EssayDagboeken

Benjamin Moser over de dagboeken van zijn geliefde, Arthur Japin

Als biograaf snuffelt Benjamin Moser (43) vaak in andermans privéleven. Maar doordat zijn partner, Arthur Japin, zijn dagboeken publiceert, weet Moser ook hoe het is als er over jóúw leven gelezen wordt.

Beeld Silvia Celiberti

Een paar jaar geleden zat ik in een archief in Los Angeles de e-mails van Susan Sontag te lezen. Zij had dit materiaal moeiteloos kunnen vernietigen. In plaats daarvan verkocht ze alles aan de bibliotheek, in de wetenschap dat er na haar dood over haar zou worden geschreven en met de bedoeling een zo volledig mogelijk verslag van haar leven na te laten. Desalniettemin voelde het creepy door zoiets persoonlijks heen te gaan. Geen dag ontkwam ik aan de gedachte: hoe zou het voelen als iemand zoiets over mij zou lezen?

Nu weet ik het. Arthur Japin, al bijna twintig jaar mijn partner, heeft zojuist zijn dagboeken gepubliceerd: Geluk, een geheimtaal. Dagboeken 2008-2018. Ze beslaan het laatste decennium van onze levens. Dit is na Zoals dat gaat met wonderen, dat ging over onze eerste jaren samen, zijn tweede deel Privédomein. Het jaar waarmee alles begon, 2000, is zowat mijn halve leven geleden: een tijd van groei, een tijd van, zoals Nietzsche dat noemt, worden wie we zijn.

Ik ben niet meer de jonge Amerikaan die zijn geliefde naar een vreemd land volgde. Ik ben een man van middelbare leeftijd en ergens onderweg is het land opgehouden vreemd te zijn. Op bepaalde manieren zijn wij dezelfden gebleven. Nog net als toen razen wij kriskras de wereld over, en aangezien ik zelf geen dagboek bijhoud, is een van de genoegens van dit boek voor mij de herinnering aan alles wat wij hebben gedaan, en aan de vele plekken waar we dat deden.

Toch valt het lezen zwaar. Ik weet wat mensen zullen denken, want het was vaak mijn werk degene te zijn die zo dacht. Een professionele lezer zijn – criticus, redacteur, biograaf – betekent dat je voor anderen denkt. Verschillende schrijvers: waarom dit boek, waarom nu? Verschillende plekken: zou deze Nederlandse roman ook werken in Minnesota? Verschillende tijden: kan een boek uit 1960 nog sprankelen? Verschillende geslachten: willen vrouwen wel een boek lezen van deze man?

Dus maak ik me zorgen wanneer ik, met andermans perspectieven in mijn achterhoofd, over onze levens lees. Hoe klinken verslagen vanuit Rio, Venetië en Honolulu in de oren van mensen die weinig reizen? Hoe komt de stroom beroemde namen over op mensen die onze wereld niet bewonen? Is het beter zulke zaken dan maar weg te moffelen om jezelf te beschermen tegen de onvermijdelijke opmerkingen van hen die niet begrijpen dat nu eenmaal ieder leven anders is?

Je kunt je voorstellen wat mensen zullen denken als zij een boek lezen, maar te weten wat ze zullen denken wanneer je over ze schrijft, is lastig. Zelf heb ik geschreven over levens vol tegenspoed, maar de zoon van Clarice Lispector stoorde zich niet aan mijn beschrijvingen van verkrachting, moord en geestesziekte: de enige zin die hij vervelend vond ging over zijn moeders kleding. Sontags zoon maakte hevig bezwaar tegen een verhaal dat iemand had verteld over zijn kinderspeelgoed.

Hetzelfde geldt voor mij, lezend over mezelf. Ik raak meer in verlegenheid bij het idee dat mensen zullen lezen wat ik voor liefs heb gezegd of hoe leuk Arthur mij vindt, dan dat ik me ervoor schaam dat ze een verhaal krijgen te lezen dat voor een ander misschien schokkend is. Dat verhaal is, vast en zeker, ook de reden dat mij is gevraagd dit stuk te schrijven: een liefdesaffaire die ik een aantal jaar geleden had met een jonge Amerikaan, en de gevolgen daarvan voor Arthur. 

Benjamin Moser en Arthur Japin in hun huis in Utrecht.Beeld Judith Jockel

Waarom vind ik het niet erg dat dit in het boek staat? Moeilijk te zeggen. Het is verre van mijn favoriete onderwerp. Maar deel van het schrijven over iemands leven is begrijpen dat het geen mens iets kan schelen of diegene ’s ochtends zijn tanden poetste of graag televisie keek. Het zijn de extremen van het leven die je interesseren: de momenten waarin alles op het spel stond. Het kan je iets schelen wat die ene anders maakt dan anderen.

En het kan je schelen op welke manier mensen hetzelfde zijn als jij. U, waarde lezer, dineert misschien niet vaak met de keizerin van Iran. (Eerlijk is eerlijk: dit gebeurde maar een keer.) Maar u weet wat passie is. U kent de angst om iemand te verliezen, en het gevoel dat je niet verder kunt leven. Daarom leest u over de levens van anderen: om te zien hoe zij zich hebben gevoeld, hoe zij daarmee omgingen, hoe zij overleefden of – net zo vaak – niet.

Of je nu zelf schrijft of dat er over je geschreven wordt, hoe er over je gedacht wordt, hoef je je tegenwoordig niet lang af te vragen. De minste spanning hieromtrent wordt onmiddellijk weggenomen door sociale media, die een tijdperk hebben gecreëerd waarin vrijwel iedereen een publiek figuur is en het idee van privacy achterhaald lijkt te zijn.

Het is vandaag de dag even riskant je zwakten te tonen als je kracht. Velen zien er daarom van af en kiezen ervoor zich in het geheel niet te laten zien. Was het in de dagen voor het internet al moedig om dagboeken te publiceren, nu is het dat nog meer. Maar schrijvers zitten tussen twee onverenigbare aandriften gevangen. Enerzijds willen we ons verschuilen, opdat we ons werk in grootst mogelijke stilte kunnen doen. Anderzijds willen we worden uitgegeven, gelezen en besproken. En dus storten we onszelf, keer op keer, als gladiatoren in het steeds bloeddorstiger strijdperk van de publieke opinie.

Niemand die ik ken, vindt dit leuk. Het verstoort het evenwicht dat we nodig hebben om te schrijven. Maar het betekent dat schrijvers gewend zijn dat er over ze geschreven wordt: door recensenten vol halsstarrig onbegrip; door journalisten die ons met opzet verkeerd citeren; door willekeurige Twitteraars die van alles over ons roepen. Niets daaraan is prettig, maar dat je partner over je schrijft, iemand die je zo goed kent, is nog weer iets heel anders.

Benjamin Moser en Arthur Japin in hun huis in Utrecht.Beeld Judith Jockel

Hij heeft genoeg aardige woorden voor me over. Maar tot mijn verbazing merkte ik dat mij daaraan weinig was gelegen. Wat het moeilijk maakte om te lezen, was dat ik om Arthur geef – en voor een schrijver is niets moeilijker dan een boek lezen van iemand om wie je geeft. Het is ons schrijvers allemaal overkomen: de angst dat het boek van een dierbaar iemand slecht geschreven zou kunnen zijn, saai, zelfgenoegzaam.

Ik heb altijd gezegd dat ik eerlijk over Arthurs werk kan oordelen omdat ik het al had gelezen vóórdat ik hem kende, toen ik nog maar net van de universiteit kwam en in de New Yorkse uitgeverij belandde. Zijn eerste roman, De zwarte met het witte hart, zou in het Engels verschijnen, en hij kwam naar ons kantoor op Park Avenue om te lunchen met mijn baas. De avond tevoren las ik zijn boek in één ruk uit. Ik vond het een meesterwerk. Daarin stond ik niet alleen: onlangs beleefde het zijn 65ste druk.

Sindsdien ben ik altijd nerveus geweest wanneer ik nieuw werk van hem opensla – want al kan het me, tot op zekere hoogte, niets schelen wat wildvreemden van mij denken, die onverschilligheid heb ik niet als het om hem gaat. Mijn drang hem te beschermen maakt dat ik de naam onthoud van iedereen die ooit iets slechts over hem heeft geschreven en zelfs – tot en met de interpunctie – wat er stond. Maar om hem te kunnen verdedigen moet ik er oprecht van overtuigd zijn dat de boeken goed zijn.

Tot nu toe zijn ze dat, gelukkig. Ook het nieuwe. Ik weet dat omdat ik zelf schrijver ben — en omdat ik er zelf bij was. Het enige waarvoor ik me onder het lezen wel eens schaamde, was dat ik een dialoog, waaraan hij zo’n betekenis weet te geven, zelf deels was vergeten. En ik las met verwondering dat hij in ons leven van dag tot dag verhaallijnen ontdekt heeft als in een roman — dat hij onze levens, die voornamelijk bestaan uit zitten achter een computer, tot iets heeft gemaakt waarover mensen zullen willen lezen.

Non-fictie

Arthur Japin

Geluk, een geheimtaal. Dagboeken 2008-2018

Privédomein;

De Arbeiderspers;

376 pagina’s; € 24,99

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden