Bedwinger der Zuiderzee

Geboren: 23 september 1854 in Amsterdam. Naamgever van: Lelydorp, Lelystad, Lelygemaal, Lelygebergte (Suriname). Trotse vader van: twee prominente waterstaatingenieurs, Jan en Cornelis Willem....

JE HEBT mensen die hun leven lang één groot doel nastreven. Soms bereiken ze het. Meestal niet. Cornelis Lely wist, toen hij stierf, dat zijn grote idee werkelijkheid zou worden. Kort voor zijn dood had hij het juist voltooide stuk afsluitdijk tussen het Noord-Hollandse vasteland en en het toenmalige eiland Wieringen bekeken. Met een groep hoogwaardigheidsbekleders was hij er op excursie geweest. Tijdens de bezichtiging brak een stortbui los. De groep vluchtte de bus in. Maar Lely, toch al dik in de zeventig, weigerde pertinent in te stappen. Hij beende voort in de striemende regen. Want dit was zíín dijk, volgens het plan dat híí veertig jaar eerder had ontworpen.

Wie hem, door Mari Andriessen gebeeldhouwd, nu nog ziet staan op de dijk bij Den Oever, kan ongeveer navoelen hoe Lely daar gelopen moet hebben. Een forse, geblokte man op rubberlaarzen. Het klassieke ingenieurstype. Maar deze man tuurt van onder zijn pet opvallend naar het zuiden. Hij heeft de far away-blik die vroeger werd toegeschreven aan piloten. Dat turen, naar het nieuwste Nederland, beeldt Lely's toekomstvisie uit.

Lely heeft de inpoldering van de Zuiderzee niet zelf bedacht. De belangstelling voor de Zuiderzee was in het midden van de achttiende eeuw al tamelijk groot. Tussen 1848 en 1852 had men de Haarlemmermeer drooggemalen, de tot dusverre grootste polder die Nederland rijk was. Er lagen diverse plannen voor de inpoldering van de Zuiderzee. Er was al in de zeventiende eeuw door Henric Stevin (zoon van Simon) over geschreven: 'Men sal eerst de Noortsee van de Zuyderzee afscheiden, dammende alle gaten van Staelduynen over Texel, Eyerlant, Vlielant, Derschellingen en Amelant en sluytende dit aan Vrieslant.'

Op 16 juli 1886 was de Zuiderzeevereniging opgericht, die de kansen voor afsluiting en drooglegging grondig wilde onderzoeken. De jonge civiel ingenieur Cornelis Lely werd 'voor den duur van twee jaren' aangesteld. Hij maakte met zijn plan - alleen daar inpolderen waar optimale akkergrond is - zodanig naam dat de nieuwe premier van Tienhoven hem in 1891 vroeg als minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid. Lely was 36 en had pas sinds vier jaar een behoorlijke baan.

Lely zou de politiek niet meer verlaten en tijdens drie ministerschappen (1891-1894, 1897-1901 en 1913-1918) noest blijven werken aan de verwezenlijking van zijn plan. Het aanvaarden van zijn derde ministerschap maakte hij zelfs afhankelijk van de indiening van het Zuiderzee-wetsontwerp, en hij kon in datzelfde jaar met gepaste trots koningin Wilhelmina in de troonrede horen aankondigen: 'Ik acht de tijd gekomen om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen'. De Eerste Wereldoorlog gaf vertraging, maar op 5 juli 1918 had Lely 'zijn' wet in het Staatsblad.

Welbeschouwd was Lely een der allereerste vakministers. Maar het is verkeerd hem slechts als de man van de Zuiderzeewerken te zien. Hij werd zeer snel een politicus pur sang, ook al bleef de socialist Schaper hem met zijn ouderwetse 'tochtlatten' zien als iemand die desnoods meubelmaker zou kunnen wezen, maar zeker geen minister.

Binnen de kortste keren had ook het Handel- en Nijverheidsgedeelte van zijn portefeuille nauwelijks geheimen meer voor de ingenieur. Hij voorzag het land van lokale spoorwegen en stoomtrams, zorgde ervoor dat de Limburgse mijnen Staatsmijnen werden - 'om een Nederlandsch Johannesburg te voorkomen' - en sluisde knap de Ongevallenwet door de Tweede Kamer, in feite de eerste sociale voorziening die Nederland kende. Zijn ambtenaren droegen hem, met zijn hoffelijkheid en grote feiten- en dossierkennis, op handen.

Toch had Lely een haat-liefdeverhouding met de politiek, getuige zijn verzuchting: 'Ik heb soms zo het land aan de politiek; er zijn zoveel mensen waarvan ik moet denken, als ze het een of ander betogen: wat zou er nu weer achter zitten?' Hij wilde niet praten, maar besturen, leiden.

In de oppositie kwam Lely daarom niet goed uit de verf. Het was dan ook niet onlogisch dat de ex-minister in 1902 het aanbod accepteerde om gouverneur van Suriname te worden. Daar kon iets gedáán worden. Maar de drie tropenjaren bekwamen hem niet goed. Het plan voor een spoorlijn naar het Lawagebied mislukte deerlijk en ook andere zaken die de daadkrachtige Lely aanpakte, liepen scheef. Hij kon de 'kleine, kwijnende kolonie', zoals men toen schreef, niet welvarender maken.

Lely keerde in 1905 overspannen terug naar Nederland en moest van zijn dokter meteen door naar Wiesbaden, op kuur. Hij had in Paramaribo ook duidelijk last van heimwee gehad. Het gezin Lely was zeer hecht en de langdurige scheiding van zijn zoons, die in het vaderland studeerden, deed pijn.

Hij werd al snel weer kamerlid en, alweer om de verveling van de oppositie te ontlopen, wethouder in Den Haag. Ook daar werd zijn grootste wapenfeit waterstaatkundig: het graven van de Scheveningse vissershaven.

Het fenomeen vervoer en de gevolgen voor de infrastructuur bleven hem fascineren. Op 19 december 1906 hield hij in de Tweede Kamer een opmerkelijke redevoering: 'Ik voorzie dat door de nieuwe middelen van verkeer met automobielen en fietsen, wij een heele omwenteling in het verkeer zullen zien, en als gevolg daarvan de opkomst van het platteland, maar bovenal zullen wij zien dat tal van personen die hun zaken in de steden hebben, ver van de steden op het platteland gaan wonen. Daarmede zal gelijk gepaard gaan het aankopen van grond langs de bestaande wegen en het stijgen der grondprijzen langs de bestaande wegen.'

Deze tekst verraadt nog iets anders dan scherp gevoel voor toekomstige ontwikkelingen: Lely was geen mooiprater, allesbehalve een woordartiest. Hij probeerde zijn tegenstanders met argumenten te overtuigen. Aan het spreekgestoelte was hij een beetje harkerig. De hoge, wat kinderlijke stem paste niet bij het forse postuur.

Het verraste niemand dat Lely onmiddellijk na zijn laatste ministerschap in 1918 voorzitter van de Zuiderzeeraad werd. Hij wilde bewust terug naar af. Tot zijn plotselinge dood in 1929 zou hij voorzitter blijven. Drie jaar later werd het laatste gat in de Afsluitdijk gedicht.

Toen hij stierf, werd Cornelis Lely door een necroloog omschreven als 'vrome, rode liberaal'. Men loofde 's mans hoffelijkheid, daadkracht, mensenkennis en eenvoud. Bij zijn begrafenis verried de doopsgezinde dominee dat Lely 's zondags zelfs 'met een tramconducteur ter kerke wandelde', wat in het Den Haag van toen op zijn minst opvallend gedrag was. Maar één ding ontbrak in de loftuitingen: Cornelis Lely behoorde tot het zeer zeldzame ras der zieners.

Toch kreeg de profetische 'bedwinger der Zuiderzee' nooit helemaal wat hij wilde. In oktober 1931 schreef de inspecteur-generaal van de NS dat 'de spoorweg over den afsluitdijk van de Zuiderzee in 1934 waarschijnlijk nog niet klaar zal zijn'.

Henk Strabbing

Dit is de vijfde aflevering van een serie over honderd belangrijke Nederlanders van deze eeuw. De volgorde is chronologisch (op basis van geboortedatum).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden