Benen die mooi konden worden

Schrijversvrienden zijn vaak ook rivalen. Dat bewijst Tim Krabbé andermaal met Marte Jacobs, over een meisje dat twee vrienden inspireerde: een dichter en een prozaïst....

Dunne boekjes, makkelijk leesbaar, een schrijverschap waar geen ontwikkeling in zit, dat niet meetelt in de literaire eredivisie, met uitzondering van dat ene oude succesnummer. Daarmee is de dichter Emile Binenbaum, van de evergreen ‘Pasgeboren Girafje’, met een paar trekken geschetst.

Maar omdat de roman die begint met dit portret van een bekend dichter die zich niettemin gekleineerd voelt en zijn frustratie in strijdlustige adagia probeert om te buigen (‘Dat is pas vernieuwend; ik durf stil te staan’) van de hand van Tim Krabbé is, doet die opening aan als een vermomd zelfportret. Hoe vaak heeft de broer van de beroemde Jeroen niet moeten horen dat zijn werkjes heus alleraardigst zijn, knap gedaan hoor, en als hij één publiekssucces heeft geschreven dan moet het Het gouden ei (1984) zijn, gevolgd door De renner van bijna dertig jaar geleden – dat ook al ging over een amateur die nooit de top zal halen. Een troostrijk boekje voor alle amateurs, en daar zijn er altijd veel van.

Binenbaum heeft een vriend, die wél een neus voor succes heeft, de diepe schrijver van dikke romans Willem Reiff, die hem lang geleden een meisje heeft ‘afgepakt’, Marte Jacobs, dat later zelfmoord heeft gepleegd. Wat doet Reiff nu, decennia later? Die komt met een bescheiden requiem, Een Meisje uit mijn Jeugd (MJ, dat kan niet missen), waardoor hij Marte nóg eens van zijn dichtende vriend zal afpakken. Om uit je vel te barsten.

Dat doet Binenbaum niet, hij denkt terug aan het meisje in kwestie, dat aan de wieg stond van zijn schrijverschap (‘Pasgeboren Girafje’ ging in bedekte termen over haar), en met wie hij één zomer lang (zij veertien jaar, hij eenentwintig) door de Amsterdamse binnenstad heeft gewandeld. Een intrigerend kind met problemen thuis, een beginnelinge in het leven, een onbevangen raadselwezen waar Emile in kuise vriendschappelijkheid mee omging, niet wetend of zij meer wilde. ‘En een vriendschap hoeft zich niet te ontwikkelen, maar een kus is het begin,’ denkt Emile. Dat begin durft hij niet aan.

In plaats daarvan schrijft Emile een gedicht, ‘Pasgeboren Girafje’, dat Krabbé niet citeert maar omschrijft, zo op het oog een mengeling van ‘Voor de verre prinses’ van Slauerhoff en ‘Jonge sla’ van Kopland; een liefdesbetuiging op afstand, waarvan de maker niet weet of de adressante de boodschap heeft verstaan. Als ze hem tegenkomt, laat ze alleen weten zijn gedicht leuk en goed te vinden.

Hij is geroerd door Marte, haar uitspraken en haar bewegingen: ‘Ze had mooie benen, dat had hij bij het voetballen al gevonden. Of eigenlijk: benen die mooi konden wórden’. Doordat ze op haar achttiende zelfmoord pleegde, is de mogelijkheid van een verheviging in hun omgang voorgoed onmogelijk geworden.

Ze is de inspiratie voor een schrijver in wiens werk dan ook geen ontwikkeling wordt gesignaleerd.

En dan tel je niet mee, ook al word je verkocht, in de literaire canon. Ook al pent Emile Binenbaum duizend rijmende verzen, als was hij Jan Kal, hij blijft de auteur van die ene hit en komt in vijftig jaar geen meter vooruit. En dat is de voorwaarde om serieus te worden genomen.

Heeft er een auteur model gestaan voor Willem Reiff, de schrijver van dikke boeken die iedereen hoog aanslaat, zonder dat Emile merkt dat lezers ze ook daadwerkelijk tot het einde doorploegen? Wellicht dat Tim Krabbé heeft gedacht aan A.F.Th. van der Heijden, die immers tussen zijn folianten door ook De sandwich (1986) maakte, een klein requiem, onder meer over een jeugdvriendin die zelfmoord pleegde.

Maar meer dan door afgunst wordt Binenbaum besprongen door zelfhaat, en Krabbé levert daarvoor extra argumenten: Emile hád al een vriendin toen hij met het kindvrouwtje Marte Jacobs steelse afspraakjes maakte, hij heeft Marte nooit zijn liefde verklaard, en feitelijk was ze helemaal niet ‘zijn meisje’ toen Willem Reiff na afloop van een reünie van hun school, het Amstel Lyceum, onder de ogen van de dralende poëet op de eenzame Marte afstapte en haar zonder inleidende praatjes in een taxi naar zijn huis nam: ‘Jou moet ik hebben. Jij bent een ontzettend lekker meisje. Ga mee.’

Zoals C. Buddingh’ al opmerkte: meisjes zijn dol op romantici, maar gaan het liefst met een realist naar bed. Terug op zijn kamer schreef Binenbaum toen maar weer een gedicht dat stiekem over haar ging, met ook die benen erin, in de hoop dat Marte het zou lezen en alsnog voor hém kiezen.

In plaats daarvan pleegde ze zelfmoord, enkele maanden nadat ze met Reiff was meegegaan. In een spannende reconstructie ontdekt Emile dat ze zijn ‘Tweede Gedicht’ inderdaad nog net gelezen kan hebben. Opnieuw is het ongewis of ze het ook heeft begrepen.

En daar komt die Reiff doodleuk met Een Meisje uit mijn Jeugd. Ook Willem heeft haar niet begrepen, blijkt uit de roman (‘een goed boek’, moet Emile toegeven), waarin met geen woord wordt gerept over een ander. Dat híj Reiff in hun schooljaren al een keer op het meisje heeft gewezen en Willem haar toen een ‘platvis’ vond, is hem kennelijk ontschoten.

Het raadsel Marte Jacobs wordt in de korte roman Marte Jacobs uitgespaard door de woorden die Emile en Willem in dicht- en romanvorm aan haar hebben gewijd. Zij was een licht en droevig wezen, door niemand gekend, een ster die kort straalde, de satellieten met vragen achterlatend. Iemand in wie geen ontwikkeling zat.

Door in gedachten bij haar te blijven, bewijst Binenbaum zijn trouw, denkt hij zelf.

Romantische aanstellerij, denkt de lezer, want heel die liefde bestond alleen in zijn hoofd. Zo bezien is Marte Jacobs niet alleen een gethematiseerde frustratie van de schrijver Krabbé, maar een afrekening met álle schrijverij, die de ware wonderen en tragiek alleen maar ijdel kan omcirkelen.

Knap gedaan weer, en ook een tikje pijnlijk, vooral voor de morsdode aanleiding van dit alles, de muze van een evergreen, het Girafje, het Meisje, met die benen die voor altijd onvolgroeid blijven, verstard in de belofte.

Arjan Peters

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden