Beste poëzie uit het noorden gebundeld

Voor het eerst wordt de beste poëzie in het Fries, Drents en Gronings gezamenlijk uitgebracht. Donderdag presenteert uitgeverij Kleine Uil drie poëziebundels, die zijn geschreven in een van de drie streektalen....

Van onze verslaggeefster Karin Sitalsing

Elke bundel bevat de honderd mooiste gedichten in de drie noordelijke streektalen. Gedrieën vormen ze een soort canon van poëtisch Noord-Nederland. Ze zijn voorzien van een Nederlandse vertaling, om ook de lezer ten zuiden van Meppel niet af te schrikken.

De Friese bundel steekt er kwalitatief bovenuit, zegt uitgever Peter ten Hoor. Maar het Fries heeft dan ook een veel langere literaire geschiedenis dan de twee andere streektalen – en dus heeft de taal ruimschoots de tijd gehad zich te ontwikkelen als ‘poëzietaal’.

Daar komt bij dat het Fries een heel andere status heeft dan het Drents en het Gronings, benadrukt Jan Glas, samensteller van de Groningse bundel: ‘Het Fries is erkend als tweede rijkstaal. Drents en Gronings worden meer als dialect gezien. Bovendien waren dat van oudsher ook talen om je voor te schamen.’ Ook heeft het Fries veel jongere sprekers dan de andere streektalen, zegt Glas. ‘De Drentse en Groningse dichters zijn ouder, hun gedichten traditioneler.’

Groningse gedichten gaan vaak over de streek en het landschap, merkte Glas bij het samenstellen. In veel werken is de natuur een metafoor voor het leven. Zo besluit Jelte Dijkstra zijn sonnet October:

En woar de sunnestroalen niet meer rekken,

Ien schaar de bloaden doalen stil als snei,

Dwoalt blauwe damp als

miemerij veurbij.

(En waar de zonnestralen niet meer reiken,

De blaren in de schaduw dalen stil als sneeuw,

Dwaalt blauwe damp als

mijmerij voorbij.)

Henk Nijkeuter stelde de Drentse bundel samen. Drenthe dicht pas sinds de komst van de Drentse Volksalmanak, in 1837. Eind jaren zeventig vond daar een ommekeer plaats, zegt hij. ‘Er kwam een nieuw literair tijdschrift, waarmee ook een nieuwe generatie opstond. Hans Heyting was één van die nieuwe dichters. Drentse poëzie was ineens niet langer een vorm van taalemancipatie, maar autonome literatuur.’ Die vernieuwing uit zich in een breuk met de romantische stijl die daarvoor gangbaar was. ‘Zo hoefden gedichten bijvoorbeeld niet meer altijd te rijmen.’ Uit De schoel giet oet (De school gaat uit) van Erik Harteveld:

Alles hef zien loop en is

bepaold

En wördt töt starvens toe

herhaold

Van einde töt begun:

Een kiend, een bal, een ho rizun

(Alles heeft zijn loop en is

bepaald

En wordt tot stervens toe

herhaald

Het eindigt net als het begon:

Een kind, een bal, een horizon)

Babs Gezelle Meerburg, een van de twee ‘Friese’ samenstelsters, verkeerde in een relatieve luxepositie. ‘Er zijn al Friese bloemlezingen, dus wij hoefden niet innovatief te zijn en konden puur kiezen voor wat ons aansprak. Dat waren vooral de modernere werken. Pas achteraf zie je dat veel gedichten over de Waddenzee gaan, en over moeders met kinderen. Dat zegt wel iets over de samenstellers, denk ik.’ Uit Oan him (aan hem) van Rixt, pseudoniem van Hendrika Akke van Dorssen (1887 – 1979):

Do bist wer’t skelle wjerl jochtflitsen ljochtsje,

De tonger droanjend rôlet oer de wrâld,

Yn ’t ivich sniekleed fan de hege bergen,

Yn ’t hillich swijen fan it

steatlikwâld

(Jij bent waar felle bliksem flitsen lichten,

De donder daverend zijn macht ontvouwt,

In ’t eeuwig sneeuwkleed van de hoge bergen,

In ’t heilig zwijgen van het statig woud.)

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden