Autobiografie van een krantenuitgeefster

Cécile Narinx schrijft haar Amerikaanse heldin Katharine Graham

Beeld NYT

Vergeef me de vrijpostigheid dat ik je Kay noem, maar ik heb begrepen dat je zo werd genoemd door intimi. Na 28 hoofdstukken lang bij je te zijn geweest, voel ik me ook een vertrouweling, absoluut. Alsof je me dagenlang hebt verteld over je leven. Alsof ik telkens weer op bezoek ging bij mijn dierbare bomma die welbespraakt terugblikte op een waanzinnig spannend leven. Natuurlijk, ik ben je kleinkind niet, maar ik voel me een klein kind als ik je hoor vertellen. Niet in de negatieve zin van het woord. Niet gekleineerd, wel geïmponeerd en geïnspireerd. Alsof alles nog moet beginnen en ik met mijn 44 jaar nog maar aan de meet sta van wat er nog komen gaat qua groots en meeslepend.

Geïmponeerd was ik sowieso al, voor ik je autobiografie las. 'De machtigste vrouw ter wereld' ben je genoemd, iemand die haar rug recht hield tijdens de Watergate-affaire en slepende drukkersstakingen. Pulitzerprijswinnares bovendien. Een journalistiek icoon.

Nu is de journalistiek ook mijn stiel, maar ik ben bepaald geen uitgever, chairwoman en ceo van The Washington Post Company met honderden werknemers, zoals jij was. Ik ben slechts hoofdredacteur van een damesperiodiek met een kleine rompredactie. Twee boekjes op mijn naam, af en toe een stukje in de krant, nu en dan een praatje op tv. Een gezin met twee pubers thuis, en qua betaald personeel alleen een dinsdagse poetsvrouw. Ik vond altijd dat ik het loeidruk had en moest heksen - totdat ik jouw boek las. Druk is niet: fulltime werken, beetje bijbeunen en moederen in de late avonden en weekeinden. Druk is wat jij doodgemoedereerd deed: op je 46ste zonder leidinggevende ervaring en totaal onvoorbereid een groot familiebedrijf runnen met vier opgroeiende kinderen thuis. Zonder man, omdat die zich na een lange depressie en een affaire met een jonge blom een kogel door het hoofd joeg in de badkamer. Waar jij hem vond.

Uit je boek begreep ik dat je het maar gewoon dééd, om het bedrijf ooit aan je kinderen te kunnen overdragen. Je was doodnerveus: je wist niet wat je moest doen, je wist niet wat je moest zeggen, niet eens wat je moest aantrekken. Goddank trof je Truman Capote en zijn zwerm societyzwanen, die je de weg wezen naar dure ontwerpers en knappe kappers. Waarna je met een kloeke doos vol voorgeföhnd fophaar op zakenreis ging.

Wat ik een verademing vind: je deed je niet beter of sterker voor dan je was, vroeg hulp waar nodig, zoals van Warren Buffett, die zei: 'We're not going to teach you how to keep your knees from knocking. All we're going to do is teach you to talk while your knees knock.' En zo leerde je al doende, met veel vallen en lachend weer opstaan. Geruststellend om te lezen dat jij het vaak óók niet wist. Ik heb dat een man nooit horen toegeven.

Die verlammende onzekerheid werd je pijnlijk genoeg ingegeven door een man en een moeder die je voortdurend klein hielden. O, die knettergekke moeder van je, met haar Thomas Mann-verering en haar niet te stuiten drang om de wereld te smoren in speeches en ingezonden brieven. Briljant was ze wel, haar tijd ver vooruit bovendien, en als ze niet zo ridicuul en snoeihard was geweest, had ook zij me een piekfijn rolmodel voor ambitieuze vrouwen geleken.

Jij realiseerde je maar half dat je vaak de eerste en enige vrouw op een bepaalde plek was. Je kwam aanvankelijk niet eens op voor vrouwen en had amper oor voor feministische geluiden. Ik neem het je niet kwalijk, je had het druk zat, en soms moet je egoïstisch zijn om te kunnen overleven. Maar het is zo wáár wat Nora Ephron schreef over je boek: dat jouw reis van dochter naar echtgenote naar weduwe naar zelfstandige vrouw een perfecte parallel is van de vrouwengeschiedenis van de afgelopen eeuw.


Wat ik herkenbaar vond: dat hoe hoger je steeg in rang, hoe ontluisterender het uitzicht werd. En dat je een joekel van een schuldgevoel had ten opzichte van je kinderen. Dat gaat nooit over, weet ik uit ervaring, en sterker nog: zodra je tijd met je kinderen doorbrengt, steekt er weer een nieuw schuldgevoel de kop op, ten opzichte van je collega's. Ook typisch vrouwelijk gok ik, want ook daar heb ik geen vent ooit over horen kwezelen.

Ik heb gesmuld van je verhalen over je jeugd in overdadige weelde, je kostschooljaren en de romance met je grote liefde Phil. De passages over de Kennedy's, Johnsons en Kissingers heb ik met rode oren gelezen. Aan het eind van je boek leg je uit waarom je het een goed idee vindt dat journalisten vriendschappelijk met politici omgaan. Lijkt me lastig, net zoals het me een slecht idee lijkt om boezemvrienden te worden met je vakbroeders en ondergeschikten, zoals jij deed. 'Friends of convenience', zoals jij ze noemt.

Wat ik wel graag wil navolgen: je gewoonte om hartgrondige brieven te schrijven aan dierbaren, collega's en zelfs aan vijanden. Aan de vele fragmenten die voorbijkomen in je boek lees ik eens te meer af hoe slim je was, hoe grappig, origineel en eloquent. Woorden als discombobulated, regurgitating en pummeled kent zelfs het woordenboek van mijn e-reader niet.

Ik ontdekte ook hoe hartverscheurend lief je was, vandaar dat ik het me permitteer om je lieve Kay te noemen. En om niet gewoon een stukje óver, maar een brief áán jou te schrijven. Zodat je weet, waar dan ook en hoe dan ook, dat je dan misschien wel dood en begraven bent, maar van je lang zal ze leven niet vergeten.

Dank je wel voor je boek,

Cécile Narinx

Beeld WireImage
Beeld © Catherine Karnow/Corbis
Beeld Veronique Smedts000
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.