Bataven met een uitroepteken

Dat uitroepteken lijkt het enige onwetenschappelijke aan het boek van de Nijmeegse historicus Joost Rosendaal.

Waar staat het voor?

Om te beginnen natuurlijk voor het revolutionaire elan, het hervormingsverlangen, de behoefte om heel het ancien régime bij het oud vuil te zetten – voor de totale vernieuwingsdrift kortom, die in de laatste decennia van de 18de eeuw als het ware moest worden uitgeschreeuwd.

Ook in Nederland. Of misschien wel juist in Nederland. Hier zijn geen Bastilles bestormd, geen aristocraten aan de lantaren gehangen, geen koningen of zelfs maar stamhouders onder de guillotine gelegd. Maar de opstandige sentimenten waren er niet minder om, en die moesten ergens blijven. In Nederland, tijdelijk een land dat werd bewoond door 'Bataven', heeft in die jaren weinig bloed en des temeer inkt gevloeid. En wie al schrijvend zijn argumenten veel kracht wil bijzetten, heeft nou eenmaal uitroeptekens nodig.

Voor Rosendaal kwam daar misschien nog iets bij.

De geschiedschrijving van de Nederlandse revolutionairen van vóór en tijdens 'de Franse tijd' heeft heel lang in een historiografisch verdomhoekje gezeten – de betreurde Kossmann is het altijd veelbetekenend een 'flauw gerecht' blijven vinden.

Pas in de laatste twintig, dertig jaar zijn hun lotgevallen aan een zekere herwaardering toegekomen. Zulke suffe, naar Frankrijk kwispelende schoothondjes, of zelfs landverraderlijke 'collaborateurs', die overigens meer rijmden dan handelden, waren het toch ook niet geweest. Integendeel. Achteraf dienden ze te worden gerehabiliteerd als pioniers van een nieuw, democratisch tijdperk. En alleen een eenzijdig orangistische geschiedbeschouwing die het nationale onderwijs anderhalve eeuw lang heeft gedomineerd, kon de verdiende rehabilitatie tegenhouden.

Rosendaal behoort duidelijk tot de generatie van 'eerherstellers'. Je ziet hem in z'n inleiding, en in z'n notenapparaat, ook polemiseren met vertegenwoordigers van de oude geschiedschrijversschool die de late 18de en de vroege 19e eeuw nog altijd zagen door de bril van Busken Huet, voor wie het Nederland van die dagen 'eene ouwenvrouwenzamenleving' was geweest die geen enkele grote figuur had voortgebracht.

En om het tegendeel te benadrukken lanceerde Rosendaal zijn uitroepteken.

Het precieze onderwerp van zijn studie is de groep patriotten die in de vaderlandse geschiedschrijving eigenlijk nooit aan bod is gekomen. Het gaat om de mannen en vrouwen die in 1787 hun politieke ommekeer voltooid dachten te hebben, toen stadhouder Willem V de hulp van zijn Pruisische schoonvader inriep en alle oproerige illusies in een ware Oranjefurie liet smoren.

Een exodus van duizenden, misschien wel tienduizenden patriotten was het gevolg – hun maatschappelijk bestaan werd bedreigd, hun huizen waren geplunderd, hun toekomst was ze bij wijze van spreken ontnomen. Hoeveel het er precies zijn geweest is niet meer te achterhalen. Vaststaat dat een groot deel van de vluchtelingen naderhand op hangende pootjes is teruggekeerd. Vaststaat ook dat zoiets als een 'harde kern' van ongeveer vijfduizend na een tussenverblijf in Brussel – toen nog hoofdstad van de 'Oostenrijkse Nederlanden' – zich voorlopig in Frankrijkheeft gevestigd, deels in Parijs, deels in het Frans-Vlaamse St. Omer (Sint Omaars).

Vaststaat ten slotte dat ze al die jaren – de ballingschap eindigde in 1795 – onderling voortdurend in onenigheid leefden en minstens zoveel pamfletten hebben geschreven over de Goede Zaak als tegen mekaar.

Dat beeld van kijvende lotgenoten heeft hun historisch imago natuurlijk geen goed gedaan. Maar zijn broedertwisten niet kenmerkend voor politieke emigré's die, ver van huis, alleen maar kunnen dromen en ruziemaken over blauwdrukken van hoe het vaderland eruit moet zien als het eindelijk is 'bevrijd'?

Voor de gevluchte patriotten, die in Frankrijk inmiddels de 'ware' Revolutie zich hadden zien ontwikkelen in de richting van chaos en terreur, kwam het verlossende ogenblik acht jaar na hun vertrek. Er zat een luchtje aan de bevrijding: er was een Frans leger voor nodig geweest, en de 'Bataafse Republiek' van hun dromen zou een bezet land blijven, en in veel opzichten een vazalstaat van Frankrijk.

Of was 'imperialistische' hebberigheid soms niet de reden geweest waarom de revolutionaire generaal Pichegru in 1795 het land van de Oranjes veroverde?

Rosendaal zet zijn vraagtekens.

'Niet zozeer de expansiedrift van de Fransen', oppert hij, 'maar een geraffineerde politieke lobby van de vluchtelingen, die het arme Frankrijk onmetelijke rijkdom in het vooruitzicht stelden als beloning, bracht de Franse regering tot haar oorlogsverklaring. Zonder de vluchtelingen zou het langer geduurd hebben voordat Franse troepen de Republiek der Verenigde Nederlanden zouden hebben aangevallen.'

En in een noot tekent hij daar polemisch bij aan:

'In dit opzicht kan niet gesteld worden, zoals Kossmann doet, dat de vluchtelingen 'never exercised very much influence on the course of events'.

Het kan. Maar je kunt ook twijfelen aan de theorie.

Bij alle onderlinge onenigheid hebben de Nederlandse vluchtelingen inderdaad – soms per factie, soms in saamhorigheid – geprobeerd hun Franse gastheren aan te zetten tot een oorlog tegen de gehate stadhouder. Maar ook zonder zulke influisteringen waren de post-revolutionaire geesten in Parijs al snel rijp voor kruistochtachtige missies om hun heilsboodschap te exporteren. De eerste 'revolutie'-oorlog tegen Oostenrijk, Pruisen, Engeland en Nederland is nota bene nog net door koning Lodewijk XVI verklaard – men zegt in de hoop dat Frankrijk 'm zou verliezen.

Raar genoeg bovendien komen de Parijse 'lobby's' van de patriotten in Rosendaals zeer gedetailleerde reconstructie van hun doen en laten ook maar heel schaars aan de orde. Nou verliepen zulke demarches natuurlijk per definitie in de nodige geheimzinnigheid, en zoals het boek heel helder aangeeft werden de missies door wisselende belanghebbenden ondernomen: afhankelijk van wie in de roerige najaren van 1789 in Parijs de lakens uitdeelden.

De ene keer hadden de Nederlandse 'aristocraten' de beste kansen, een jaar of soms maar een paar maanden later konden die beter thuisblijven en het speelveld aan de Nederlandse 'democraten' overlaten. En communiceren deden de partijen niet of nauwelijks – tenzij in de vorm van scheldverzen en met veel uitroepekens gelardeerde schandschriften.

Ook Roosendaal is er niet in geslaagd van de ballingen een 'heldenras' te maken – zo hij dat al zou hebben geambieerd. Maar alleen al het feit dat hij ze, letterlijk vanonder veel stof vandaan, geloofwaardig tot leven heeft gebracht is, dunkt me, een uitroepteken waard.

Joost Rosendaal: Bataven! - Nederlandse vluchtelingen in Frankrijk, 1787 - 1795.
vantilt; 735 pagina¿s; euro 39,90.
ISBN 90 77503 06 4.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden