‘Auschwitz is rijp voor clichématige gevoelens’

Daniel Mendelsohn wilde het lot achterhalen van zes familieleden die verdwenen in de vernietigingsmachinerie van het Derde Rijk. Zijn boek werd een mengeling van hun levensgeschiedenis, de levensverhalen van de overlevenden en een verslag van zijn zoektocht....

Omdat Daniel Mendelsohn (1960) zelf literatuurcriticus is, kent hij iedere strategie waarmee een interviewer hem in een vraaggesprek tegemoet treedt. Geen poging tot duiding van zijn onderneming, de zoektocht naar zes van zijn familieleden die tot de zes miljoen slachtoffers van de holocaust behoorden, of hij heeft haar zelf al eens ondernomen of ten minste overwogen en afgekeurd.

‘Over de holocaust kun je niet naïef schrijven’, zegt hij, ‘want wij weten er eenvoudigweg te veel van. Nooit meer kun je je verplaatsen naar de wereld waarin de slachtoffers leefden, naar die andere tijd, die andere omstandigheden, dat andere perspectief. Wij weten zo veel meer dan zij. Maar dat geldt ook voor lezers, ook die hebben een hoofd vol beelden en verhalen.’

Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de schrijver: kan hij nog iets toevoegen aan wat zijn lezers al weten? Mendelsohn wilde het lot achterhalen van zijn oud-oom Schmiel en diens gezin, vrouw en vier dochters, alle zes verdwenen in de vernietigingsmachinerie van het Derde Rijk. Maar wat viel er te reconstrueren van hun lotgevallen en wat was de betekenis daarvan voor hun bloedverwanten die de Tweede Wereldoorlog wél overleefd hadden? In zijn boek Verloren – Op zoek naar zes van de zes miljoen verweeft Mendelsohn de levensgeschiedenissen van de broer van zijn grootvader van moederszijde en diens gezin met de levensverhalen van de overlevenden. Zijn boek is tegelijkertijd een kroniek van de gebeurtenissen van destijds en een verslag van de wijze waarop hij die achterhaalde, de film en the making of ineen.

‘Wie nu nog over de holocaust schrijft, moet tussen twee klippen door zien te navigeren’, zegt Mendelsohn, ‘die van de sentimentaliteit en die van het cynisme. De tijd van de ooggetuigen is voorbij, zelfs de feitelijke geschiedschrijving van de gebeurtenissen ligt al ver achter ons. De overgeleverde verhalen zijn ten prooi aan de sentimentaliteit van het publiek – en de reactie daarop is een cynische: dat weten wij nu wel. Vooral in de Verenigde Staten moet je uitkijken met die eerste reactie, want wij leven in een door en door sentimentele cultuur. Het is de cultuur van de wenskaarten, de geprefabriceerde emoties, de voorverpakte uitdrukkingen van medeleven.

‘Maar emoties moeten echt zijn, zeker als je over dit onderwerp schrijft. Het spreekt vanzelf dat er tijdens mijn onderzoek talloze momenten waren waarop ik in tranen uitbarstte; mijn boek begint zelfs met de tranen die ik, als kind, zag opwellen wanneer oudere mensen op familiebijeenkomsten ineens begonnen te snikken. Als ik in brieven uit die tijd het wanhopige verwijt lees dat niemand iets deed om de ondergang te voorkomen, als ik getuige ben van de paniek van die mensen, dan krijg ik het vanzelfsprekend ook te kwaad. Daarom moet je voor jezelf de polen vaststellen waartussen je wilt vertoeven om comfortabel te kunnen blijven werken: geen cynisme, maar waakzaamheid, dat wil zeggen dat je je er telkens rekenschap van moet geven waar de grens ligt die je niet overschrijden kunt. Ook in je voorstellingsvermogen moet je een zekere preutsheid in acht nemen.

‘Dat is noodzakelijk, omdat je eigen sentimentaliteit onbedwingbaar is. En die zekerheid resulteert weer in een aanhoudend zelfbewustzijn, een zelfbewustzijn dat je emoties in de weg gaat zitten. Als ik in het boek verslag doe van mijn bezoek aan Auschwitz, dan vertel ik over de voortdurende angst daar de verkeerde emoties te hebben of helemaal geen. Auschwitz is immers inmiddels een toeristische attractie, schoon en geordend, klaar om op bestelling de clichématige gevoelens op te wekken.

‘Maar je hébt emoties – en dat betekent dat je soms moet toegeven emoties te hebben die je helemaal niet hebben wilt. Ik denk dat lezers dat zullen herkennen, dat ik Auschwitz niet vond wat ik er zocht. De polen die je voor jezelf moet benoemen, zijn die van strengheid en emotionaliteit.’

Mendelsohns oud-oom Schmiel was de oudste van een gezin van zeven kinderen, dat in het Galicische dorp Bolechow leefde. Om beurten vertrokken de leden van dat gezin in het tijdperk tussen de beide wereldoorlogen naar de Verenigde Staten, maar Schmiel keerde na een jaar al terug. Zijn toekomst lag, dacht hij, in het moederland. Dat heeft hij met een gruwelijk levenseinde moeten bekopen, en met hem zijn vrouw en zijn dochters.

‘Het ging mij erom na te gaan hoe verhalen ontstaan’, vertelt Mendelsohn, ‘hoe ze gevormd worden. Toen in 1980 mijn grootvader stierf, vonden wij in zijn portefeuille enkele brieven van zijn broer, brieven geschreven in de periode van juist voor en aan het begin van de oorlog. Die heeft hij zijn hele leven op zijn lichaam gedragen. Veel te laat om er hem nog naar te kunnen vragen drong tot mij door hoe overweldigend het schuldgevoel moet zijn geweest dat hij bij zich droeg, want die brieven waren smeekbeden om hulp. Die hulp is niet gekomen en misschien wel tot op zekere hoogte niet gegeven.

‘Mijn grootvader was een man van verhalen. Zelfs als hij de deur uitging om een pak melk te kopen, keerde hij terug met een reeks belevenissen. Een vrolijke en lachgrage man. Onder die levenslust school echter een tragedie, een worsteling. Hoe reëel was die? Door onze eigen obsessies hebben wij een vervalste waarneming van het verleden en iedere studie daarnaar wordt gekleurd door een agenda, door eigen verwachtingen en voorkeuren. Ik ben niet naïef, maar dat neemt niet weg dat ik besef niet onbevangen naar deze geschiedenissen te kunnen kijken. Hoe het gebeurd is en wat er gebeurd is, is gerelateerd aan het verhaal waarin het ten slotte uitmondt.’

En daarom bracht Mendelsohn in zijn boek drie lagen aan: de familiegeschiedenis zoals die hem van kindsbeen aan was overgeleverd, tranen en zwijgen daarbij inbegrepen, het verslag van zijn zoektocht in de familie, het milieu van overlevenden in de Verenigde Staten en na verloop van tijd waar ook ter wereld, en van zijn reis naar het dorpje en de omgeving waarin zich al hun verhalen oorspronkelijk hebben afgespeeld, en ten slotte een nauwgezette studie naar de eerste hoofdstukken van de Bijbel, evenzeer theologisch als filologisch.

‘Ik groeide op te midden van favoriete verhalen’, vertelt Mendelsohn. ‘Opgroeien in de Verenigde Staten betekent altijd opgroeien te midden van mensen die allemaal hun voorkeursverhalen over ‘de oude wereld’ hebben. Lange tijd heb ik gedacht dat dat een concrete plek op de landkaart was, ‘De Oude Wereld’, en toen ik in Galicië aankwam viel het mij in zeker opzicht ook tegen dat er geen bord stond, ‘De Oude Wereld’. Ik herinner mij nog goed dat mijn zuster, zodra wij aan boord waren gegaan van het vliegtuig om ten slotte in dat mythologische Bolechow te belanden, een hysterische lachbui kreeg. ‘Daar gaan wij’, hikte zij, ‘op reis naar onze herinneringen, op weg naar onze verhalen’.

‘Maar wij kwamen aan op een dode plek, een plek waar niets meer te vinden was – juist niet van de mensen die wij zochten. Mijn boek is al vaak vergeleken met een Odyssee, terwijl Odysseus daarentegen juist goed wist waar hij naar op weg was, namelijk naar huis, zolang als hij erover deed. Wij reisden naar een lieflijk dorpje, te midden van de groene heuvels, in een uithoek van het Habsburgse Rijk. Maar noch dat rijk, noch dat dorpje bestaat meer. Ik wilde naar de sjtetl Bolechow. Bolechow bestaat echter niet meer – zelfs letterlijk, want sinds het Oekraïens is geworden heet het Bolechiv. Alles waar wij voor gekomen waren, is verdwenen. Van de bedrijvigheid van destijds rest niets meer, de winkels en de markt zijn vervallen. De verhalen passen niet meer in de werkelijkheid.’

Die omstandigheid vindt zijn hoogtepunt in het bezoek dat Mendelsohn samen met zijn broer en hun tolk aan de vervallen Joodse begraafplaats van Bolechow brengen. ‘Die is als door een wonder gespaard gebleven voor de verwoestingen van de nazi’s’, vertelt hij. ‘Wij waren er op een mooie, zomerse dag. Tussen de scheve zerken waren kinderen aan het spelen, in de bomen hing een schommel. Mijn broer begon foto’s te maken, en ik vroeg aan die kinderen of zij wel wisten waar zij waren. Dat wisten zij maar al te goed: de Joodse begraafplaats. Vervolgens vroeg ik hun of zij wisten wat een Jood was. Daar hadden zij geen idee van. Pas dan dringt de fataliteit van de gebeurtenissen in volle omvang tot je door: weg, verdwenen.’

Mendelsohn probeerde getuigen op te sporen, oude mensen in Bolechow die zijn familie nog gekend konden hebben en die zich wellicht herinnerden wat er met hen gebeurd was. ‘En daar stond ik dan, op zondagmorgen, bij de uitgang van de kerk, oude baboesjka’s aanklampend met de vraag wat zij zich herinnerden. Tot ik besefte op de verkeerde plek te zijn.’

Want de getuigen verbleven inmiddels in de Verenigde Staten, Israël, Zweden of Australië. ‘En toen ik in Australië met een van die oude inwoners van Bolechow sprak, drong de vergelijking met de zondvloed tot mij door, een ramp die ook een hele wereld vernietigd had. Daar vond ik het geraamte voor mijn boek in, namelijk de vergelijking met die eerste hoofdstukken uit de Thora: ook een familiegeschiedenis.’

Zodoende onderbreekt Mendelsohn in zijn boek het verslag en de reconstructie van zijn familieverhalen en zijn onderzoek daarnaar telkens door een meticuleuze lezing van die bijbelhoofdstukken. ‘In den beginne’, Bolechow, ‘Kaïn en Abel’, Schmiel en zijn broers in de Verenigde Staten, ‘de vernietiging van Sodom en Gomorra’, de holocaust.

‘Ik ben opgeleid als classicus’, zegt Mendelsohn, ‘dat wil zeggen, met teksten van twee-, drieduizend jaar oud. Daarom kijk ik ook liever vooruit naar 4007 dan dat ik naar 2007 kijk: wat zal er over tweeduizend jaar, als mijn boek allang verdwenen is, nog over zijn van deze geschiedenis? Dan wordt zij gelezen als een verhaal, zo mythologisch als de bijbelverhalen. Lees je die laatste, dan valt je op hoeveel geldigheid die hebben, juist door hun mythologische dimensies. Kaïn vermoordt zijn broer Abel, maar nergens wordt uit de doeken gedaan waar hun twist over ging. God vernietigt Sodom en Gomorra, maar wat de inwoners van die steden nu precies op hun kerfstok hadden om zo’n gruwelijk lot te verdienen, wordt nergens verteld. Cruciaal is echter dat de tekst over fundamentele vragen gaat, de vragen van goed, kwaad en onverschilligheid waar je in de geschiedenis van de holocaust ook telkens op stuit. Ook al ben ik niet gelovig, de Thora is een diep menselijke tekst die morele kwesties diepzinnig en verhelderend aan de orde stelt. Moraliteit is niet het alleenrecht van gelovigen, ook ik kan worstelen met die tekst en die vragen. De raadsels die erin vervat zijn, ook als zij niet uitgelegd worden, maken er de ethische noodzaak van uit.’

Daarom moest ook vermeden worden dat zijn boek een detectiveverhaal zou worden, zegt Mendelsohn. ‘Je kunt de grote vragen niet vermijden: dit is een verhaal van wat echte mensen andere echte mensen aan echte gruwelen hebben aangedaan. Waarom? In de Verenigde Staten is een karakteristieke eerste reactie op mijn boek dat het de doden terug tot leven zou hebben gebracht. Onzin, zij liggen naamloos in een greppel bij Bolechow, te midden van de andere naamlozen. Alleen op een metafysisch niveau kan een boek ze bestaansrecht verlenen, zij keren niet tot het leven terug, maar hun lotgevallen confronteren ons met levensvragen. Monumenten en grafzerken richt je op voor de levenden, niet voor de doden. De reikwijdte van de Bijbel is niet alleen theologisch, maar ook universeel en kosmologisch: dat is de potentie van de literatuur, dat is waarom wij er zoveel van houden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden