bidden helpt niet meer

Roland Emmerich maakte met 2012 een rampenfilm die een stapje verder gaat dan eerdere. Een Goed Mens Zijn is niet meer voldoende om de ramp te overleven....

Een fluitje. Een noodponcho. Een zaklamp en stanleymes. Een EHBO-setje. Toen de eerste vijftig minuten van de rampenfilm 2012 werden vertoond voor journalisten, kregen zij bij aanvang een noodpakket. Voor het geval de wereld inderdaad zal vergaan in 2012, zoals de Maya’s voorspeld schijnen te hebben.

Alsof je wat aan waxinelichtjes hebt als de aarde onder je voeten splijt of liters kolkende lava en een muur van water op je afkomen.

Het is natuurlijk een grapje van de filmmaatschappij. Maar in dat blauw-zwarte tasje schuilt ook de kern van het succes van de rampenfilm: het is een niet té serieus te nemen knipoog, die de illusie creëert dat een onmogelijke ontsnapping mogelijk is.

Eigenlijk is niets zo geruststellend als wereldwijde destructie op het witte doek.

Alleen de structuur van die apocalyptische films al. Eerst is er de dreiging, die vaak al in het openingsshot onheilspellend over die arme kleine blauwe aarde loert. Dan zijn er wetenschappers die op fascinerende computerschermen zien dat de ramp eraan komt en in een onbegrijpelijk jargon de wereld proberen te waarschuwen. Toch wordt – om welke reden dan ook – pas laat of niet ingegrepen. Falen alle reddingspogingen, dan gaan er zo veel mogelijk monumenten aan, maar dat zal de beschaving niet vernietigen. Want samenwerking – het liefst met verschillende nationaliteiten – is de sleutel tot overleving, in ieder geval voor De Held die en passant zijn vergeten familiewaarden weer leert waarderen.

Het is bezwerend. Ruim twee uur destructie en de visualisatie van een diepgewortelde angst werkt tegelijk als catharsis en vlucht uit de werkelijkheid. Ook voor regisseur Roland Emmerich is het visueel vernietigen van de aarde een manier om zijn persoonlijke demonen het hoofd te bieden, stelt hij in het Britse filmblad Empire. Eerder deed hij al pogingen met destructieve buitenaardse wezens in Independence Day (1996), een monster in Godzilla (1998) en de opwarming van de aarde in The Day After Tomorrow (2004).

Dat gevoel is universeel, zeggen filmwetenschappers. Rampenfilms worden vooral gemaakt in een verwarde wereld die behoefte heeft aan structuur en licht aan de horizon. Dat is de reden, zeggen ze, dat dit soort films in cycli komen die samenvallen met verwarrende tijden en nieuwe filmtechnieken.

Zo werd de verwarring van de jaren dertig gekanaliseerd door films als King Kong (1933) en bijvoorbeeld Orson Welles’ hoorspel The War of the Worlds (1938). In de jaren vijftig waren rampenfilms vooral science fiction, gebaseerd op de angst voor een vijand met superieure technologie. De angst voor radioactieve straling in Japan kreeg letterlijk vorm door Godzilla (de oerversie werd in 1954 gemaakt in de regie van Ishirô Honda) en andersoortige mutanten. In de jaren zeventig nam de strijd tegen de elementen het over: special effects van Airport (1970), Poseidon Adventure (1972), Earthquake (1974), The Towering Inferno (1974) moesten de wegblijvende bezoeker weer naar de bioscoop lokken. Het eind van de jaren negentig, een uitvloeisel van een modern fin de siècle-gevoel, bracht een nieuwe serie, met Titanic (1997), Twister (1996), Dante’s Peak (1997), Deep Impact, Armageddon (beide 1998) en The Perfect Storm (2000).

Het zijn de films waar Emmerich in 2012 lustig uit citeert. Hij laat flatgebouwen als kaarten in een kaartenhuis neergaan. Hij splijt de aarde, laat met tsunami’s boten op het Witte Huis vallen. ‘Ik wil dat 2012 alle andere rampenfilms overbodig maakt. Er moet niets meer te verzinnen zijn na dit.’

Dat is grootspraak, maar heel idioot klinkt het niet. Emmerich is van de schaalvergroting. Hij was een van de regisseurs die in de jaren negentig geen genoegen meer nam met alleen boot, vliegtuig of een wereldstad. Nee, hup, de hele wereld moest eraan. En het waren die films die – buiten Titanic dan – de meeste mensen naar de bioscoop trokken.

Ergens is dat logisch: het is tegenwoordig vrij gemakkelijk om te vluchten voor een enkele aardbeving. Luister naar de seismograaf, stap op het vliegtuig en weg ben je. Nee, dan een komeet die op koers met de aarde ligt: dat zorgt tenminste nog voor wat hoofdbrekens. In Armageddon en Deep Impact wordt wanhopig geprobeerd om dat probleem op te lossen. In Emmerichs Independence Day moeten buitenaardse wezens met een superieure technologie worden vernietigd. Ook niet makkelijk.

Maar de meest recente rampenfilms hebben geen ontsnappingsmogelijkheden meer. Ze koersen rechtstreeks af op ellende. Waar God – die natuurlijk indirect met zo’n ramp de decadente, materialistische en respectloze mens een lesje wil leren – nog wel eens over zijn hart streek, is dat nu steeds zeldzamer. Bidden helpt niet meer, lijkt zelfs Emmerich te zeggen, de man die in zijn vorige films graag ruimte maakte voor emotionerend bedoelde toespraken over God en geloof. En hoewel 2012 zijn oorsprong wel degelijk vond in een Bijbels verhaal, zijn het niet alleen de universele tekenen van westerse idealen (het Witte Huis, het vrijheidsbeeld), maar ook het Christusbeeld in Rio de Janeiro en de Sixtijnse kapel die hij met een sardonisch genoegen vernietigt.

Dus is het in War of the Worlds (2005) nog door een mazzeltje dat de mensheid uiteindelijk gered wordt. Maar in The Day after Tomorrow, Knowing (2009) en 2012 is het einde onafwendbaar en wordt het groepje dat overleeft met de film kleiner. In het kielzog van deze films met wereldwijde catastrofe is de postapocalyptische film in opmars. De grimmige animatiefilm 9 (2009) bijvoorbeeld, en zelfs Wall-E (2008), I am legend (2007) en Children of Men (2006). En in de komende maanden alleen al volgen nog het deprimerende The Road, The Book of Eli, Legion en Zombieland.

Dat onafwendbare heeft alles te maken met de de onderliggende angst waarop deze films inspelen. Want hoewel er een fikse groep is die gelooft dat de wereld werkelijk zal vergaan in 2012, heeft deze blockbuster natuurlijk een veel grotere doelgroep voor ogen. Kijk eens naar wat er gebeurt in de films.

Als de apocalyps voorbij is, blijkt de oorzaak vaak een vreemd soort virus. Maar als de vernietiging in beeld komt of dreigt te komen, is meestal de zon de boosdoener – ze dooft uit (Sunshine, 2007), verbrandt de aarde omdat de het elektromagnetische veld is weggevallen (The Core, 2003), smelt de poolkappen (The Day After Tomorrow) of vernietigt de aarde met zonnevlammen (2012, Knowing). Oplopende warmte of onverwachte koudefronten. Mega-tsunami’s. Het zijn allemaal manieren om te laten zien wat de effecten van het broeikaseffect zijn, hoe de natuur zich groots en machtig tegen ons kan keren. De films tonen de vernietiging van de aarde – waar we volgens veel mensen al midden in zitten – maar dan in ruim twee uur entertainment samengepropt.

Zorgen om het milieu komen ook voor zonder dat de zon er iets mee te maken heeft: in Wall-E bijvoorbeeld is de aarde verwoest omdat de mens hem eigenhandig heeft veranderd in een afvalberg. Het monster in de Koreaanse film The Host (2006) ontstond door chemisch afval.

De films weerspiegelen het defaitisme, dat ook bij de filmmakers zelf leeft. Het zijn zorgen over de wereld van nu die veel postapocalyptische films beïnvloedden, erkennen de makers. The Day after Tomorrow was een waarschuwing, aldus Emmerich, die voor die film de opwarming van de aarde expliciet als onderwerp nam. ‘Het had nog een boodschap van hoop omdat het tij nog gekeerd kon worden. 2012 is veel grimmiger. Die gaat over de onvermijdelijke destructie.’

Niet dat 2012 een groot tranendal is – integendeel. Emmerich gebruikt juist meer humor dan ooit. Misschien om het realisme van de special effects of de grimmige onderliggende boodschap behapbaar te maken. Het is dansen op de vulkaan.

Maar wat hij daarmee misschien ook verdoezelt is zijn pessimistischer mensbeeld. Een Goed Mens Zijn is niet meer voldoende om de ramp te overleven – sterker nog, misschien is het beter van niet. Natuurlijk maakt Emmerich de laatste positivo op aarde tot zijn hoofdpersoon en staat opoffering en heldenmoed centraal, maar let eens op wat er daarbuiten gebeurt.

Hij staat met die negatievere visie op de mens niet alleen. In Knowing (2009) wordt aan de vooravond van de apocalyps geplunderd. Regeringen proberen niets meer, maar redden hun eigen hachje. In het postapocalyptische pamflet Age of Stupid vraagt de hoofdrolspeler zich af waarom niemand een poging heeft gedaan om de wereld te redden. ‘Of is het antwoord dat wij niet zeker wisten of we het waard waren om gered te worden?’. Dat is de vraag die de nieuwe films steeds vaker stellen. En dat is wel uiterst zorgwekkend: als Hollywood niet meer in de mensheid gelooft, wie dan nog wel?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden