Berichten uit het tussenhuisje - een voorpublicatie van Henk van Straten

Hij was 25, zij 29 en ze hadden een bruine hond en twee jongens. Hadden. Totdat Henk zijn brief op tafel legde.

Beeld Marie Wanders

Hoe te beginnen? Met de dood van mijn hond, misschien. Onze hond. Cuba, een bullmastiff. Het is nu, als ik dit schrijf, drie jaar geleden dat ze stierf. (Ze had wat weg van een uitgedrukte sigaar: een zwarte snuit op een bruin lijf, vandaar de naam.) Ze stierf een paar dagen nadat ik mijn vrouw had verlaten. Adding insult to injury, zo noemen ze dat in het Engels.

Ik had een brief van vijf kantjes geschreven, waarover ik dagen had gedaan. Ik werkte eraan op momenten dat ik alleen was, met een aambeeld in mijn buik.

Toen mijn vrouw aan het werk was en de kinderen naar school waren, legde ik hem op tafel en verliet het huis. Ik dwaalde door de stad en wachtte tot ze zou bellen, of niet zou bellen, of een berichtje zou sturen. Het werd dat laatste. 'Kom maar naar huis,' stond er. 'We zullen erover moeten praten.'

Haar kalmte was eerder het gevolg van ongeloof dan van acceptatie en berusting. De uitbarsting kwam later. Ze nam onze zoons mee en ging naar haar ouders. Dat weekend was ik alleen in ons huis. Het huis dat nu van mij is. Waarin ik deze woorden zit te typen. Het was die zaterdag - of zondag? - dat Cuba stierf.

Ik weet nog dat mijn ex en ik haar als pup gingen ophalen, in Limburg, nog voor de geboorte van onze twee zoons. Het was net nadat we waren getrouwd en ons huis hadden gekocht. Twaalf, dertien jaar geleden. Ik weet nog hoe Cuba het me onmogelijk maakte om de woekerende klimplant uit te graven. Ik zat gehurkt met een metalen schepje in de achtertuin terwijl zij steeds tegen me aan sprong. Het was een ander leven. Ik rookte nog. Mijn vrouw en ik werkten nog in de horeca. Zij was 29, ik 25. Mijn schrijverschap zou pas een jaar of vier later gestalte krijgen. Er is een foto van mijn ex en Cuba die ik steeds weer tegenkom of hij staat gewoon heel duidelijk op mijn netvlies, dat kan ook. (Dit bedenk ik nu, want ik heb eigenlijk geen idee waar die foto ligt.) Mijn ex zit in de zon, tegen de achterdeur aan, met die kleine Cuba in haar armen. Ik moet de foto hebben gemaakt. Ik stond daar in de achtertuin van ons nieuwe huis en maakte een foto van mijn jonge vrouw en van onze jonge hond. Die foto blijft hetzelfde, alleen ben nu ik het, deze Henk, die door de lens kijkt.

Een ander leven en toch heb ik het gevoel dat het nog ergens geleefd wordt en dat ik er zo weer in kan stappen. Er zijn momenten waarop ik besef dat dit niet kan, dat het leven van toen wel degelijk buiten bereik is komen te liggen; momenten waarop mijn hart zich vult met een gevoel van onrecht, alsof me een loer is gedraaid.

We trouwden in 2005. Ik had mijn vrouw een aanzoek gedaan in een bijna lege kroeg, van kennissen. Ik was 25 en we hadden twee jaar verkering. Het was Oud en Nieuw, 2004 op 2005, en ik droeg een trainingsjack van het merk Troop. Dat was ironisch bedoeld, natuurlijk, dat trainingsjack; het had de kleuren van de Amerikaanse vlag en een grote bald American eagle sierde de rug. Ook had ik sinds lang weer eens cocaïne gesnoven en had ik een speelgoedshotgun bij me, uit België, dat haast niet van echt te onderscheiden was. Ik stond dus strak van de coke in een Troop-trainingsjack met een shotgun te zwaaien. De avond had heel anders kunnen eindigen.

De volgende ochtend, brak in bed, dwong mijn ex me om het nog eens te vragen, dit keer nuchter. Wilde ik het echt?

Ja, ik wilde het echt.

Toen we die nacht naar huis liepen, naar het studentenhuis waar mijn ex een kamer had en waar we sinds een tijdje samenwoonden, had ik mijn vader gebeld. Inmiddels was het vroege ochtend. Ik was uitgeput, natuurlijk, en de coke was uitgewerkt, waardoor de eerste symptomen van emotionele instabiliteit hun intrede deden. Juist daardoor was ik pijnlijk eerlijk. Nadat ik het nieuws had gedeeld, zei ik iets wat ik me tot op dat moment nog helemaal niet had gerealiseerd. Ik zei dat ik een thuis had gevonden, dat ik eindelijk echt bij iemand hoorde.

Het tussenhuisje was klein en smal. Op de begane grond waren alleen een trap en een wc. Op de eerste verdieping een huiskamer, een keukentje en een badkamer. Op de tweede verdieping één slaapkamer en een soort overloop. Op die overloop legde ik twee matrasjes neer, voor de jongens. De muren waren behangen met van dat spul met reliëf, zoals bejaarden vaak hebben. Er lag tapijt en er hingen vitrages. Er kon elk moment een oude man binnenkomen die me op mijn muffe bank (5 euro op Marktplaats) zou aantreffen en tegen me zou zeggen: 'Wat doe jij in mijn huis?!' Of op een meer vaderlijke toon: 'Ik struikelde net over je skateboard! Waarom ruim jij je eigen troep nooit op?'

De inboedel kocht ik bij de Action en bij kringloopwinkels. Rieten stoelen. Het zag er niet uit.

Het was zo'n rare smalle woning omdat het vroeger bij een gewoon huis had gehoord, namelijk het huis naast dat van Pieter en Rien, maar de toenmalige eigenaar pleegde zelfmoord; hij zette het gas aan en stak een lucifer af. Pieter en Rien, die er al eeuwen woonden, kwamen met de gemeente tot een overeenkomst: ze kochten het huis voor weinig geld, knapten het op en gebruikten de helft ervan om hun eigen huis groter te maken. De andere helft konden ze verhuren.

Natuurlijk stak de gedachte af en toe de kop op: zal ook ik hier te zijner tijd het gas aanzetten en een lucifer afsteken? Het was geen voornemen en zelfs geen echte vrees, gewoon een scenario tussen vele andere.

Kort nadat ik er was ingetrokken, ontmoette ik Rien. Ik belde aan na het boodschappen doen. Het miezerde en het was koud. Ik kwam vragen of er schot zat in de reparatie van de radiatoren, waarvan slechts de helft het deed. Ik wilde de jongens niet in de kou hoeven leggen.

Rien was een kleine, gezette vrouw met sterk uitgedund, zilveren haar, en ik had al snel door dat ze praatte met omwegen en tegenstrijdige signalen. In haar licht loensende ogen zag ik een zekere mate van paniek. Het verhuurbedrijf dat voor ons had bemiddeld, zo vertelde ze me zonder aanleiding, had niks gezegd over een huurder met twee kinderen. 'Anders ha'k wel in het contract laten opnemen da'k er gin kinderen bij wil hebbe.' En toen: 'Mar 't is goed hoor. Ik ben allang blij dah ge die jongens nie in de steek laat, want die mannen hedde er ôk tusse, mar ik zeg tegen ons Pieter, ik zeg, dalijk haaltie ook nog een hond of een kat in huis! Want dah staat wel in het contract hè! Gin honden en gin katten!'

Ik voelde de woede opwellen. Ook al vermoedde ik dat het echtpaar me juridisch niets kon maken, ik wilde niet horen dat mijn jongens niet gewenst waren. Ze moeten zich gewenst voelen, altijd. 'Ik neem geen hond', zei ik. 'En ik neem geen kat. Maar die jongens, die zijn er.'

'Natuurlijk!' zei ze. 'Tis goed hoor. Ik zeg alleen, we wonen wel vlak onder jullie hè, we kunne ze hore renne en doen en alles, en dah gaat best hard.'

'Het zijn jonge jongens', zei ik. 'Die rennen nu eenmaal.'

'Tuurlijk!', zei Rien. 'Dah moet, dah begrijp ik heul goed, mar ik zeg tegen onze Pieter, ik zeg...'

Waarna ze dezelfde zorgen en bezwaren opdiste. Het laatste wat ik mezelf hoorde zeggen voordat ik me eindelijk van haar had weten los te maken was: 'Geen hond! Geen kat! Wel mijn zoons!'

Eenmaal boven, de boodschappen opgeruimd, was ik nog steeds boos. Ik vocht tegen zelfmedelijden; goed, de inrichting was wat rommelig, maar ik had een fijne en veilige plek voor mijn zoons gemaakt en nu kreeg ik te horen dat ze eigenlijk niet welkom waren.

De volgende middag haalde ik de jongens van school. Voordat we ons huisje in gingen, belde ik aan bij Rien en Pieter.

'Hallo', zei mijn oudste enthousiast. 'Ik ben Diek.' Hij stak zijn hand uit, mijn hart brak. Mijn jongste deed aarzelend hetzelfde.

Rien smolt. Helaas kon ze zichzelf ook nu niet beheersen. 'Diek', zei ze. 'Wah een vrimde naam.'

Waarop ik met een glimlach zei: 'Nee hoor, helemaal geen vreemde naam.'

Later die dag, toen de knokige en reumatische Pieter naar de radiatoren kwam kijken, viel zijn blik op mijn met merkstift bekladde eettafel. 'Zo', zei hij. 'Die twee jongens van jou hebbe z'n eige goed misdrage.'

'Ze mochten dat van me doen', zei ik trots.

Hij keek me ongelovig aan, alsof ik niet goed snik was, alsof hij met een volslagen idiote huurder was opgezadeld.

Toen hij was vertrokken, speelden mijn zoons verstoppertje, druk en wild. 'Niet zo hard stampen,' zei ik. 'Denk aan de buren.'

Zodra ik het had gezegd had ik er spijt van.

Ik verwachtte aldoor dat er iemand zou aanbellen en me op mijn smoel zou slaan. Ik verwachtte het in de stad of op straat. Dat iemand me zou aantikken en als ik me dan naar diegene zou omdraaien ik een klap zou krijgen. Ik had geen idee wie diegene zou moeten zijn. Wel voelde ik zijn woede en verontwaardiging. Zijn walging, zelfs.

Mijn zoons speelden soms het spelletje met me waarbij je niet met je ogen mag knipperen als de ander vlak voor je gezicht in zijn handen klapt. Als je knippert ben je bang voor je moeder, of je hebt een slecht geweten. Ik knipperde altijd en altijd had ik in die seconde met gesloten ogen een dwanggedachte: dat mijn tanden met een hamer zouden worden ingeslagen.

Ik droomde soms van een huisje in het bos. Niemand die wist waar ik was. Ik kon ontspannen. Maar zie, er stapte plots iemand achter een boom vandaan. Woedend. Hij had me gevonden. Dacht ik nou echt dat ik ermee weg zou komen?

Hoeveel tijd ging er overheen, na de brief, voordat ik Tinder installeerde? Een week? Minder, waarschijnlijk. Een paar dagen.

Natuurlijk hoorde ik in de diepte van mijn binnenste een stemmetje galmen: kun je niet op z'n minst een week wachten? Heb je dan geen enkel fatsoen?

Henk van Straten is auteur van onder meer de romans Bidden en vallen en We zeggen hier niet halfbroer. Dit is een voorpublicatie uit zijn nieuwe boek Berichten uit het tussenhuisje, dat op 27 maart verschijnt bij Nijgh & Van Ditmar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden