BERICHTEN UIT DE TUSSENTIJD

In Frankfurt is een tentoonstelling gewijd aan de jeugd van tegenwoordig. Is jeugd te vangen in kunst? En wil de jeugd zelf dan wel naar die kunst kijken?...

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Het is een open deur, een natuurwet gehouwen uit het hardste marmer, waar geen mens aan twijfelt. De politiek wil de jeugd, de commercie wil de jeugd, ieder mens boven de achttien wil de jeugd en ook de kunst wil de jeugd.

Wie een jongere over de drempel van het museum weet te slepen, krijgt een bonus. Wie jeugd afbeeldt, krijgt aandacht. Alleen al het aantal fotografen (zeker niet alleen modefotografen) dat de afgelopen jaren vooral adolescenten afbeeldde, is niet meer te tellen.

In de Schirn Kunsthalle in Frankfurt opende vorige week de grote tentoonstelling Die Jugend von Heute - een thema dat menig Nederlands museum waarschijnlijk wenste zelf bedacht te hebben. Daar heeft het idee postgevat dat je een bevolkingsgroep naar binnen kunt krijgen door tentoonstellingen te maken die over henzelf gaan - zie de recente voorstellen aan Medy van der Laan waarmee musea meer allochtone bezoekers hopen te trekken. 'De jeugd' is minstens zo gewild.

Ruim vijftig kunstenaars werden in Frankfurt door museumconservator Matthias Ulrich uitgenodigd met werk dat gaat over jeugd en jeugdcultuur van nu. Het museum stelt dat sinds het einde van de jaren zestig jeugdcultuur geleidelijk aan onze cultuur is geworden. Muziek, kleding, werk, vermaak, uiterlijk, spraakgebruik, omgangsvormen - ze ontstaan op het schoolplein van de middelbare school en worden overgenomen door twintigers, dertigers en inmiddels ook veertigers. Nog even en je kunt - je moet - van de brugklas tot na je pensioen jeugdig proberen te zijn.

Jeugd moet. Niet alleen maakt ze in een razend tempo nieuwe stijlen en subcultuurtjes die door ouderen overgenomen worden, ze eigent zich ook de bestaande toe. Auteur Jens Hoffmann beschrijft in de catalogus van Die Jugend von Heute de verandering van betekenis van een figuur als Che Guevara. In de jaren zeventig was de boodschap van een T-shirt met 'Che' erop nog dat de drager de Amerikaanse politiek afwees. Van anti-kapitalistisch icoon veranderde hij echter in een symbool van de popcultuur, dat eindeloos gereproduceerd werd op T-shirts, posters, stickers en bekers. 'Che' werd van de jeugd, en verloor zijn betekenis.

In de tentoonstelling is niet geprobeerd om de verschillende subculturen in kaart te brengen, want dat zou bij de opening alweer verouderd zijn. Men geeft - onderverdeeld in de vijf hoofdonderwerpen 'Politiek', 'Existentie/Zijn', 'Lichaam/Seks', 'Muziek/Club' en 'Stad/Ruimte' - een beeld van de jeugd van tegenwoordig, van het begin van de 21ste eeuw. Die indeling kan vrijwel meteen overboord gegooid worden want, zo blijkt al snel, de club hoort bij seks, de muziek hoort bij de existentie, 'zijn' hoort bij de stad en alle combinaties daarvan zijn mogelijk.

Het onderwerp is interessant en vooral lékker. De jeugd die hier te zien is, is namelijk echte jeugd, van onder de twintig. Het haar is van zijde, de lippen zijn vol, de huid glanst zonder hulpmiddelen. In de video Casting (2000) van João Onofre komt uit een groep Portugese jongeren één voor één iemand naar voren om de slotzin uit te spreken uit de film Stromboli (1950) van Roberto Rossellini: 'Che io abbia la forza, la convinzione e il coraggio.'

Voor dat klusje zijn ze dubbel gehandicapt: het zijn advertentie-fotomodellen die ineens moeten acteren, en nog in een vreemde taal ook. Het ene zinnetje is steeds een kleine explosie waarmee alle onzekerheid eruit wordt geperst. Maar ondanks dat ze misschien nog zoeken naar 'kracht, overtuiging en moed', één ding hebben ze in ieder geval wel: jeugd en schoonheid. Dat maakt ze onaantastbaar. Superieur.

Behalve schoonheid heeft nog een aspect van de jeugd de specifieke aandacht van de kunstenaars: Weltschmerz, Het Lijden, allesverterend tienerverdriet en melodrama. Kleine pentekeningen van Esther Harris (1976) spreken boekdelen over de onhandigheid van het uitbottende lichaam, de twijfel over wie te zijn of te willen worden. Het eeuwige Bob Dylan-gevoel: 'How does it feel/ to be on your own/ like a complete unknown/ like a rolling stone.' Haar muurbloempjes zijn er expert in.

Dat vermogen heeft sinds het einde van de jaren negentig in de gothic-stijl een uitstekende vorm gevonden en veel kunstenaars maken daar dankbaar gebruik van. Bijvoorbeeld Iris van Dongen (1975). Haar manshoge tekeningen druipen van de zwarte symboliek: zo staat op She's the night (2005) een bleek, wederom beeldschoon meisje in een bos waarin het gebladerte de vorm van een schedel aanneemt en ook uit de achtergrond schedels op staken opdoemen. Het is een zware, Weense fin-de-siècle esthetiek die weer helemaal terug is - de momenteel geopende tentoonstelling Dark in het museum Boijmans Van Beuningen is helemaal aan deze 'eigentijdse geesteshouding' gewijd.

Weet Iris van Dongen haar lijdende jonge vrouwen nog geloofwaardig neer te zetten, Rachel Howe (1979) maakt potloodtekeningen van gothic-jongeren die zo pathetisch zijn dat ze je in de lach doen schieten. Die jongen in dat Joy Division T-shirt met zijn zwartgemaakte ogen, touw om de nek, pistool in de hand en de bloederige tattoo 'to live is to die' op zijn arm - speelt die niet gewoon in een heel slecht middelbare-schooltoneelstuk?

En eenmaal in die stemming geraakt, zie je heel duidelijk dat hier niet de jeugd van tegenwoordig spreekt, maar dat er óver de jeugd van tegenwoordig wordt gesproken. De jongeren worden als een soort vreemd natuurverschijnsel in beeld gebracht, de kunstenaar is een amateur-antropoloog. Of dat nu gebeurt in manga-tekeningen van Rita Ackermann (1968) uit 1993, waarin meisjes wulps foezelen, afspraakjes maken, roken en bellen (met een vaste telefoon!), of in de graffiti-schilderijen uit 2003 van Lea Asja Pagenkemper (1976), die geen graffiti zijn, maar over graffiti gaan.

Deels is dat de Schirn Kunsthalle te verwijten. De door hen gekozen kunstenaars zijn met een paar uitzonderingen allemaal dertigers en veertigers. De Canadees/Berlijnse hippie-kunstenares Laura Kikauka (43), die een kamer heeft volgestouwd met een hallucinerende hoeveelheid bric-à-brac, zegt zelf ook niet te begrijpen waarom ze gevraagd is. Haar kunst- en levensstijl zijn al twintig jaar hetzelfde, maar duidelijk niet meer 'van tegenwoordig'.

Ook Alex Morrison (34), die in het museum bezig is wandtekeningen te maken, vindt de keuze van het museum vreemd. Hij werd gevraagd een vijf jaar oude video (Homewrecker) te tonen, waarin hij van het verlaten appartement van een vriend een skatebaan heeft gemaakt. Hij stuurt zijn board langs het aanrecht, springt op de vensterbanken, maakt met behulp van een plank een schans, valt keer op keer van een kastje af. De video gaat over het gebruik van ruimte, 'dat hadden ze kunnen weten als ze mij ernaar gevraagd hadden', zegt hij schouderophalend. 'Maar ik ben gevraagd omdat ze iets met skaters' willen doen.'

Niet alleen had je de kunstenaars in leeftijd graag wat dichter bij hun onderwerp gezien, de kunstwerken ook. De meeste werken zijn van rond het jaar 2000, en dat maakt het een vreemd gedateerde show. Het gaat niet over tegenwoordig, maar ook niet over de jeugd in het algemeen. De organisatoren lijken niet zo bij de tijd als ze beweren dat er geen generatiekloof meer is en dat er niets meer te strijden valt - wie de recente rellen in Parijs heeft gezien en op de gemiddelde leeftijd van de betogers heeft gelet, weet wel beter.

Maar het grootste probleem ligt niet in de leeftijd van de werken, noch van de kunstenaars - dat ligt in het onderwerp zelf. Na het doorlopen van de zalen heb je niet het idee echt veel meer te weten te zijn gekomen over de 'jeugd van tegenwoordig', omdat die nu eenmaal niet te kennen valt. Het is een hopeloze onderneming.

Bioloog Midas Dekkers beschrijft in zijn boek De Larf (2002) heel duidelijk wat er met kinderen gebeurt die tieners worden. Ze groeien niet, ze verpoppen. Ze komen in een toestand die voor de buitenstaanders, hun ouders voorop, niet te begrijpen is. Biologisch en geestelijk veranderen ze in korte tijd in totaal andere wezens. Beplakken hun kamers tot een licht- en luchtdichte cocon en komen er jaren later uit - als mens, dat staat vast, maar ze weten nog niet als wat voor mens.

De enigen die toegang hebben tot die cocon, zijn andere tieners. Het is, biologisch gezien, een heel erg intensief solitair groepsproces, waarin optimale verwarring heerst. 'Het is een toestand waarin je je ergste vijand niet zou wensen' zegt Dekkers. Wat twintigers, dertigers en veertigers overnemen uit die tijd zijn niet meer dan restjes, relieken uit de verpoppingstijd. Voor geen goud zouden ze weer echt een tiener wilen zijn.

Aangezien er geen kunstenaars van zestien zijn die direct uit die cocon kunnen berichten, moeten anderen dat voor ze doen. In Frankfurt zijn er maar een paar kunstenaars die daar echt in slagen. Ryan McGinley (1977), een Newyorkse fotograaf, is in de tentoonstelling vertegenwoordigd met een paar uitvergrote snapshots meer. Je ziet jonge, naakte mensen die hun ding doen - ze springen in de golven, gaan samen onder de douche, één zit er naakt, met wapperend haar in de laadbak van een auto. Het zijn kiekjes zoals Larry Clark ze ooit maakte - berichten uit de tussentijd, die eindeloos lang duurt. Die kun je alleen van je vrienden maken als je dicht genoeg bij ze staat.

Maar voor iedereen die daar geen toegang (meer) toe heeft, rest de observatie. Die hangt een camera op en gaat met het geduld van een vogelaar zitten wachten, zoals Judith Vreriks en Marc Schmidt hebben gedaan voor hun korte documentaire Schoolplein. De film won afgelopen maand de New Arrivals-competitie en is online te bekijken.

Het is een fascinerend filmpje. Tieners dagen elkaar uit, vuilbekken, liefkozen, commanderen. Sjokken van het bankje naar de schooldeur en van de schooldeur naar het bankje. Incasseren geduw en getrek met een voor buitenstaanders onbegrijpelijke tolerantie. Zitten ongenaakbaar solitair te wezen, waaieren dan weer als een zwerm spreeuwen over de tegels.

Het standpunt van de camera is van cruciaal belang geweest; die staat ergens hoog opgesteld, kan wel wat in- en uitzoomen en heen en weer bewegen, maar komt nooit echt tussen de scholieren in te staan.

Het heeft de aantrekkingskracht van de apenkooi in Artis. Je ziet je eigen soort, maar dan anders. Afkomstig van een andere planeet die je zelf vergeten bent. Ongelovig bekijk je die manier van lopen, een combinatie van voor- en achteruit bewegen. Kun je niet meer. Nooit meer.

Het is alleen de vraag of de jeugd zelf geïnteresseerd is in zulke beelden, in zulke kunst. Dat ze onhandig lange benen hebben merken ze elke dag, en hun eigen feestjes zijn stukken leuker dan die van een 30-jarige deejay in een lege museumzaal. 'De jeugd van tegenwoordig' blijkt een uiterst glibberig onderwerp, dat zich misschien wel laat bestuderen en bekijken, maar dat alleen uit de tweede hand in het museum te krijgen is.

Misschien een waarschuwing voor musea in Nederland die, met de bonussen die beloofd worden voor het binnenhalen van nieuwe bevolkingsgroepen in het achterhoofd, hun ogen laten vallen op de jeugdcultuur. Naar de jeugd kijken, dat is nostalgie. Typisch iets voor mensen boven de vijfentwintig. Voor oude lullen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden