Avignon is hard voor Kasimir

Voor het eerst stond een deels Nederlands stuk in Avignon op de Cour d’Honneur. ‘Ik schijt erop!’

‘Het is een harde plek, dat wist ik. Maar hier ben ik toch van geschrokken. Ik had het publiek poëtischer verwacht. Het doet je wat, daar ga ik niet stoer over doen. Je wilt al die mensen meenemen in je voorstelling. We zijn acteurs, geen dinosauriërs of gladiatoren.’

Het is zaterdagochtend in zonnig Avignon en van acteur Wim Opbrouck straalt nog steeds een zekere ontzetting af. Twee dagen eerder onderging Kasimir en Karoline, geëngageerd muziektheater van Johan Simons en Paul Koek, zijn vuurdoop op de Cour d’Honneur, de monumentale binnenplaats van het pauselijk paleis. Nooit eerder had een deels Nederlandse productie (van de Veenfabriek uit Leiden en NTGent) op het heiligste der heiligen van het westerse theater gestaan. De acteurs leverden een huzarenstukje: ze studeerden hun tekst – ‘ta gueule pauv’ con’ – ook in het Frans in. Avignon was iets om naar uit te kijken.

Hoe anders pakt het uit. Bij de eerste voorstelling wordt het al snel onrustig op de tribunes, waar tweeduizend toeschouwers zitten samengepakt. Niet lang daarna staan de eerste ontevredenen op om met veel kabaal de houten trappen af te stommelen. Weer later roept een vertrekker luid: ‘Dit is waardeloos, ik schijt erop!’

Even valt de hele voorstelling stil. Een angstig moment, dat wordt doorbroken als Opbrouck (die Kasimir speelt) ‘continuez!’ roept. Dat kleermaker Schürzinger vervolgens ‘quelle belle soir’ee’ (wat een mooie avond) als eerste tekst heeft, is keepersgeluk. Het levert de acteurs een open doekje op van de zittenblijvers.

‘Daarna is het alsof er overal snipers zitten die elk moment kunnen toeslaan’, huivert Opbrouck. ‘Ik speel vaak accordeon in cafés. Is het rumoerig, dan speel je harder of verander je van repertoire. Met teksttheater ben je machteloos. Je voelt elke ademtocht van het publiek, maar kunt niet reageren. Wij maken geen actietheater, we spelen vanuit onze kinderlijke ziel.’

De volgende dag was festivaldirecteur Vincent Baudriller gekomen om de acteurs een hart onder de riem te steken. Trek het je niet aan, had hij gezegd. Het is een spel, vergeet niet dat 1.900 bezoekers blijven zitten. Probeer te genieten. ‘Heel tof dat hij er was’, vindt Opbrouck, die ’s ochtends een brief onder zijn hotelkamerdeur vond. ‘We hebben jullie spel zeer gewaardeerd’, schreef een anonieme Franse toeschouwer. ‘Dat enkele bezoekers meenden luid te moeten protesteren, heeft ons zeer gestoord.’

Ook de tweede avond verlaten zo’ n honderd bezoekers voortijdig de Cour d’Honneur. Maar op twee dames na die ‘zo is het genoeg’ mompelen als rechter Speer de broek laat zakken, voltrekt de exodus zich in betrekkelijke rust. Na afloop klinkt hier en daar een voorzichtig ‘bravo’.

Componist Paul Koek, met Johan Simons bedenker van de voorstelling, is geneigd de positieve kant te beklemtonen. ‘In Nederland bekruipt me steeds meer het gevoel dat podiumkunst er niet toe doet. Rosékunst noem ik dat. Hier krijg je echte reacties. Theater is belangrijk, dat voel je.’

Hoe belangrijk blijkt als minstens 150 belangstellenden naar de nabespreking komen, onder een immense luifel van de kunstacademie van Avignon. Koek en vrijwel alle spelers zitten paraat. Alleen regisseur Johan Simons ontbreekt, tot verdriet van de spelers. Hij is naar Duitsland voor overleg met zijn volgende werkgever, de Münchner Kammerspiele.

Ook nu zijn de reacties zeer verdeeld. Een heer prijst Oskar van Rompay (Schürzinger) voor zijn fantastische motoriek, ook voor de muziek zijn er complimenten. Kritiek is er op de Franse vertaling, die de tekst van Ödön von Horvath uit 1932 geen recht zou doen. Vragen over het microfoongebruik en over het decor volgen. ‘Waarom niet bij het reuzenrad op de kermis aan de Rhône gespeeld?’ Er zijn er zelfs die de voorstelling liever in het Nederlands hadden gehoord.

Een man staat op. ‘Wat willen jullie eigenlijk met theater’, zegt hij op felle toon. Met gebaren onderstreept hij zijn diepe woede over wat hier Kasimir en Karoline is aangedaan, de theaterwetten van Stanislavski als getuige oproepend. Opbrouck pareert hem in zijn beste Frans: ‘Theater kent geen vaste wetten. Wij zoeken graag de grens op van wat acceptabel is.’

Op het grasveld voor de met hekken beveiligde kunstacademie heeft sinds kort een goudglanzend beeld van Jan Fabre asiel gevonden. Ook Fabre zorgt met zijn voorstellingen vaak voor tumult. Dat beeld, De man die huilt en die lacht, stond aanvankelijk op een pleintje in de stad. Daar werd het gemaltraiteerd: de handen afgezaagd, een zak over het hoofd getrokken.

Kunst leeft in Avignon.

Casimir ent Caroline in Avginon, met Els Dottermans en Wim Opbrouck. (AFP)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden