Benijdenswaardig als de bomen

De Duitse beeldhouwer Stephan Balkenhol slaat tegenwoordig ook paren uit de stam. Zijn robuuste mannen en vrouwen zijn tijdloze figuren die opgaan in zichzelf en de omgeving....

WE KOMEN te laat op het feest en zijn te vroeg weer weg. De anderen dansen al als wij arriveren en ze gaan daarmee door ongeacht ons vertrek. Ze dansen lange nachten en een gat in de dag. Eerst voor onze ogen, dan achter onze rug. In het voorbijgaan draaien ze kort om ons heen, maar als we omkijken zien we hoe de groep zich sluit, de mannen en vrouwen hand in hand, zij aan zij, tien paren in een kring. Het lijkt zo aardig, zonder ons, zo eenvoudig. Zij kunnen het niet helpen en aan ons ligt het evenmin, maar wij horen er niet bij.

Pleng een traan en smoor de rest. Eenzaam zijn we allemaal. De Duitse beeldhouwer Stephan Balkenhol (1957) snijdt geen illusies uit hout. Ook nu niet, nu hij uit één boom plotseling twee figuren ineens bevrijdt, terwijl hij er voorheen alleen maar eenlingen in aantrof. Die mensen, mannen en vrouwen apart, rechten hun rug zoals de boom zijn stam: op eigen houtje, noodgedwongen, vervuld van eigenwaarde, niet hooghartig of met de moed der wanhoop, maar naar de aard van de natuur: vanzelfsprekend, in een stilzwijgende aanvaarding van het bestaan.

Zelfs de Dansende Paren (1996) zijn zo in zichzelf gekeerd, in weerwil van hun gezelschap. Op Balkenhols huidige overzicht in het Duitse Kurhaus Kleve komt het tiental, dat verspreid is geraakt over diverse privé-verzamelingen, voor het eerst in een museum bijeen: speels en kleurig, als een volksfeest op een dorp. De figuren zijn maar klein. Dat we ze toch recht in de ogen kunnen zien is te danken aan hun sokkel. Ze staan hoog op de stam waar ze zijn uitgehakt. Staan is het goede woord, want ofschoon ze dansen, slagen ze er moeilijk in hun houterigheid van zich af te schudden.

Maar dat is pas zichtbaar van dichtbij. Nog niet direct wanneer de museumbezoeker een hoek omslaat en verderop, in het midden van een lange gang, dat gedruis ontwaart. Blij verrast: hee, daar is wat te doen, een partijtje op het plein, óp naar het bal, misschien zien we de bruid! Maar er is geen bruid en te doen is er ook niet zo veel. Voor de buitenstaander echter nog genoeg: een beetje dralen rond die Dansende Paren, want ze zijn ondoorgrondelijk, slechts half en half begeesterd in hun samengaan - ontworteld zonder los te komen van de vloer, aangewezen op elkaar zonder kennis van zichzelf.

Ze staren in het luchtledige, verstard in hun beweging, eerder getroffen door de dichtregels van Goethe, dan door de muziek die Schubert daar later bij componeerde: Der stumpfe Bursche bläht sich, das steife Mädchen dreht sich, nach meiner Melodie. In het museum is de klank weer weggestorven. Gezien de passen van de paren, en de poses die zij aannemen, gaan ze alle tien op in een andere dans. Hun feest behoeft ook geen eensluidende melodie: deze figuren struikelen nooit over elkaars voeten, zoals wij. Ze zoeken geen harmonie, en vinden geen conflict.

Ze zoeken helemaal niets, ze zijn alleen maar - en om die reden ook benijdenswaardig als de bomen, zij het in hun vermenigvuldigde tweezaamheid tien keer dubbelzinniger dan Balkenhols enkelingen. Die blijven tenminste gevrijwaard van de wezenloze intimiteit der Dansende Paren. Die suggereren niet eens een uitwisseling van emoties. Ze gaan op in zichzelf en hun omgeving. De Figuur Man (1997-98) biedt blindelings het hoofd aan de dingen die voorbij gaan, ondanks zijn gesloten ogen toch niet stoïcijns. Gespitst op elke trilling, of hij het gras kan horen groeien, weerstaat hij het beven van de wereld.

Hij is kleiner dan de standbeelden van machthebbers en genieën in de open lucht, maar tussen de muren van het museum evengoed een imposante verschijning, bijna levensgroot, zijn voetstuk meegerekend een meer dan manshoog monument voor het doorsnee individu, een anonymus in plaats van een held, zoals al Balkenhols figuren. De kunstenaar portretteert ons in de ander, en de ander in ons: passanten van elkaar, vertrouwd van een afstand, vreemd van nabij. Zijn beelden zijn algemeen menselijk, gebonden aan tijd noch plaats, zonder specifieke trekken of aan de mode onderhevige kledij.

De robuust uit hun stam geslagen mannen en vrouwen - hun huid getekend door splinters en spaanders, rimpelende nerven en hier of daar een noest als moedervlek - dragen niets om het lijf, of een simpel kostuum: hij een wit overhemd en een zwarte pantalon, zij van oudsher een mouwloos jurkje en sinds kort ook wel eens een lange broek, effen T-shirtje erboven. Die beperkte garderobe volstaat voor het oproepen van een beeld dat we uit onze ooghoeken kennen: voor hen zoveel anderen op een rij in de supermarkt, of treinend bij een tramhalte tegenover de onze.

Z IEN WE ZE vol in het gezicht, dan nog zijn het uitdrukkingsloze modellen, mooi zomin als lelijk, eerder abstract dan karakteristiek: zinnebeelden voor de mens die zich in deze gestroomlijnde wereld beweegt, over roltrappen of voor de televisie, de één langs de ander heen, aan de massa ondergeschikt. Balkenhols mannen en vrouwen - thuis teveel tv gekeken, onderweg te weinig richtingaanwijzers gezien - hebben een stap opzij gezet. Zij staan voorlopig aan de kant, deels als wachter, deels als individu, meestal een verstrooide gestalte op de drempel daar tussen in.

'Ik wil alles ineens: zinnelijkheid, expressie, maar niet te veel; levendigheid, maar geen oppervlakkig geklets; beweging, maar niet te veel vertelling; esprit, maar geen grappigheid; zelfspot, maar geen cynisme. En op de eerste plaats een mooi, zowel veel- als nietszeggend beeld', noteerde Balkenhol in 1992 bij zijn expositie in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With. Al zijn zijn figuren menselijker geworden, in die zin dat ze nu ook óver de drempel stappen, zowaar een handeling verrichten of zelfs een dansje wagen: ze wachten immer op betekenis, op onze aandacht, ons inlevingsvermogen.

Zelf zijn ze zwijgzaam, ronduit sprakeloos, even weinig mededeelzaam als in het begin, eind 1982, toen Balkenhol besloot zijn abstracte beelden voortaan een gezicht te geven en hij onder de schors, bij het weghakken van het hout, deze eigenaardige alter ego's ontdekte, die niet malen om hun imago en al helemaal niet om de mode. Het minimalisme was de mode, indertijd, in Balkenhols buurt speciaal de strakke vormen van zijn leermeester Ulrich Rückriem: de steenhouwer die met zijn stapelingen van kale rotsblokken vorig jaar de draagkracht tartte van het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Balkenhol verwijdert zich verder van de oerkrachten dan zijn docent. Hij is een ambachtsman als Rückriem, eveneens vertrouwd met het grofstoffelijke en al evenzeer met het blootleggen van die materiële geheimenis, maar hij vormt het hout ook om, terwijl Rückriem zijn ontzagwekkende steenklompen laat voor wat ze zijn, al splijt en stapelt hij de blokken en schaaft hij ze wat bij. Dolomiet, lei, marmer en graniet: Rückriem verheft ze tot bakens voor de soort. Van de groeve op weg naar het museum blijven zijn rotsblokken rots - een mysterie voor de mens.

Balkenhol voegt daar het mysterie ván de mens aan toe, in beelden die tegelijk een beetje boom gebleven zijn. Hij combineert de gegeven schepping met het eigenhandig geschapene; de vorstelijke autonomie van de woudreus, die wel door de houtvester geveld maar nooit geëvenaard kan worden, met de dubieuze autonomie van het individu. Zijn figuren kunnen zich onmogelijk onttrekken aan het verlangen naar wederkerigheid. Als ze er zelf niet aan toegeven, belichamen ze het wel in de ogen van het publiek, dat probeert greep te krijgen op hun gemaskeerde geest.

Met de ruimtelijke enscenering van zijn sculpturen, die in het museum gewoontegetrouw door de kunstenaar zelf tegen elkaar zijn opgezet, speelt Balkenhol in op die menselijke wens contact te leggen. Hij ontlokt ons de neiging een wezen toe te dichten aan zijn 'zowel veel als nietszeggende' figuren en hun sluimerende betrekkingen te psychologiseren.

T WEE RONDE wandreliëfs hangen in afzonderlijke zalen: een medaillon met vrouwengezicht op afstand van een medaillon met mannengezicht, hun contouren in het hout verzonken. Maar er is een doorkijkje naar de verschillende zalen tegelijk, een overzicht dat de beide portretten ineens omvat. De man en de vrouw wenden zich tot elkaar, zien we dan ineens. En ook: hoe tragisch hun verhoopte blikwisseling is, en niet alleen omdat zij afketst op de houten rand van de medaillons. Tussen beiden staat bovendien een muur, letterlijk van steen, spreekwoordelijk van onvermogen.

Het gedeelde isolement verspreidt door het gebouw een sfeer van melancholie, een licht heimwee, die zich voegt naar de architectuur van het vroegere Kurhaus. In zijn nieuwe luister als museum, sinds 1997, bewaart het negentiende eeuwse pand restanten van zijn grandeur als heilzaam badhuis: een met bloemenranken beschilderd plafond, een decoratief gedraaide trap in de hal, een gang met uitzicht op de tuin - eens de 'wandelgalerij', nu het trefpunt voor Balkenhols Dansende Paren - en diverse neoklassieke details, zoals in die wandelgang hoge zuilen links en rechts.

Balkenhols meest recente figuren zoeken houvast - toch, in hun onveranderlijke eenzaamheid - en vinden die in de architectuur, of een overblijfsel daarvan. De beelden zijn bevrijd uit hun boomstam, maar overgeleverd aan een nieuwe behuizing, die zelden op hun schaal is toegesneden. In zijn Architectuurschetsen (1997-98), een grote groep kleine sculpturen van een man op een drempel, in een deuropening, op een omgevallen zuil of zelf als zuil naast een andere zuil overeind gezet, kantelt en keert Balkenhol de maat van de mens en die van het door hem betrokken gebouw.

De man is zo groot als een zuil; zijn huis is kleiner dan hij. Met kop en schouders steekt hij boven de muren uit, starend in het verre niets, nergens thuis. Of hij staat in een nis, als het standbeeld van een man. Maar ligt diezelfde nis op zijn kant, dan ligt het beeld als een mens op zijn rug: ondergebracht voor de eeuwigheid, in zijn graf, onveranderlijk alleen.

Stephan Balkenhol, tot en met 29 november in Museum Kurhaus Kleve, Tiergartenstrasse 41, Kleve. Catalogus 28 DM.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden