Bedankt. En door!

Met de Veenfabriek heeft Paul Koek in een jaar of vier een naam opgebouwd om trots op te zijn. En nu krijgt hij ook nog de Prins Bernhard Cultuurfondsprijs....

Over het verlaten terrein van de voormalige vliegbasis Valkenburg hangt een voile van mist. Mooi hè, zegt Paul Koek. Hij rijdt een extra rondje voor een goed beeld over het verstilde, uitgestrekte gebied en parkeert vervolgens zijn auto vlak voor een grote hal. Hier werken ze, de acteurs en musici van de Veenfabriek. Het gezelschap van Koek heeft ook een basis in hartje Leiden, maar hier hebben ze de ruimte, om te bouwen aan hun toch ietsje ongewone instrumenten, en die naar hartelust uit te proberen. Hier staan de sirenes bijvoorbeeld. Maar daarover later.

Direct bij binnenkomst in de schier onafzienbare ruimte, vallen de lampen op; hanglampen in de meest uiteenlopende stijlen, groot, klein, lelijk, raar en fraai komen ze uit de nok vallen om op menselijke hoogte samen te komen in een vreemdsoortige luchter. Ze geven de hangar meteen iets theatraals; de Veenfabriek doet ook voorstellingen hier.

Maar nu even niet. Vandaag wordt gerepeteerd aan wat een nieuw theaterconcert gaat worden van het Sirene Orkest, gepland voor eind november. In een kleinere zijruimte zijn de Fabriekers al samengekomen om te luisteren naar een aantal muziekfragmenten, te bedenken op welke manier ze de sirenes erin zullen integreren, welke theatrale beelden erbij passen. Opgeruimd komt hun regisseur binnenstappen. Laat maar horen, zegt Paul Koek (1954).

Zo werken ze. Meestal. De Veenfabriek bestaat uit een kern van acht mensen, die steeds in verschillende samenstellingen optreden; per productie zijn er vaak gastspelers. In de relatief korte tijd van pakweg vier jaar heeft het muziektheatergezelschap op deze wijze een naam opgebouwd waar Koek trots op kan zijn. Hun eerste grote voorstelling Smekelingen kreeg meteen een buitenlandse tour, Haar leven haar doden werd geselecteerd voor het Theater Festival 2008, recentelijk werd Orfeo naar Monteverdi uitgenodigd voor het New Island Festival in New York. Kasimir en Karoline, een grote coproductie met NTGent stond prominent in Avignon en maakt nu een Europese tournee.

En Koek, componist, slagwerker, regisseur, docent, performer, die na de fameuze samenwerking met Johan Simons (Hollandia en later ZT Hollandia) de Veenfabriek oprichtte, krijgt op 4 november de Oeuvreprijs van het Prins Bernhard Cultuurfonds. ‘Het verbinden van werelden tekent theaterkunstenaar Paul Koek. Niet alleen omdat hij al vanaf de jaren zeventig een invloedrijke vernieuwer en bruggenbouwer is tussen de werelden van muziek en theater, maar ook omdat hij altijd een gedreven docent en inspirator is geweest voor nieuwe generaties jonge kunstenaars. Het oeuvre van (...) Koek is indrukwekkend’, aldus de jury.

Ja, waar te beginnen? Bij de structuur van het gezelschap nog maar even, want die is bijzonder. Onder de paraplu van de Veenfabriek schuilen diverse ensembles: Touki Delphine (energieke concerten met performances), Sing Song (muziek gebaseerd op uniek geluid van doodgewone voorwerpen), Track (improvisatie die aansluit bij popmuziek). En niet te vergeten: het Sirene Orkest.

De samenstellingen lopen uiteen, maar de kern is altijd present, en acteurs en musici hebben gelijkwaardige rollen. Die structuur maakt dat de Veenfabriek flexibel is; zo kunnen ze bijvoorbeeld, als Kasimir en Karoline tussen de tournees even pauze heeft, met het Sirene Orkest inspelen op iets actueels. Zoals nu, dus. Het komende theaterconcert is geïnspireerd op Theo van Doesburg, over wie op dit moment een expositie loopt in de Leidse Lakenhal.

De brainstorm in de zijkamer is ten einde. ‘Zo’n stuk zegt: allemaal als de sodemieter studeren’, roept Koek. Even later zwelt in de belendende hal het geluid aan van vijf sopraansirenes, twee bassirenes en twee dubbelsirenes, gepaard aan de curieuze sound van intonarumori (lawaaimachines) zoals de Italiaanse futuristen die begin vorige eeuw gebruikten. Prachtige helse machines allemaal, merendeels cylindrisch van vorm, gebouwd en ontworpen (naar originele tekeningen uit diezelfde periode) door ingenieur René Bakker die de groep op die manier versterkt.

Koek: ‘De eerste keer dat ik het geluid hoorde, was over de telefoon. René belde, en riep: ‘ik heb het!’ Dat was waanzinnig. Je denkt bij een sirene toch aan: gillen, hard, pijn in je oren, ongeluk, brand. Maar dit is zo’n ontroerend, lief geluid, dit is zoveel kleiner, en zoveel meer van die tijd.’ Het is de tijd van technische vooruitgang in Europa, de ontwikkeling van machines die doorwerkt in de kunsten waar mensen dol zijn op experimenteren, van Rusland tot Italië, waar de fantasie de vrije hand krijgt. De tijdgeest die Koek inspireert. Na het prille begin schreven zes hedendaagse componisten – onder wie Martijn Padding en Yannis Kyriakides – voor het (inmiddels uitgebreide) orkest.

‘Het is gewoon een instrument dat je moet leren beheersen’, zegt Koek. ‘We worden er stuk voor stuk steeds beter in. Dat is bij ons het uitgangspunt: het gaat niet over virtuositeit, maar over ensemblespel. Goed, iedereen heeft zijn specialisme. Als er echt een grote rol vertolkt moet worden, gebeurt dat door een van de acteurs, dan gaan we niet eigenwijs doen. Als we echt ingewikkelde partijen hebben, dan spelen de muzikanten dat. Maar het uitgangspunt is: we doen het samen.’

Onderhavig project begon met een onderzoek van techniekfilosoof John Heymans. De Veenfabriek nodigt op gezette tijden – onder het kopje ‘Veenstudio’ – mensen van buiten uit (kunstenaars, academici) voor gedachtenwisselingen. Heymans deed een studie naar de oorsprong van synthesizermuziek en stuitte op de sirene, waarover als instrument aan het einde van de 19de eeuw een hoop te doen was. Na een paar colleges bedacht Koek: ‘We gaan die dingen maken! Ik wilde ze gewoon zien.’

Ja, dat was zijn inbreng. Maar verder is hij vooral niet dwingend in zijn optreden. ‘De Veenfabriek, dat ben ik niet alleen, hè. Alle spelers zijn makers, dus die zitten heel erg dicht op de eerste gedachten van een project. Het is niet zo dat ik binnenkom als regisseur en het script uitdeel. Dat script is al 25 keer heen en weer gegaan voordat we überhaupt beginnen.

‘Dat is ook mijn opvoeding. Bij Hoketus, de groep waar ik begon, ging alles in samenspraak met de rest. We hadden geen dirigent; alles moest speelbaar zijn via het onderlinge contact op het podium. Tien jaar lang hebben we zo gewerkt, in heel Europa.

‘Toen ik bij Hollandia kwam, bleek relatief snel dat Johan Europa in wilde. Ik zei: ik kom er net vandaan, man. Ik wil juist thuis, in Nederland, iets doen, iets teweeg brengen. En eigenlijk is dat altijd zo gebleven.’

Op het moment dat Simons definitief voor grote buitenlandse podia koos, besloot Koek tot oprichting van zijn eigen gezelschap. Het viel nog niet mee, de nieuwe start; komend van een groot gevestigd gezelschap verkijk je je op van alles.

‘Ik had ook kunnen zeggen: We doen onze Smekelingen op houten aardappelkistjes zonder microfoons, en de band speelt mondharp en waterpijp. Dat had ook gekund.’ Zo was het niet. En zie dan met weinig middelen en mankracht de geluidskwaliteit maar eens goed te krijgen.

Bovendien: ‘Ik had van het ZT niets meegekregen – terecht, omdat het ook niet van jou is; het is van het ZT, daar word je gesubsidieerd. Maar ik had dus geen hamer. Ik had geen nijptang, ik had geen lamp. En ik stond in een pand dat vijftig jaar had leeggestaan.’ Enfin, het Scheltema Complex werd verbouwd, later kwam er de hangar bij, de Veenfabriek dook op op allerlei locaties in en buiten de stad en groeide uit tot wat het is.

‘Ik weet alleen echt niet zo goed wat het is, trots. Ik weet alleen dat het waanzinnig is, om muziektheater te kunnen maken met mensen die daar ook zin in hebben, die zich daarvoor als kunstenaar enorm inzetten. Daar sta ik voor op.’

En dan is daar die prijs. Hij werd gebeld. ‘Misschien dachten ze dat ik zou gaan zingen, of tegen het plafond zou trappen. Maar ik was totáál verbijsterd, doodstil, misschien wel een half uur. Nee. Tijd was er even niet. En toen werd ik heel erg gelukkig en had ik maar een gedachte: muziektheater bestaat. Nu bestaat muziektheater. Dat vond ik echt heel tof! Dat vond ik zo goed!’

‘Ik ken veel mensen die niet van prijzen houden, ik ben zelfs van de generatie die dat nogal onzinnig vindt. Maar ik vind het feestelijk, het geeft me power om door te gaan. Ja! Bedankt, en door! En ik dacht ook: die wil ik over twintig jaar weer, die prijs. Want het is niet klaar, pas op. Ik ben wat begonnen!’

Kort ervoor vroeg het conservatorium Koek een muziektheater-masteropleiding te ontwerpen. Dat gaat hij doen, met een aantal gelijkgestemden. Maar ook: ‘Ik sta op een kruispunt: ik wil richting meer creatieve vrijheid en minder beleid. Ik ben de afgelopen tijd veel bezig geweest met centen zoeken, dat moet ook, en ik klaag niet – voor een muziektheatergezelschap krijgen we nog best wat – maar ik wil minder bestuurlijk bezig zijn. Misschien dat de spelers wat meer kunnen gaan dragen.’

‘Ook binnen de Veenfabriek denk ik dat we op een kruispunt staan, trouwens: tussen de verschillende activiteiten die we ontplooien zouden meer dwarsverbanden kunnen zijn, de voorstellingen kunnen meer aan elkaar ontlenen, de onderdelen die we hebben onder die paraplu kunnen meer in elkaar grijpen. Daar valt nog wat te winnen, denk ik. Het zou mooi zijn als we ietsje zouden kunnen uitbreiden, misschien naar tien mensen. Dat je niet gelijk echt een probleem hebt als er iemand ziek wordt.’

‘Kijk, het is een klein clubje en dat blijft het. Ik vind dat goed. Ik denk aan Dick Raaijmakers, die zei: Paul je kunt ook, als je uiteindelijk toch sterft, een koffertje vol producties hebben in plaats van een vrachtwagen. Die vrachtwagen lijkt fantastisch, maar de laadklep staat wel altijd een beetje open. Er dondertstraalt van alles uit als ie gaat rijden – en het koffertje houd je zelf vast.’

Voor dat koffertje zijn er plannen zat. De eerste grotere productie wordt De City van Martin Crimp. Op diens verzoek. De Britse toneelauteur zag zijn Haar leven haar doden bij de Veenfabriek en stuurde prompt een pakketje. ‘Met al zijn stukken, een kruiskopschroevendraaier, een gewone schroevendraaier en een tangetje. Breek ze maar open, schreef hij.’

Een grote droom is Finnegans Wake naar James Joyce, veel gekocht auteur, weinig echt gelezen. ‘Dan kunnen mensen hem in ieder geval horen. Ik wil het in drie delen doen – in één jaar. Dat moet je toch meemaken! Het mooiste boek van de wereld!’ Hij lacht. ‘Ik lig er wakker van, nu ik voor mezelf heb gezegd: ja, dat wil ik wel doen. Maar stel dat ik eruit kom, dat die tweestemmige taal van Joyce bij mij ook gaat klinken. Als ik dat voor mezelf kan waarmaken’

Over twintig jaar nog een keer die prijs? Hij grinnikt. ‘Ik denk dat het muziektheater een discipline is waarin nog heel veel te ontwikkelen valt. Zo veranderen de mogelijkheden van wat je met licht en geluid kan doen razend snel, die worden groter en groter. En wat blijft, dat zijn de oersterke verhalen.’

De inspiratiebronnen. Monteverdi. De Kandinsky’s en de Meyerholds, kunst uit het begin van de 20ste eeuw. ‘Qua tijdgenoten is er eigenlijk maar één die me steeds doet verbijsteren en dat is Heiner Goebbels; dat vind ik een grote. Marthaler is vooral een goede grapjas, en zijn overgangen zijn sterk. Maar ik voel niet dat ie de inhoud uit de muziek haalt. Wat toch zou moeten.’

Hij denkt even na, zegt: ‘Je hebt nu vanmiddag een klein stukje mee gemaakt: wij hebben het altijd eerst over tempo, over toonhoogte, over delen, we zijn vooreerst aan het componeren. Later, vanuit die voeding, komt de taal erin. Dat is dé manier van werken, voor de Veenfabriek. En die prijs, dat is een heerlijke dot slagroom, maar de taart eronder, dat zijn wij gewoon.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden