Recensie Gedaanteverwisseling

Arts Gavin Francis schrijft aanstekelijk over de mens en zijn transformaties ★★★★☆

Weerwolven bestaan niet, maar zo’n mythe komt ergens vandaan. Arts Gavin Francis schrijft aanstekelijk over de mens en zijn transformaties.

Beeld Tzenko

Gavin Francis: Gedaanteverwisselaars – Aantekeningen van een dokter over geneeskunde en de veranderende mens

Uit het Engels vertaald door Nico Groen.

Nieuwezijds; 296 pagina’s; € 22,95.

Volle maan: het moment bij uitstek voor sommige lieden om de straat op te gaan, in weerwolven te veranderen en de buurt onveilig te maken. Dat was in de Middeleeuwen althans het volksgeloof als gevolg waarvan duizenden mensen op de brandstapel belandden. We geloven niet meer in weerwolven maar, betoogt de Britse arts en schrijver Gavin Francis in Gedaanteverwisselaars, mythen ontstaan nooit helemaal zonder grond. 

In zijn zoektocht naar de herkomst van het weerwolvenverhaal stuit Francis op een artikel uit 1964 van een neuroloog die de aandoening porfyrie als waarschijnlijkste bron van de wolvenmythe ziet. Porfyrie is een zeldzame stofwisselingsziekte die kan leiden tot haargroei op gezicht en handen en tot een overgevoeligheid voor zonlicht die zo ernstig kan zijn dat degenen die eraan lijden liever ’s nachts eropuit gaan dan overdag. Een volle maan maakt het dan wel zo gemakkelijk om nog iets te zien. Bovendien meende men vanaf de Oudheid al te weten dat een volle maan mensen tot rare sprongen brengt. Nog altijd, schrijft Francis, gelooft 74 procent van de Amerikaanse ggz-medewerkers in deze mythe: ‘Wanneer een avond op de spoedeisende hulp extra bloedig is door het vele geweld of extra zwaar vanwege psychiatrische opnames, dan hoor je collega’s vaak zeggen: ‘Het zal wel volle maan zijn.’’ Dat statistisch onderzoek geen enkel verband heeft kunnen aantonen tussen het aantal opnames en de maanstand, weerhield ook Francis zelf er niet van op een drukke nacht toch maar eens buiten naar de maan te gaan kijken.

We mogen dan niet veranderen bij volle maan, veranderen doen we wel, ons hele leven door. We groeien op, raken in de puberteit, breken een been, worden ziek, willen ons lichaam jeugdiger maken als het ouder wordt, of van geslacht doen veranderen als we ons er niet in thuis voelen, komen in de overgang, verliezen ons geheugen, gaan dood. Veel van die veranderingen zijn universeel en horen bij opgroeien, bij de overgang van de ene levensfase naar de volgende. Andere komen voort uit de pech die ons kan overkomen, zoals bij ziekten of amputaties. Weer andere, bijvoorbeeld de soms fatale vermagering bij anorexia, hebben te maken met verwarring van onze geest. En voor een laatste categorie veranderingen kiezen we bewust, zoals bij bodybuilding of tatoeages.

De los van elkaar te lezen hoofdstukken van Gedaanteverwisselaars beschrijven een ruime selectie van dergelijke transformaties. Francis verwierf bekendheid met zijn twee jaar geleden verschenen boek Avonturen in de mens, waarin hij onze lichaamsdelen van hoofd tot tenen en van binnen naar buiten beschreef vanuit diverse invalshoeken: het leed van de patiënten in zijn drukke huisartsenpraktijk in Edinburgh, zijn ervaringen als arts in India, Afrika en de poolgebieden, de medische geschiedenis, literatuur en kunst. Datzelfde procedé volgt hij voor transformaties, en opnieuw is het een aanstekelijk boek geworden, waarin de liefde voor zijn patiënten, onverwachte inzichten, humor en belezenheid soepel samenvloeien. Zo gaat de weerwolvenmythe vergezeld van Kafka’s De gedaanteverwisseling en van het droevige verhaal van een patiënt van Francis die ervan overtuigd is dat hij in een kat is veranderd.

Gavin Francis: Gedaanteverwisselaars

Een van de mooiste transformaties die hij beschrijft, is er een waarmee we allemaal ervaring hebben: de verandering van ‘een ragfijn rijtje cellen op een schijfje gelei’ tot een mensje dat klaar is om gebaard te worden. Eeuwenlang bleef het verloop van deze transformatie een raadsel. Aan het begin van de 16de eeuw was er een serie tekeningen in omloop van minimensjes die rechtop, ondersteboven, springend, horizontaal of op hun hurken in de baarmoeder toefden, bedoeld om vroedvrouwen voor te bereiden op wat ze konden aantreffen. Een anatomisch correcte tekening van een bijna voldragen kindje in de baarmoeder maakte Leonardo da Vinci al in de 15de eeuw, aan de hand van een sectie op een zwangere vrouw. 

Maar de mogelijkheid om op elk moment in de baarmoeder te kunnen kijken zonder daarvoor iemand te hoeven opensnijden, liet op zich wachten tot de Schotse arts Ian Donald toevallig hoorde hoe metaalarbeiders de zwakke plekken in metaal opspoorden. Zij deden dat met behulp van echografie: de geluidsgolven die hun echoapparaat uitzond, werden door de harde en zachte delen van het metaal anders weerkaatst. Ze ijkten hun apparaat – en dat wekte de belangstelling van de arts – door het voor hun duim te houden. Hun botten en zachte weefsels lieten eenzelfde verschil in weerkaatsing zien. ‘In de zomer van 1955’, schrijft Francis, ‘reed Donald van Glasgow naar een ketelfabriek in Renfrew, met een kofferbak vol emmers met eierstokcystes en baarmoedertumoren.’ 

Met de apparatuur van de metaalbewerkers maakte hij echo’s van zijn materiaal en vergeleek die met echo’s van een lap rundvlees. Hij was zo onder de indruk van het resultaat dat hij het apparaat mee naar huis nam en daarmee de basis legde voor de echo’s waarop iedere zwangere vrouw tegenwoordig negen maanden lang de ontwikkeling van haar kind kan volgen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden