Beroemd, berucht en uitgespuwd

TOEN DE GROTE essayist en literatuurhistoricus Holbrook Jackson - ook schrijver van het meest curieuze boek over boeken en lezers, The Anatomy of Bibliomania - in 1913 zijn klassiek geworden The Eighteen Nineties publiceerde, vroeg Shaw hem: 'Gebeurden al deze dingen echt of heeft u ze uitgevonden?' Zelden zal een...

KEES FENS

Aubrey Beardsley werd in 1892, hij was toen 20 jaar, als tekenaar bij het publiek bekend. Hij verbeeldde de geest van het decadente tijdperk in ontelbare illustraties. Het in 1894 verschenen eerste nummer van The Yellow Book maakte hem beroemd en berucht. Niet de teksten erin, maar zijn omslag en tekeningen erin riepen bijval en verontwaardiging op. Hij wérd The Yellow Book. Bij het Wilde-proces werd de verderfelijke geest van de tijd als belichaamd in zijn vele figuren gezien. Schrijvers wilden niet meer met zijn werk geïdentificeerd worden. Hij kreeg zijn ontslag bij The Yellow Book, waarmee de uitgever ervan afstand van zijn werk nam. Zijn zwarte bloeiperiode had drie jaar geduurd. De 'Nineties', - dat was

Beardsley. Drie jaar dus. Hij sterft in maart 1898, 25 jaar oud. Ook de door hem geschapen tijd is dan voorbij. Oscar Wilde schreef bij zijn dood dat hij stierf 'op de leeftijd van een bloem', een opmerking die Beardley's biograaf meer dichterlijke waarheid dan botanische nauwkeurigheid toekent.

In de uiterst korte tijd heeft Beardsley ontzagwekkend veel getekend. En hij moest nog vaak zijn werk onderbreken: hij leed aan tuberculose. Zijn tekeningen verraden een zeer grote lust in het tekenen. Hij is de meester van het zwart-wit van een elementaire tekening, door de Japanse prentkunst geïnspireerd, en van de overvolle zeer verfijnde tekening, waarin talrijke invloeden uit verschillende tijdperken tot een eigen stijl zijn verwerkt. In zijn vroegste jaren wilde hij musicus worden - de hartstocht voor de muziek en dan vooral voor het werk van Wagner heeft hij altijd gehouden - later schrijver, maar hij werd ten slotte tekenaar, hoewel hij is blijven schrijven en - heel typerend - het belangrijkste deel van zijn werk is illustratie van literaire werken. Misschien wel het beroemdst zijn zijn illustraties bij Salomé van Oscar Wilde geworden. Ze zijn de glorie van de perversie en van de ironie; in de obsceniteit werd door de tijdgenoten de spot zelden onderkend. Hij was in feite op een superieure wijze gemeen, ook ten opzichte van de tekst die hij illustreerde. Hij las of voelde onder het oppervlak en wat daar broeide verbeeldde hij, op vaak schitterend symbolische wijze. Op zijn sterfbed vroeg hij schriftelijk aan zijn uitgever en nog enkele anderen zijn 'obscene' tekeningen te vernietigen. Hij was, als veel decadenten, katholiek geworden. Zijn kamer hing vol crucifixen en beelden, volgens een tijdgenoot. Zijn laatste karikatuur.

O NVERGELIJKELIJK ALS ZIJN tekeningen (waaraan we door het grote aantal navolgers dat hij kende, misschien te veel gewend zijn geraakt om de ongewoonheid ervan nog te kunnen zien) was zijn uiterlijk. De genoemde Beerbohm verklaarde nooit een magerder iemand te hebben gezien. 'Een bezemsteel', zei een ander. Zijn beroemdste portret is de foto die zijn boekhandelaar en stimulator Frederick H. Evans van hem maakte: het is en profile, een heel scherp gesneden mager gezicht en langs de hele wang strekt zich de smalste en langste hand uit die ik ooit heb gezien. Die handen moeten aan hem het opvallendst zijn geweest. Beerbohm maakte een karikatuur van hem. De handen hangen als vingerdoeken naar beneden. Voor de foto heeft hij duidelijk geposeerd. Pose werd hem al gauw niet vreemd, tot in zijn taal toe. Hij speelde de dandy, ook in zijn ongewone kleding. Hij droeg zijn haar met een soort kinderpony. Foto's verraden zijn grote, donkere ogen in het magere bleke gezicht. Hij was al verteerd voor hij aan zijn korte carrière begon, teruggebracht tot een zwart-wit tekening van zichzelf.

Zijn grote werkkracht was ook gevolg van zijn financiële situatie. Beardsley's vader, die zich bij zijn huwelijk 'gentleman' noemde, wat betekende dat hij niet hoefde te werken voor zijn inkomen, was al vrij gauw gentleman af. Hij bestond trouwens het grootste deel van Beardsley's leven niet. Hij is een schaduwfiguur. Beardsley had een ouder zusje, Mabel, met wie zijn band zeer hecht was; ze hadden samen lang een geïsoleerd leven geleid. Maar ze hadden ook allebei een sterke verbeelding - wellicht van die isolatie het gevolg - en een grote ontvankelijkheid voor kunst. Die moeten ze van hun moeder hebben geërfd. De goede stand, waaruit de familie afkomstig was, was slechts in schijn op te houden. Men was van anderen afhankelijk. Op school ontdekt

Beardsley zijn vermogen de aandacht te trekken van anderen met zijn muzikale en literaire gaven en met zijn - overigens nog heel onhandige - tekeningen. Dat vermogen is hij zijn hele leven blijven cultiveren. Men kan ook zeggen dat hij zijn hele leven de briljante scholier is gebleven, zoekend naar meesters voor goedkeuring en lof. De leraren werden later de in zijn tijd bekende schilders en schrijvers. Onder hen vooral de schilders Burne-Jones en Whistler.

Het verhaal van het bezoek van Beardsley samen met zijn zusje aan de eerste is zonder meer schitterend. Hij heeft een map met tekeningen bij zich. Na aan de deur te zijn geweigerd door een bediende, worden ze door de schilder zelf (aan wie het ongewoon mooie meisje moet zijn opgevallen) teruggeroepen. Zij krijgen zijn werk te zien en hij Beardsley's tekenwerk. Hij wordt - de eerste droom die in vervulling gaat - ontdekt. De schilder zal hem blijven aanmoedigen, totdat de leerling te zeer zijn eigen weg gaat.

Beardsley heeft vele mentoren gehad. Zijn vaardigheid verblufte bijna iedereen - alleen Morris niet, maar die zag wellicht te veel van zichzelf in de tekeningen terug - zijn charme nam iedereen voor hem in. Onder de schrijvers blijft de grote afzijdige Oscar Wilde, die hem dan wel bloemrijk zag sterven, maar voor het werk bijna alleen spottende woorden over had. De twee hadden een vriendschapsband van prikkeldraad.

Het verhaal over het bezoek aan Burne-Jones staat in Aubrey Beardley, A Biography van Matthew Sturgis. Het boek verscheen bij gelegenheid van Beardsley's honderdste sterfdag. De biografie laat zich in tweeën delen: het eerste handelt over de eerste twintig jaar en dat is de periode van ontwikkeling en opkomst; het tweede over de laatste vijf; Beardsley is dan een beroemd tekenaar en illustrator. Het eerste deel is verreweg het boeiendst en ik denk vooral hierdoor: je ziet een jongeman van kunstbezetene tot kunstenaar worden. Zelden zal een jongen zo vroeg zo veel gelezen, gezien, gehoord en verwerkt hebben, waarbij het wonderlijke is dat hij allerminst uit een artistiek bevlogen milieu kwam. Al vroeg wordt ook Beardley's eclectisme zichtbaar: hij haalt zijn voorkeuren uit verleden en heden. Er zijn wel lijnen te trekken tussen zijn grote liefde voor Mantegna - reproducties van diens werk hingen in de kamer waarin hij zou sterven - en zijn bewondering voor de prerafaëlieten. Hij was ook een heel groot bewonderaar van Botticelli - invloeden van diens werk zullen later in zijn tekeningen terugkomen. In die historische voorkeuren was hij in zijn tijd niet uniek. Burne-Jones had de invloed van Botticelli en de prerafaëlieten moeten verwerken voor hij tot zijn symbolistische werk kwam. Misschien was Beardsley vooral geniaal in het zich toeëigenen van stijlen van anderen.

Beardsley's grote muzikale voorkeur wordt al gauw Wagner; diens Tannhäuser zal hem in zijn teken- en in zijn literaire werk intens bezighouden. Verwonderlijk is die voorkeur niet; zeker het symbolisch karakter en de mythische trekken moeten hem hebben aangesproken. Als tekenaar was hij zelf ook een heel groot symbolist. En de grote 'oerverhalen' inspireerden hem tot zijn beste tekeningen, waarin de figuren tot (al of niet seksueel) symbolische gestalten uitgroeien.

Al heel vroeg, zij het ook heel dun, wordt een religieuze lijn zichtbaar. Beardsley was, ook onder invloed van zijn moeder, al vroeg in religie geïnteresseerd; contacten met kunstlievende Anglicaanse geestelijken verdiepten die belangstelling, die overigens bij die voor uiterlijkheden blijft. Zijn bekering aan het einde van zijn leven tot het katholicisme is minder plotseling dan het lijkt, hoewel de overgave aan de middelmaat en zelfs de lelijkheid van de praktijk, ook in geschriften (hij bewondert huiveringwekkend slechte heiligenlevens) raadselachtig blijft.

Beardsley's echte carrière begint bij het verschijnen van het eerste nummer van The Yellow Book. De hele ontstaansgeschiedenis en vooral Beardsley's betrokkenheid daarbij worden uitvoerig beschreven. Men krijgt een heel goed beeld van het ontstaan van een nieuwe beweging en de concentratie van gelijke geesten die dat meebrengt. Het publieke leven van Beardsley begint. Hij leert alle belangrijke tijdgenoten kennen; dat levert vaak mooie dubbelportretten op: Beardsley geconfontreerd met Wilde - werkelijk uitstekend, hoewel een beetje partijdig - met Whistler, met Beerbohm, met de toneelspeelster Mrs. Patrick Campbell, met Rothenstein en vele anderen. De persoonlijke geschiedenis wordt ook een vaak voortreffelijke geschiedenis van de nineties.

H ET TWEEDE DEEL is bewonderenswaardig van volledigheid, maar minder boeiend. Beardsley's naam is gemaakt, hij blijft ook op dezelfde wijze choqueren. Zijn leven lijkt alleen te bestaan uit tekenen en ziek zijn. Ontwikkelingen lijkt zijn werk technisch niet of nauwelijks meer te vertonen. Zijn werkkracht blijft ongelooflijk groot. Misschien is dit het meest treffend: men ziet hem werk maken, ook posters, dat in latere tijd, tot in de modetekeningen toe, geïmiteerd zal worden. De man wiens stijl nauwelijks te omschrijven is - zijn biograaf onderscheidt vier soorten stijlen en soms zijn er meer dan twee in één tekening aanwezig - schept een stijl voor de toekomst. En die zal dan voor modern of uitdrukking van een modern levensgevoel worden gehouden. Maar dan is perversie al lang versiering geworden. De duivel wordt etaleur. Het scherpzinnigste oordeel blijft dat van Holbrook Jackson aan het slot van zijn hoofdstuk over Beardsley in zijn The Nineties: 'Hij mislukte als illustrator omdat zijn kunst decoratie in het abstracte was; zij ontbeerde het ritme van verwantschap, zoals hij zelf duidelijk verwantschap miste met de decennia die hem voorafgingen en na hem kwamen. Hij is begraven in zijn tijd zoals zijn eigen tekening opgenomen is binnen de eigen sterke lijnen ervan. Maar het belangrijke ding is Beardsley als een feit, niet Beardsley als een kunstenaar. Het doet er niet toe hoe en waar hij in de kunst staat, want hij vertegenwoordigt niet zo zeer kunst als zodanig als wel een idee, niet zo zeer een vaardigheid als wel een geest. De rusteloze, onderzoekende, schaamteloze geest van de jaren negentig riep hem te voorschijn en hij gehoorzaamde, diende en boette.'

A L DIE opdrachten, al die tekeningen, - ze volgen elkaar op in een lange lijst die dat tweede deel is. De opkomende Beardsley blijkt veel boeiender dan de gevestigde. Alleen aan mededogen met die voortdurende bloedspuwende jongeman - hij spuwt zijn leven uit - ontkomt de lezer niet. Interessant blijft de band met zijn zusje en zijn moeder en het delen van die twee in het werk en het succes van broer en zoon. De twee worden ook in de artistieke kringen opgenomen. En Mabel wordt daar, niet alleen om haar geest, maar ook om haar uiterlijk, zeer bewonderd. (Een dubbelportret van broer en zus is het schitterende Aubreu and the Dying Lady, dat Malcolm Easton is in 1972 publiceerde. De aanduiding van het zusje is ontleend aan de gedichtencyclus Upon a Dying Lady, die Yeats in memoriam Mabel Beardsley schreef).

Dit is het allermooiste verhaal. Toen Wilde op 5 april 1895 vanuit het Cadogan Hotel werd opgebracht, had hij snel het boek meegenomen dat hij aan het lezen was: Aphrodite van Pierre Loués. Het had, als alle Franse romans, een gele omslag. Maar die kleur betekende voor de Engelse ogen maar één publicatie. En zo kwam in de krant dat Wilde was gearresteerd met The Yellow Book in zijn handen en dat werd in de pers voortdurend herhaald. De relatie tussen Wilde, Beardsley en The Yellow Book stond definitief vast en het morele oordeel over alle drie ook. Geel werd de Engelse kleur voor rose en daarmee voor het verval der zeden. Beardsley is in Wilde's proces niet genoemd, maar zwijgend werd ook hij veroordeeld.

Op de binnenkant van het omslag van de biografie staat een foto van de auteur. Hij poseert duidelijk als Beardsley: de hand langs zijn ook smalle gezicht. En hij kijkt ons wanhopiger aan dan de geslaagdheid van zijn biografie rechtvaardigt.

Matthew Sturgis, Aubrey Beardsley, A Biography; HarperCollins; Londen, * 77.55.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden