Bedremmeld in de beklaagdenbank

Het was een legendarisch uitgaafje, het mei-juninummer van het literaire tijdschrift Podium in 1951. Het opende met het eerste deel van de novelle Melancholia van G.K....

Stegman is dronken. Het schip vaart de haven van IJmuiden binnen. Aan wal staan drommen mensen te juichen, maar niemand wacht op hem. Zijn ouders trapten hem de deur uit, zijn zus schoot zich samen met haar minnaar bij het uitbreken van de oorlog een kogel door de kop. Als de kustlijn nadert, groeit Lodewijks walging jegens dit land en de 'imbecielen' die er de dienst uitmaken, en die hem niet rustig in Indië lieten. De staat, geleid door 'roomse bleekscheten', heeft met zijn leven 'gepokerd'.

En hij barst los: 'De katholieken! Dat is het meest schunnige, belazerde, onderkruiperige, besodemieterde deel van ons volk! Maar díe naaien er op los! Die planten zich voort! Als konijnen, ratten, vlooien, luizen. Die emigreren niet! Die blijven wel zitten in Brabant en Limburg met puisten op hun wangen en rotte kiezen van het ouwels vreten!'

Er kwam meteen heibel van. J.M. Lücker, hoofdredacteur van de Volkskrant, schreef op 23 juni 1951: 'Wij vragen ons in alle ernst af of de justitie, die anders zo actief is in het naarstig naspeuren van de kolommen der dagbladen, en de politie (. . .) hier geen taak hebben.' Hij stuurde behulpzaam een exemplaar van Podium naar justitie. Op het kantoor van De Bezige Bij werden alle negen aanwezige exemplaren ijlings in beslag genomen; de overige 691 hadden al een gelukkige eigenaar. Voorlopig verscheen Podium niet meer. Het tijdschrift kon fluiten naar subsidie.

In november verscheen wél Hermans' roman Ik heb altijd gelijk, bij Van Oorschot. Ondanks de geruchtmakende rechtszaak op 20 maart 1952 zou het een van zijn minst bekende, en slechtst verkochte boeken zijn. Hermans betreurde dat. De roman lag hem na aan het hart. De gelijkhebber in de titel mocht dan wel niet samenvallen met de schrijver - aan wie de aanmatigende uitspraak voortaan zou worden toegeschreven -, de tragiek van Lodewijk Stegman was verwant aan de zijne: altijd de slimste zijn, altijd de ellende van verre zien aankomen, maar geen greintje voordeel hebben van dat gelijk.

Lodewijk is een geboren loser. Net als Hermans een onderwijzerszoon, hij mag studeren, maar kiest precies die studierichting die bij de vrijwording van Indonesië in 1949 nutteloos zou zijn: indologie. Als kind kreeg hij altijd te horen, net als kleine Richard uit Een wonderkind of een total loss en net als kleine Wim uit de Tweede Helmersstraat, dat hij het te hoog in de bol had en zijn ouders op kosten joeg. Hij moest een voorbeeld nemen aan zijn brave zus. Aan de dood van die gehate Debora voelt Lodewijk zich schuldig; hij heeft haar niet tegengehouden. Ik heb altijd gelijk is de enige roman waarin Hermans het drama van de dood van zijn zus Corrie verwerkte.

Lodewijk wedt steevast op het verkeerde paard, en hij weet het. Hij int het geld dat hij smokkelde voor een oud-Indiëganger en geeft het met gulle hand uit. Hij begint een verhouding met een vrouw, die ondanks de dure kleren en schoonheidsbehandelingen die hij voor haar betaalt, even lelijk blijft. Samen met haar en een medesoldaat richt hij een dwaze politieke partij op, de Nederlandse Europese Eenheidspartij, die aanhangers werft via een voetbalblaadje. Het plan mislukt jammerlijk, zoals ieder streven van alle Hermans-personages: de mede-oprichter blijkt een communist, de geldschieter een oplichter en de lelijke vriendin de dochter van man die hij bestal.

Ik heb altijd gelijk is een gruwelijk geestige roman die herlezing verdient. Hermans, ondanks het succes van zijn eerste romans ontgoocheld - er was veel meer nodig om zich te wreken op zijn liefdeloze ouders - doopte zijn pen in hetzelfde zwavelzuur dat brandstof verschafte voor de Mandarijnen-stukken die hij in die periode schreef. 'De lach is de braakbeweging waarmee ik bedorven geestelijk voedsel uitstoot', was het motto van die scheldstukken tegen literaire mededingers. Als Stegman zijn tirade tegen de katholieken heeft afgestoken, wil hij lachen, 'maar het leek eerder alsof hij kokhalsde'. Want: 'Niemand is het met mij eens, niemand, niemand.'

Hermans kreeg gelijk van de rechter. Niet hij, maar een 'pathologisch' personage had immers de katholieken beledigd. Maar plezier van dat gelijk had niet. Hij stond er bedremmeld bij in de beklaagdenbank, schrijft gewezen vriend Adriaan Morriën in 1955. Van de zenuwen vergat hij zijn winterjas uit te trekken. En tot teleurstelling van zijn Podium-vrienden nam hij Stegmans beledigingen niet heroïsch voor eigen rekening.

'Na de uitspraak maakte hij allerminst de indruk van een overwinnaar', vond Morriën. Het sadistische universum van het wonderkind W.F. Hermans kende, toen al, louter verliezers.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden