Bestsellerauteur Min Jin Lee: ‘Het leven is als pachinko. Je weet dat je uiteindelijk verliest, toch moet je doorspelen’

Haar familiesaga over Koreanen in Japan werd een onverwachte bestseller. Wat bracht Min Jin Lee tot dit verhaal over discriminatie en doorzettingsvermogen?

Min Jin Lee. Foto Elena Seibert Foto rv

Ze was er uit fatsoen heen gegaan; het was een plichtpleging, meer niet. Min Jin Lee was 19, en studeerde net geschiedenis. De kapelaan van haar universiteitskerk had gevraagd of ze geen zin had om naar een lezing te komen, van een Amerikaanse missionaris die in haar geboorteland Korea had gediend. ‘En ik ben een gehoorzaam, meegaand iemand’, zegt Lee, haar stem vol ironie.

‘Het was geen sexy lezing. Ik dacht er halverwege wel tussenuit te kunnen knijpen. Maar bij binnenkomst bleek dat er maar vier aanwezigen waren: ik, een vriendin, de kapelaan, plus de spreker zelf. En er was een schaal met koekjes, het zou maar drie kwartier duren. Dus bleef ik toch maar. Wat kon me gebeuren?’

Lee laat een dramatische stilte vallen in de bibliotheek van Greenwich, een slaperig, chic stadje in Connecticut. Het auditorium is tot op de laatste stoel gevuld met fans.

‘Welnu, die lezing veranderde mijn leven.’

Die middag besloot ze een boek te gaan schrijven. Dertig jaar later is het er: Pachinko, een familiesaga die een Koreaans migrantengezin volgt gedurende vier generaties, eerst in het door Japan bezette Korea aan het begin van de 20ste eeuw, daarna in Japan zelf, waar de familie worstelt met armoede, uitsluiting en systematische discriminatie, van de jaren voor de Tweede Wereldoorlog tot in de late jaren tachtig.

Het lijkt een onwaarschijnlijk thema voor een bestseller. Toch is Pachinko dat geworden. De roman (die begin vorig jaar in Amerika verscheen en nu in het Nederlands is vertaald) haalde bovendien de shortlist van de National Book Award en werd door The New York Times verkozen tot een van de tien beste boeken van 2017.

Min Jin Lee: Pachinko. Uit het Engels vertaald door Ineke Lenting en Paul van der Lecq. Meulenhoff; 511 pagina’s; € 22,99. Foto rv

Haar roman is geprezen als ‘een krachtige beschouwing van wat immigranten opofferen om een thuis te krijgen in de wereld’; een ‘grandioos verhaal dat je niet loslaat’ over ‘buitenstaanders, minderheden en politiek rechtelozen’. Maar Pachinko gaat ook over de liefde en het doorzettingsvermogen van een familie om dat alles het hoofd te bieden. Over de opofferingsgezindheid van ouders en over de veerkracht van vrouwen, zoals blijkt uit een fragment dat Lee voorleest in de Greenwich Library.

Het is een hartverscheurende dialoog, waarin Sunja haar moeder Yangjin opbiecht hoe ze zwanger is geraakt van Koh Hansu, een man die al getrouwd bleek met een Japanse vrouw. Deze schande zal haar naar Osaka voeren, ver weg van haar moeder.

‘Het duurt maar 2,5 minuut, hoor’, stelt Lee haar gehoor gerust. ‘Korter dan een YouTube-filmpje. Ik lees altijd maar kort voor, want ik wil wel dat u me leuk vindt.’

Wat de missionaris die middag vertelde, is wat Lee – uitgebreid, gedetailleerd en goed gedocumenteerd – in Pachinko beschrijft. Hoe Japan Korea in 1910 kolonialiseerde. Hoe het leven in het bezette Korea steeds moeilijker werd, zo goed als onmogelijk zelfs: Japanners eisten (boeren)land van grondbezitters op, hieven steeds hogere belastingen, het land verviel tot totale armoede. Steeds meer Koreanen vertrokken  soms gedwongen, soms vrijwillig – naar Japan, waar ze als tweederangsburgers werden behandeld. Lee somt op: ‘Koreanen werden beschouwd als oppervlakkig, crimineel, onbetrouwbaar, met een slechte hygiëne.’

Het was Koreanen niet toegestaan een huis te bezitten; de huur die ze moesten betalen, voor krotten meestal, was absurd hoog. Ze mochten hun eigen geloof niet uitoefenen, ze konden niet rekenen op bescherming van het recht of de politie, ze mochten slechts de baantjes betrekken die Japanners niet wilden doen. Zelfs niet als ze vierde of vijfde generatie Koreaans-Japans waren, en in Japan geboren.

‘Die missionaris sprak over een geschiedenis van Koreanen in Japan waar ik niks vanaf wist’, zegt Lee, de ochtend voor de bijeenkomst in de Greenwich Library aan de telefoon. ‘Niemand weet iets van deze groep, want het wordt nergens onderwezen.’ En toen vertelde hij dat ene verhaal. Over een jongen van 13 die verschrikkelijk werd gepest en van het dak van zijn flat sprong. Lee: ‘Zijn ouders hadden aanvankelijk geen idee wat hem tot deze daad had gedreven. Tot ze zijn jaarboek vonden, waarin zijn Japanse klasgenoten hadden geschreven: ga terug naar waar je vandaan komt. Ik haat jou. Je stinkt naar kimchi. Sterf, sterf, sterf.’

Lee: ‘Dat verhaal heeft me nooit meer losgelaten.’

Wat precies in dat verhaal trof u destijds?

‘Dat mensen je konden haten vanwege je afkomst. Ik was daar echt door verrast. Toen ik met mijn ouders vanuit Seoul naar Amerika kwam, naar de wijk Elmhurst in Queens, New York, was ik 7,5. Ik sprak geen woord Engels. Toch was iedereen vriendelijk tegen mij.’

U wist toch wel dat racisme bestaat?

‘Natuurlijk. Maar ik begreep niet waarom mensen je niet zouden mogen omdat je Koreaans bent. Alle vooroordelen die Japanners bleken te hebben ten opzichte van Koreanen, kwamen ook in geen enkel opzicht overeen met wat ik van Koreanen wist.’

U was niet veel ouder dan die jongen.

‘Precies, precies.’ Na een korte stilte: ‘Ik denk dat ik me altijd anders heb gevoeld. Niet omdat ik buitenlander was, maar gewoon omdat ik raar was. Ik had een spraakprobleem. Tot aan de middelbare school wist ik niet hoe ik moest praten. Het kostte me moeite contact met anderen te leggen, ik was stil. En ik realiseer me nu: ik denk dat ik me met dat kind verbonden voelde, niet omdat hij werd gepest, maar omdat hij zich geïsoleerd moet hebben gevoeld. Misschien was het niet alleen vanwege die Japans-Koreaanse geschiedenis dat ik een boek wilde schrijven. Ik wilde hem een stem geven.’

Dat boek liet nog wel even op zich wachten. Na haar studies geschiedenis en rechten werkte Min Jin Lee als bedrijfsjurist. Drie jaar later nam ze ontslag; het idee van een roman lonkte te zeer. Met 15 duizend dollar spaargeld moest ze het een paar jaar kunnen uitzingen. Het werden er zeven: van 1996 tot 2003 deed Lee onderzoek naar Koreanen in Japan – geobsedeerd, zoals ze zelf zegt – en zette ze zich aan het schrijven.

Lee schaterlacht: ‘Ik schreef een volledige roman op basis van dat onderzoek. En het was vreselijk. Ik heb het boek niet eens bij een uitgever ingediend.’

Waarom was het zo slecht?

‘Het was saai. Historisch correct, maar niet boeiend. Ik denk dat het ook een boos boek was. Eenzijdig. Het had niet genoeg menselijk gevoel. Misschien kwam het deels doordat ik nog niet volwassen genoeg was, ik had nog niet zo veel meegemaakt. Maar toen ik naar Japan ging, waar ik woonde van 2007 tot 2011, realiseerde ik me dat dat boek zo slecht was omdat ik werkelijk geen idee had gehad waarover ik schreef.’

Wat leerde u in Japan dat u na zeven jaar onderzoek nog niet wist?

‘Ik leerde dat Koreaanse Japanners geen slachtoffers zijn. Ze zien zichzelf niet als slachtoffers, niet als een onderdrukte minderheid. Ze zien zichzelf als overlevenden, als mensen die beslissingen hebben genomen in hun leven. Ik denk dat ik hun autonomie niet respecteerde.

‘Ik moest helemaal opnieuw beginnen. En dat heb ik gedaan. Ik ben weer begonnen in 2007 en verkocht mijn boek uiteindelijk in 2016 aan een uitgever. Dat is een lange tijd. Maar als ik iets heb meegekregen van Koreaanse Japanners, dan is het wel doorzettingsvermogen. Niet opgeven.’

History has failed us, but no matter (‘De geschiedenis heeft ons tekortgedaan, maar vooruit’).

Zo begint Pachinko. Die allereerste zin zet meteen de houding van de Japanse Koreanen scherp neer: veerkrachtig, taai, niet lullen maar poetsen. Ook al hebben ze traumatische dingen meegemaakt, zijn ze gescheiden van hun land en hun grond, en soms van hun broers en zussen, echtgenoot of kinderen.

In Japan zocht ze vrouwen op die op markten of straathoeken etenswaar proberen te verkopen – gebrande suiker, gepelde vruchten, zelfgemaakte kimchi. Ze bezocht naaiateliers en restaurantjes, telde het geld en stelde machines af in de eindeloze gokhallen, sprak met mensen uit de financiële wereld.

Lee: ‘Ik hecht belang aan het werk dat mensen doen. Geld is een belangrijke bouwsteen van het leven. Ik wil begrijpen hoe mensen hun geld gebruiken, verdienen, sparen, verspillen. En wat ze willen bewijzen door geld te hebben – daar gaat dit boek over, net als mijn vorige boek (Free Food for Millionaires, over Koreanen in Amerika, dat ze tussendoor publiceerde in 2007, red.). De schrijvers van 19de-eeuwse romans die ik graag lees – Zola, Balzac, Dickens  geven om wat mensen elke dag doen om hun brood te verdienen. Maar boeken die ik de laatste tijd lees, zeggen te weinig over werk.’

De personages in Pachinko zijn zonder uitzondering harde werkers. De jonge taaie Sunja, die in Osaka van ’s ochtends tot ’s avonds eten verkoopt met een straatkar. Of haar twee zonen Noa en Mozasu. De eerste probeert door keihard studeren niet onder te doen voor een Japanner, de ander gelooft dat dat allemaal toch geen zin heeft. Beiden belanden uiteindelijk in de pachinko-business.

Een pachinko-speler in Tokio. De gokhallen zijn van oudsher veelal in handen van Koreaanse Japanners. Foto Getty Images

Wat is de rol van pachinko?

‘Pachinko is een enorm populair gokspel in Japan, het lijkt op een verticale flipperkast. Jaarlijks gaat er zo’n 203 miljard dollar in om, twee keer zo veel als in de export van de Japanse auto-industrie. Pachinko is van groot belang voor de Japanse economie. Toch wordt het als laag, vies en crimineel gezien. De bedrijfstak wordt van oudsher gedomineerd door Koreaanse Japanners, omdat zij geen normale banen konden krijgen. Ze mochten geen postbeambte worden, geen politieman, geen aannemer. Nog altijd werken veel Koreanen in pachinko.

‘Voor mij is het ook een metafoor. In de gokwereld zijn de speelhallen altijd de winnaars en wij spelers de verliezers – je kunt een tijdje winnen, maar uiteindelijk verlies je. Het leven is als pachinko, niet alleen voor de Koreaanse Japanners, maar voor iedereen. De wereld is oneerlijk. We weten dat, en toch moet je er vrede mee hebben en blijven doorspelen.’

Hoe is het nu voor Koreanen in Japan?

‘Onder de huidige rechtse regering is het erger dan in tijden. De gemiddelde Japanner is heel geschikt en intelligent en onderwezen, het is een geweldig land om te bezoeken – mijn man is half Japans, mijn zoon is voor een kwart Japans, dus ik ben de laatste die zal beweren dat Japanners niet deugen. Maar je hebt een sociale norm, die wordt gedicteerd door de Japanse overheid, waardoor het oké is om mensen te haten op basis van hun etniciteit.

‘Er is een mythe in Japan: een geloof dat de reden waarom Japan succesvol is, en rustig en vredig en met een laag criminaliteitscijfer, is dat iedereen hetzelfde is, van hetzelfde ras, met dezelfde normen en waarden. Maar wat als je toch anders bent?’

Dan heb je een zwaar leven.

‘Een heel zwaar leven! Dat geldt trouwens niet alleen voor Japan. In Zuid-Korea worden mensen ook verschrikkelijk gediscrimineerd. Als ze gehandicapt zijn, of homoseksueel, als je ouders gescheiden zijn, als iemand in de familie zelfmoord heeft gepleegd. Elk land dat een dom geloof hecht aan conformisme veroorzaakt leed  niet alleen voor buitenlanders.’

Heeft u dat zelf ook ondervonden?

‘Mensen zeiden in Japan voortdurend idiote dingen tegen me. Ik heb in mijn kerk een keer voorgesteld het vrijwilligerswerk anders aan te pakken, toen beet de organisator me toe: ‘Het is jouw boze Koreaanse bloed!’ Ik kom uit Amerika, ik voel geen schaamte over mijn Koreaanse afkomst. Maar als je lang genoeg is ingeprent dat je minder mens bent dan een ander, dan verlies je het vermogen daartegen te protesteren.’

Heeft de onderdrukking van Japan ook een rol gespeeld in de splitsing van de twee Korea’s en de geïsoleerde positie van Noord-Korea?

‘Absoluut. Elk postkoloniaal land krijgt als erfenis van het kolonialisme mee dat er partijen ontstaan op basis van wie loyaal was aan wie. Na de Tweede Wereldoorlog werd Korea bezet door de aanvankelijke bondgenoten die samen tegen Japan streden: het noorden door Rusland, het zuiden door Amerika. Een van de redenen waarom de communistische Koreanen in het noorden aanvankelijk zo populair waren, was dat zij tijdens de bezetting het hardst tegen de Japanners hadden gevochten. En veel Koreanen dachten: wie tegen Japan is, zit in mijn team. Terwijl Zuid-Korea werd gezien als een marionet van Amerika, dat in de Koude Oorlog weer een bondgenoot werd van Japan.’

Hoe ze het onverwachte succes van afgelopen jaar heeft ervaren, wordt haar in de bibliotheek van Greenwich gevraagd. Lee schaterlacht: ‘Ik ben opeens dé Korea-specialist. Mensen stellen me de gekste vragen. Of ik commentaar wil leveren op de Noord-Koreaanse nucleaire oorlogsdreiging.’ Dan, met een sneer naar de Amerikaanse president: ‘Ach, waarom ook niet? Ik ben even gekwalificeerd als sommige anderen die zich over dit onderwerp roeren.’

Wat vindt u ervan dat Trump als eerste Amerikaanse president gaat spreken met de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un?

‘Ik denk dat praten goed is. Ik ben alleen bang voor wát hij gaat zeggen, ik heb niet veel vertrouwen in de diplomatieke vaardigheden van onze president. Maar ik ben iemand die gelooft in verbinding. Ik denk: isolationisme is een afschuwelijk concept. Er zijn 25 miljoen mensen die daaronder lijden.’

Heeft u een verklaring voor het succes van uw boek? Het is geen instant-hitmateriaal.

‘Het is bizar, toch? Er zijn zelfs Koreanen die me vragen: wie wil er nu boeken over Koreanen lezen? Het was ook niet mijn bedoeling dat dit boek een succes zou worden. Ik wilde het gewoon afmaken, ervanaf zijn. Waarom het aanslaat? Misschien omdat dit boek een veilige plaats is om onze angst en vervreemding te onderzoeken.’

Wat hoopt u dat uw roman bewerkstelligt?

‘Ik zou willen dat mijn Nederlandse lezers dit boek lezen en zich Koreaans voelen. Dat ze dit boek lezen en denken: ik zie hen als mensen. Boeken zijn merkwaardig. Ze hebben de macht je te verplaatsen naar een scène waar je niet bij bent. Ik heb leren schrijven door westerse literatuur te lezen. Bij alle goede boeken voelde ik me zoals de personages: ik voelde me Amerikaans, ik voelde me Russisch, ik voelde me Frans.

‘En Nederlands! Toen ik begon met schrijven, ben ik de brieven van Vincent van Gogh gaan lezen. Hij schreef die brieven aan Theo en het was duidelijk niet zijn bedoeling ze ooit te publiceren. Maar het voelde alsof hij tegen me sprak. Doordat hij zo eerlijk was over zijn gevoelens, had ik het gevoel dat hij me zag.

‘Dat is mijn doel. Ik weet niet of ik erin slaag. Maar ik wil dat mensen zich gezien voelen, zoals ik me gezien voel wanneer ik boeken lees die ik bewonder.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.