Schrijvers in hun werkkamerBert Wagendorp

Bert Wagendorp: ‘Soms word ik overvallen door de vraag naar de zin van het leven. Het antwoord is die trap, gewoon in mijn kamer’

Schrijver Bert Wagendorp in zijn kamer in Culemborg.Beeld Ivo van der Bent

Hoewel de mens gemaakt is om te blijven waar hij is, doet hij dat zelden, schrijft Bert Wagendorp in de serie Reis door mijn kamer. Zelf is het verlangen om naar elders te trekken deze schrijver vreemd.

Op de vensterbank in mijn kamer staat een replica van een oude Franse globe, die ik heb gekregen van mijn dochter en haar vriend. Ernaast staat een model van een jacht waarmee je de wereldzeeën zou kunnen bevaren – afschuwelijk idee.

Ik ken mannen die niets liever doen dan met een zuidwester in de rug even een rondje rond de Britse Eilanden raggen. Het is hun droom de haven van New York of Buenos Aires te zien opdoemen achter de bezaan. Nergens, zeggen ze, word je je zo bewust van je eigen nietigheid als in een notendop op de oceaan. Nergens anders ervaar je zo de onmetelijkheid, de eeuwigheid, de onveranderlijkheid, de immense energie van de natuur – ja, de aanwezigheid van de Schepper.

Hou op, zeg ik, als ze zo beginnen, je maakt me doodsbang, ik zou overboord springen. Bovendien vind ik al die dingen in mijn kamer – op de Schepper na, misschien.

Een vriend maakte carrière bij een groot bedrijf, vond een briefje van zijn vrouw op tafel (‘Ik ben weg’), raakte in een burn-out, zegde zijn baan op, kocht een zeilboot en voer het zeegat uit, weg van alles, op naar de vrijheid. In alle havens die hij aandeed kwam hij zichzelf tegen: allemaal in de ratrace gesneuvelde eenzame mannen op zeilboten, in de kajuit achter een fles whisky. De vrijheid hadden ze niet gevonden, want de vrijheid is niet groot maar klein, een paar vierkante meter met een boekenkast, dat zijn de maten wel zo ongeveer.

Het scheepsmodel in de vensterbank is geen droom, maar een waarschuwing.

Ik schrijf een boek waarin mensen vanuit hun kamer in de Achterhoek (sober, maar wel gezellig) op reis gaan naar Wisconsin. Ik heb voortdurend de neiging ze vanachter mijn laptop toe te roepen: ‘Doe het niet! Blijf thuis! De zee is vol gevaar, het is 1847, die schepen zijn zo lek als een mandje, de kapitein is een alcoholist met zelfmoordneigingen, in New York wemelt het van de oplichters en dan moet je nog dat hele stuk naar het Midden-Westen, waar je wordt opgewacht door indianen en psychotische dominees – bovendien zit de Burgeroorlog eraan te komen en is Lake Michigan een kerkhof van scheepswrakken. Jullie zijn gedoemd!

‘Kijk om je heen, wat is er mis met die sobere maar gezellige kamer? Blijf!’

Maar ze gaan, en er zit niets anders op dan ze te volgen.

De mens is gemaakt om te blijven waar hij is, maar hij doet het zelden. Iets, meestal een dwaze illusie, drijft hem naar elders, naar gevaarlijke streken waar hem niets dan ellende wacht. Naar de foto’s uit de reisbijlage, leugenachtige beelden, bedoeld om je zo snel mogelijk van je vakantiegeld te beroven.

Ik ken dat verlangen niet. Ik ben zeer gehecht aan de kamer waarin ik dit schrijf, een kamer als een adelaarsnest, hoog boven de wereld, met uitzicht op de rivier en – daarachter in de verte – de stad. Als een eiland staat er een vleugel in die kamer, een zwarte Yamaha waarop mijn geliefde vaak speelt. Er hangt een groot tv-scherm aan de wand, waarmee ik de wereld binnenhaal en daarna weer buitensluit. Er staan voldoende boeken in de kast om nog drie pandemieën mee uit te zingen en anders is er nog een zolder vol.

Vanuit mijn vaste positie (halverwege de kamer, bij het raam, achter een zwarte tweedehands Gispentafel) kan ik rechts mijn verzameling oude Baedekers zien, getuigen van lang vergane reislust van mij onbekende rustelozen; ik blader graag even door London and Its Environs uit 1905 bijvoorbeeld. Dat kan er zelfs toe leiden dat ik mijn kamer wel even zou willen verlaten. Alleen niet om van plaats te veranderen, maar van tijd. Dat verlangen ken ik wel, al zullen tijdreizen vermoedelijk ook niet gelukkig maken.

In mijn kamer staat een eikenhouten trap, een kopie van de spiltrap die in de Utrechtse Nicolaaskerk naar het orgel leidt. Hij is in drie maanden tijd gebouwd door Jeroen Helsloot, wiens leven om trappen draait. Soms, godzijdank niet zo heel vaak, word ik overvallen door de vraag naar de zin van het leven. Het antwoord is die trap, gewoon in mijn kamer, dus daar hoef ik ook de deur niet voor uit: liefde, toewijding, schoonheid.

Je kunt er ook mee naar de bovenverdieping.

Ach, mijn kamer, wat een fijne plek is het toch. Er fietst een peloton wielrennertjes in een lang lint van het raam in de richting van de kast, ze zijn bijna bij de tinnen figuurtjes van Napoleon en zijn generaals. Hoog in de hoek staat een beeldje dat ooit van mijn oma was: de verleidelijke Salomé die Johannes de Doper de dood in danst. Ernaast een gele vrachtwagen van Dinky Toys met defect kiepsysteem, maar die is er al bijna zestig jaar, dus die moet altijd in de buurt blijven. Ik ben niet gehecht aan dure spullen, maar met sommige dingen zonder waarde wel sterk verbonden. Mijn kleuter-dna zit aan die wagen.

Tegenover mij, in oostelijke richting, ligt de ingebonden jaargang van Paris Match 1956, mijn geboortejaar. Mijn vriendin vond hem in een Parijs’ antiquariaat. Ik wil er nog een keer iets mee gaan doen, maar daarvoor moet je eerst weten wat, en tot die tijd blader ik er soms even doorheen, in de hoop dat me iets te binnen schiet. Er bevinden zich in mijn kamer veel ongerealiseerde plannen, en dat is prettig, het geeft de toekomst perspectief.

De honderd jaar oude Engelse boekenmolen bulkt van letters die wachten op consumptie. Geef er een slinger aan en het schuldgevoel komt op gang, dus dat doe ik niet te vaak. Er zijn te veel boeken. Binnenkort begin ik aan De jacobsladder en aan De zijderoutes. Je hoort de laatste tijd veel over de Chinezen en hun plannen, vandaar.

Soms stel ik me voor dat deze kamer zich als een luchtschip verheft en zich nestelt op een plek naar keuze. Zodat ik opeens uitkijk op de Rue de Grenelle in Parijs. Of op de Chemin des Prés in Caromb, met de contouren van de Ventoux in het raam.

Thuis in een andere wereld.

Koop dan een caravan, Wagendorp.

Nee, dat nooit.

Bert Wagendorp (1956) is columnist van de Volkskrant en schrijver van onder meer Ventoux (2013), Masser Brock (2017) en Ferrara (2019). 

Als iemand weet hoe het is om de hele dag thuis te zitten, zijn het schrijvers wel. In deze serie nemen ze ons mee op hun (geestelijke) omzwervingen door de werkkamer, zoals Xavier de Maistre dat deed in 1794 in het boek Reis door mijn kamer. Paul Scheffer, Lieke Marsman, Nicolien Mizee , Arnon Grunberg en Katinka Polderman gingen Bert Wagendorp voor. Boekenchef Wilma de Rek trapte de serie af: ’Ons lijf kunnen ze opsluiten, onze geest niet.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden