Bastion aan Samber en Maas

Slaperig provincienest aan de rand van de Ardennen? Namen mag trots op dat imago zijn. Twee wereldoorlogen en overijverige projectontwikkelaars kregen geen greep op de hoofdstad van Wallonië....

Bart Dirks

Namen blijft vanochtend gevangen in grijze nevelen. Wolken en mistflarden stijgen op tegen de steile vestingmuren van de citadel aan de rand van het stadshart. Het maakt de stevige klim naar het middeleeuwse fort des te lonender, want slechts stap voor stap geeft het bastion zijn geheimen prijs. Verder waagt geen mens zich over de glibberige treden; een in zijn kraag weggedoken man maakt rechtsomkeert zodra zijn twee hondjes hun behoeften hebben gedaan in het gras.

Beneden vervagen de kleuren en verwaait het geluid van het stadsverkeer. Alleen een okerrood gebouw aan de voet van de rotsachtige heuvel blijft in het oog springen. Het is het Grand Hôpital Saint-Gilles, dat sinds 1229 armen, zieken en pelgrims heeft onthaald. Het huidige gebouw, in barok- en Louis XIII-stijl, dateert uit 1667-1723. Zieken kunnen niet meer in het armenhuis terecht; sinds enkele jaren zetelt hier het Waals Parlement.

Verder gaat de klim. De herkomst van klokgebeier is niet vast te stellen – een handvol kerktorens doemt op in de grijze nevel. Misschien is het de barokke Saint Loup-kerk, die de Franse dichter Charles Baudelaire beschreef als een ‘duister, elegant wonder... het binnenwerk van een katafalk, bestikt met zwart, roze en zilver’.

In de diepte cirkelen meeuwen krijsend rond een rijnaak, die vanaf de brede rivier een kleine stroom is ingeslagen. Het is geen zijarm, maar de uit Charleroi afkomstige Samber, die zich aan de voet van de citadel bij de uit Dinant afkomstige Maas voegt.

Bij deze zogeheten confluent staat een plomp ruiterbeeld van koning Albert. De grootvader van de vorige en de huidige koning, Boudewijn en Albert II, kijkt met een soldatenhelm over het hoofd uit naar het water dat verder meandert naar Huy, Luik en Maastricht.

Een veel beter uizicht zou de monarch honderd meter hoger hebben gehad. Controle over Samber en Maas is de reden waarom 23 graven zich vanaf de 13de eeuw tot 1429 vestigden op deze steile landtong. In de volgende eeuwen zouden Spanjaarden, Oostenrijkers, Fransen en Hollanders om beurten de strategische vesting belegeren én uitbreiden. Er kwam een ring van negen forten rond de stad, die begin 19de eeuw bijna 20 duizend inwoners telde.

Twee eeuwen later en nog eens 86 duizend inwoners erbij moet Namen genoegen nemen met zijn imago van slaperig provincienest aan de rand van de Ardennen. De citadel, waar tot 1977 nog paracommando’s zijn gelegerd, heeft een louter toeristische functie gekregen.

Het voetpad sluit nu aan op een brede klinkerweg. Een touringcar verstoort de illusie echt in de Middeleeuwen te zijn verzeild geraakt. Behoedzaam neemt de bus twee haarspeldbochten, rijdt vervolgens onder een hoge boogbrug en manoeuvreert even later over deze Pont des Hollandais. Goddank staan de toeristentreintjes in de winter wel ergens te wachten op het hoogseizoen, net als beneden de rondvaartboten. Toeristen worden een beetje aan hun lot overgelaten – des te beter.

Eenmaal boven blijkt ‘boven’ een relatief begrip. De heuvelrug loopt voorbij de uitgebreide vestingwerken nog verder door. Verspreid liggen een stuk of vijf restaurants en een archeologisch museum, in de 19de eeuwse militaire duiventil is het parfumerie-atelier Guy Delforge gevestigd. Weer iets hoger ligt het Stade des Jeux; een merkwaardig langgerekt bouwsel met brede trappen en een soort exercitieplaats. Nog iets hoger ligt een protserig kasteel dat dienst doet als chic hotel-restaurant en het attractiepark Koningin Fabiola en het bosmuseum.

De horecagelegenheden zijn geopend, maar een bezoek aan de kazematten, catacomben en kruitmagazijnen is in het laagseizoen slechts beperkt mogelijk. Dat geeft het perfecte excuus om verder te dwalen over de immense citadel waarvan Julius Ceasar de strategische ligging al had ingezien.

Die heroïsche tijden zijn lang vervlogen. Sinds 1980 is Namen weliswaar officieel de hoofdstad van Wallonië, al ligt het feitelijke politieke zwaartepunt nog altijd in Charleroi, Luik en zelfs het veel kleinere Mons (Bergen).

Voor de bezoeker is de bedenkelijke kwalificatie ‘provinciaals’ echter een aanbeveling. Temeer daar de stad drie eigentijdse bedreigingen bespaard zijn gebleven. De industriële revolutie, waar Waalse steden als Luik en Charleroi grove littekens aan hebben overgehouden, ging geruisloos aan Namen voorbij. Samber en Maas mogen het Waalse succesverhaal van kolen en staal mogelijk hebben gemaakt, uitgerekend rond de stad waar ze samenvloeien, zijn koeltorens noch kolenbergen.

De twee wereldoorlogen hielden hier ook minder verwoestend huis, al was het verzet in 1914 tegen de Duitsers zo fel dat de Franse maarschalk Joffre extra tijd kreeg om zich met succes voor te bereiden op de slag bij de Marne.

En als door een godswonder wist Namen zelfs de overijverige Belgische projectontwikkelaars op afstand te houden. Anders dan in veel andere Belgische steden zijn in Namen niet lukraak talloze historische panden gesloopt en vervangen door foeilelijke kantoren en appartementen.

Slechts de Inno, zeg maar de Belgische Bijenkorf, verpest met zijn grijze steenpuist de Place d’Armes; het ernaast gelegen Beursgebouw wordt er danig door ontsierd. Gelukkig hebben de meeste andere pleintjes en steegjes in het historische hart van Namen hun charmes behouden. Niet alleen hoog boven op de citadel, maar ook beneden in steegjes en pleintjes als de Rue Fumal en de Place du Marché-aux-Légumes, krijgt de tijd nog geen greep.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden