Basta met de folklore

Het toneelstuk Cani di bancata van de Italiaanse schrijfster/regisseuse Emma Dante gaat over de maffia. De kern van het stuk is eigenlijk een waarschuwing: de maffia is bezig zich van binnenuit te hervormen. 'Ik schrijf over wat ik zie en hoor.'

In het duister zitten acht mannen, op hun knieën. Tussen hen in een vrouw; zij is nog het best zichtbaar. Ze heeft een woest uiterlijk, met bloed rond haar mond – een muil haast, waarmee ze zojuist iets in stukken lijkt te hebben gereten. Het geheel ziet er onrustbarend uit. Dan blijken ook de mannen bebloed, want op enig moment vegen ze in één synchrone beweging hun gezicht af aan een stuk papier, dat ze vervolgens in brand steken, onder monotoon gemompel van een spreuk.

Volgens overlevering luidt die aldus: ‘Mag mijn vlees branden als deze heilige als ik faal mij te houden aan mijn eed.’ Het kan niet meer missen: hier vindt een initiatierite plaats, hier treedt iemand, na te zijn onderworpen aan allerlei ontberingen, toe tot een geheim genootschap. Tot een nieuwe familie. Specifieker, in dit geval: tot de Cosa Nostra, de Siciliaanse maffia. Niet dat dat begrip ooit valt. Betrokkenen hoeven het niet te benoemen.

Kijkend naar Cani di bancata, duurt het niettemin even voor duidelijk wordt wat er nu precies gaande is. Emma Dante (Palermo, 1967), schrijfster en regisseuse van het stuk dat komende week in het Holland Festival is te zien, speelt met de riten, de tradities, de gebruiken, de clichés. Kerels die toch doorgaan voor gevaarlijke macho’s met losse handen en geladen wapens, hebben bij haar sullige, vrolijk gekleurde flaphoeden op hun kop en kwispelen als de honden uit de titel, die misschien het best vertaald is met ‘straathonden’; beesten die niettemin ieder moment kunnen uithalen, in de overlevingsdrang die hun eigen is.

Cani di bancata gaat over de maffia en is een aanklacht, een oproep tot opmerkzaamheid en een monument voor hen die vielen tegelijk, maar bij Dante vind je geen fel realistisch verhaal. Metaforisch, symbolisch, ontregelend, sterk fysiek theater, dat wel, geworteld in Sicilië en in stevig dialect, van haar eerste, mPalermu, tot en met dit Cani, de zevende en laatste die ze maakte sinds de oprichting van haar groep Sud Costa Occidentale in 1999.

‘De harde realiteit bevindt zich in de context’, zegt ze. ‘Maar zelfs Italië vindt dit stuk niet heel makkelijk te begrijpen.’ Met een lachje: ‘En Italië weet heel goed wat maffia is.’ Het heeft deels ook te maken met dat dialect dat gewoonweg moeilijk te verstaan is, de taal van de straat, van de stad waar Dante werd geboren. Palermo, dat ‘openluchttheater’ en de context van al haar stukken, die zich sinds enige tijd mogen verheugen in de enthousiaste aandacht van het Europese theatercircuit.

‘De Italiaanse openbaring’, kopte de Franse Le Monde naar aanleiding van de opvoeringen van Vita Mia en Mischelle di Sant’Oliva deze maand in Parijs. Eerder dit jaar al maakte diezelfde krant lovend gewag van Cani di bancata: ‘mooi en gewelddadig, kleurrijk en gevaarlijk’. De regisseuse zelf werd omschreven als een ‘femme-volcan’.

Dat laatste valt nog wel een beetje mee, als Dante verschijnt voor een gesprek in het Théâtre du Rond Point, vlak aan de Champs Elysées in Parijs. Ze is niet groot, donker, en oogt vooral bedachtzaam. De laatste maanden zijn hectisch geweest, met alle uitnodigingen: in Italië zelf, in Rouen en Parijs, in Rijeka, zo direct Amsterdam, dan Turijn weer, en later Finland en Portugal.

Een verklaring voor het plotselinge succes heeft ze niet paraat. Het feit dat veel van haar verhalen gaan over het instituut familie, oppert ze. ‘Een benauwend instituut. Een schijnbaar veilige haven die feitelijk een gevangenis is; een fenomeen dat een wirwar aan associaties oproept – met diabolische trekjes zelfs – maar altijd herkenbaar is, universeel en theatraal.

‘Misschien is het ook omdat ik schrijf over wat ik hoor en zie. Niet dat ik een documentaire benadering heb, nooit. Maar wat er om me heen gebeurt, heeft simpelweg altijd een grote invloed op wat ik doe. Daarom zou ik nooit teksten van anderen kunnen ensceneren. Ik word gevoed door mijn omgeving, door de straat. Ik wil midden in het leven staan en werken in deze, huidige tijd. Mijn tijd.’

Cani di bancata neemt binnen haar oeuvre een enigszins geïsoleerde plek in, zegt ze. ‘Omdat het zo specifiek gaat over dat fenomeen: de maffia. Mijn andere stukken dragen de maffiacultúúr in zich – dat wel, allemaal. Ik ben opgegroeid in die cultuur, het is een onlosmakelijk deel van de Siciliaanse traditie. Maar die cultuur kun je niet gelijkstellen aan het instituut, aan de organisatie. Dat onderscheid moet je maken.’

‘Ik probeer de werkelijkheid niet te imiteren, maar te interpreteren’, zegt ze. Cani di bancata zit vol metaforen, verwijzingen, geintjes – maar er stijgt onmiskenbaar een grimmige sfeer uit op. De kern van het stuk is eigenlijk een waarschuwing: de maffia is bezig zich van binnenuit te hervormen. ‘Dat is een feit; dat is deels al gebeurd.’ Haar oude werkwijzen moeten op de schop, die zijn achterhaald; om haar greep op de samenleving te versterken moet het systeem aangepast. Wat we zien in het stuk: een soort moederfiguur (Mammasantissima, de maffia) die haar zoons een nieuwe aanpak toont, een aanpak die maakt dat haar tentakels nog verder zullen strekken, die zorgt dat ze zich nog sterker in de samenleving zal verankeren, die zorgt dat ze nog onzichtbaarder zal zijn – een aanpak waardoor de maffia ongemerkt zal samen gaan vallen met de staat, de staat wórdt.

Oude maffia-tradities moeten daartoe worden uitgebannen. Basta met de folklore: geen rare bijnamen meer, weg met vaste regels aangaande de hiërarchie binnen het systeem, stoppen met het machogedoe. Onder je eigen naam naar buiten treden, allen vanuit eenzelfde uitgangspositie; iedereen moet zorgen dat ie een goede opleiding krijgt en aldus binnendringt in de regering, de advocatuur, de gezondheidszorg, de maatschappij. Mamma Santissima lost als het ware op aan het einde van het stuk en schrijft met grote letters op de lichamen van haar zoons: ‘Ik vertrouw Italië aan jullie toe’.

‘Wie kan, moet iets doen om te vertellen dat deze kanker onverminderd voortwoekert’, zegt Dante. Gevaarlijk? Ze haalt haar schouders op. Roberto Saviano, Napolitaans onderzoeksjournalist, moest laatstelijk onderduiken nadat hij een boek over de praktijken van de Camorra had geschreven. ‘Het theater jaagt geen angst aan’, zegt ze. ‘Andere communicatiekanalen veel meer. Maar ik voelde heel sterk dat ik dit stuk moest maken. Minstens anderhalve eeuw al vallen er slachtoffers onder hen die de maffia bestrijden. Mensen die hun leven gaven voor de uitroeiing van dit afschuwelijke fenomeen, dat ondanks hun dood nog steeds bestaat. Ik wil laten weten dat zij niet voor niets zijn gestorven.’

Pauzeert even, zegt met een lachje: ‘Ik moest er wel een enorme studie van maken. Ik mag dan Siciliaanse zijn, ik ben nog geen maffioos. Reglementen, riten, geheime gewoonten, het was allemaal nieuw voor mij’. Nieuw en ook weer schokkend. Ze kan zich eraan ergeren, hoe er met dank aan de filmindustrie en exponenten als Scorsese en Coppola een glamourous laagje over het begrip is komen te liggen. Zoals ook Saviano schrijft: ‘. . . men (gaat) in deze gebieden uit moorden en men laat zich vermoorden met in het hoofd Scarface, Quei Bravi Ragazzi, Donnie Brasco en Il Padrino.’

Zelfs La Piovra, de fameuze Italiaanse maffiaserie die in de jaren tachtig heel Italië in haar greep had en die de makers een aantal keren op een waarschuwing uit het circuit kwam te staan, doet Dante met een zucht af als veel te geromantiseerd, gesimplificeerd ook. ‘De maffia is een enorm complex fenomeen.’ Leonarda Sciascia, de Siciliaanse romanschrijver, ja, die komt in de buurt, die zou ze een bron van inspiratie willen noemen. Sicilië is een metafoor voor de moderne wereld, zei hij ooit. ‘Sciascia was een groot expert.’

Dante las vooral rapporten van spijtoptanten. ‘De pentiti. Sinds Falcone hebben we via deze lieden echt een kijkje achter de schermen kunnen nemen’, zegt ze verwijzend naar de vermoorde magistraat die pakweg tien, vijftien jaar terug succes boekte in de strijd tegen de maffia. En ze las Cosa Nostra van de Britse expert John Dickie. ‘Hij maakt een scherp onderscheid tussen de maffiacultuur en de maffia zoals wij die nooit kenden, en dat is belangrijk voor een goed begrip, voor het bijstellen van vooroordelen. Nogmaals, met de maffia–cultuur ben ik zelf opgegroeid. Dat is een complex van gedragsregels: van machismo, voortrekkerij, kruiwagenpolitiek, bescherming en racketeering ook wel – het hoeft niet eens per definitie illegaal te zijn allemaal. Wanneer je tot een familie behoort, zul je meer bescherming genieten dan wanneer je er niet toe hoort. Het is een cultuur waarin het ‘mijn’ altijd gaat boven het ‘dijn’, waarin het algemeen belang niet bestaat. De stad is een externe zaak, waar het om draait, is je eigen huis. Wat zal je een vuilnisbak opzoeken als je de rotzooi gewoon op straat kunt kwakken. Als Siciliaanse leef ik de godganse dag in één grote bende. Maar van tijd tot tijd draai ik mijn hoofd om, en zie ik een adembenemend... stuk architectuur, bijvoorbeeld. En dan is alles vergeten en vergeven.’

Dat was niet altijd zo. Toen Emma Dante twintig was, moest en zou ze weg, actrice worden, Sicilië achter zich laten. ‘Ik kwam niet uit een kunstzinnig milieu. We gingen nooit naar het theater. Maar het had een grote aantrekkingskracht op mij. En Sicilië was me veel te benauwd aan het worden. Mijn moeder steunde me erin, zij zette me op de trein en zei: zoek jij je eigen weg. Pas toen ze stierf, heb ik die gevonden.’

Dante doorliep L’Accademia d’arte drammatica Silvio d’Amico in Rome, en werkte bij verscheidene groepen als actrice, voornamelijk in komische rollen. ‘Ik had geen idee wat ik precies wilde. Ik leefde maar aan, leerde een hoop mensen kennen en nam veel verkeerde beslissingen. Ik zat er niet per se mee, maar ik was toch wel steeds zoekende. Uiteindelijk kwam ik thuis in Palermo en realiseerde me dat ik mijn weg had gevonden. Niet met weggaan, maar met het terugkomen. Hier vind ik mijn inspiratie, hier vind ik een theatertaal waarmee ik iets kan toevoegen.’ De critici zijn dat grotendeels met haar eens; Dantes werk is met regelmaat gelauwerd.

Elf jaar was ze weggeweest, het was inmiddels 1999. ‘Mijn moeder was stervende, het was een moeilijke periode in mijn leven, ik zat in een neerwaartse spiraal. Ik handelde uit een soort innerlijke razernij, toen ik besloot in Palermo een groot theaterlaboratorium op te zetten, een workshop zeg maar. Ik plaatste een advertentie, en er kwam een heel grote groep jonge werklozen op af. In de eerste week was die groep gehalveerd, in de tweede week viel de helft van de helft af, de derde week waren er nog drie over.’

Dat was het begin van Sud Costa Occidentale. Inmiddels zijn er tien acteurs. Dante ontwikkelde zich tot schrijfster/regisseuse en ontving prompt de Premio Scenario 2001 voor mPalermu, eersteling en onderdeel van een drieluik over Palermo, naast Vita Mia, dat nu het Parijse Théâtre du Rond Point haalde. Ze is steeds nog geneigd mee te reizen – in Amsterdam geeft ze ook nog een masterclass voor studenten – maar komend seizoen stuurt ze de acteurs en de stukken alleen op pad. ‘Na pakweg zeven jaar lang elk jaar een stuk is het even op. Troppo stress. Ik wil even mijn hoofd leegmaken.’ Ze heeft besloten twee jaar lang andere dingen te gaan doen dan theatermaken. Als dat lukt, dan. In elk geval trouwen, straks in juli. En een roman schrijven. Even pas op de plaats maken. In Palermo. Waar anders.

Cani di bancata is 20, 21 en 22 juni in het kader van het Holland Festival te zien in Theater Bellevue, Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden