Interview Carry Tefsen

Artistieke alleskunner Carry Tefsen schreef een boek over haar ervaringen in het theater: ‘Ik speel graag mopperige ouwe wijven’

Nog zegt ze geen nee als er ‘iets leuks’ langskomt. Artistieke alleskunner Carry Tefsen was, is en blijft dol op theater en tv. Ze schreef er een boek over, voor haar 60-jarig vakjubileum.

Carry Tefsen door Gerard Wessel Beeld Gerard Wessel

Carry komt met de Canta en dan is ze nog te laat. ‘De hele stad ligt open’, zegt ze wanneer ze binnenkomt op de Amsterdamse Herengracht. ‘Op de Leidsestraat ben ik zelfs een stukje tegen de draad in gegaan, het kón niet anders. Hé, wat ruikt het hier lekker, een beetje naar ouzo, kan dat?’ Carry, net 80 geworden, draagt een spijkerbroek, platte schoenen en een wollen vest, en zegt intervíew in plaats van ínterview. Haar hennarode haar is het hennarode haar waarmee hele generaties zijn opgegroeid, haar karakteristieke, tikje slepende Amsterdamse tongval herken je uit duizenden. Minder bekend is dat ze al veertig jaar een leren heuptasje draagt.

Die zijn nu weer erg in.

‘Echt? Ik vind ze ideaal, want een gewone tas wordt zó van je schouders gerukt. Ik heb er zelfs een keer eentje gedragen tijdens een huldiging in DeLaMar, toen we daar spontaan aanwaaiden. Schreef modeontwerper Sheila de Vries de volgende dag in een van die blaadjes: ‘Dat ouwe hippiegedoe van Carry moet nou maar eens afgelopen zijn.’ Terwijl het helemaal geen statement was.’

Zat u daarmee?

‘Ik zat er niet mee, maar ik wéét het nog wel.’

Later: ‘Kritisch zijn over kleding vind ik altijd een moeilijk geval. Sommige mensen geven hun laatste centen uit om een avondjurk te kopen. En dan krijg je zo’n sneer. Dat is toch vreselijk? Ik wil nooit iemand beledigen of zeer doen. Waarom zou je?’

In het boek dat u schreef – Carry Tefsen, zestig jaar in de schijnwerpers – spaart u ook iedereen: u heeft op niemand commentaar, iedereen was goed op zijn eigen manier.

‘Maar wie ben ik om te zeggen hoe het wel moet? Er zijn mensen die ik onaangenaam vond, en vínd, maar daar keer ik me dan van af. Ik heb geleerd: als je ergens doodongelukkig van wordt, moet je iets anders zoeken.’

Dat is makkelijk gezegd. Som kán je niet weg van een situatie.

‘En toch moet het. Je moet het je in ieder geval niet laten aantasten, want daar kan je ziek van worden, letterlijk.’

Is dat het meest gekoesterde inzicht dat u in die tachtig jaar heeft opgedaan?

‘Ik denk het wel. Ik ben altijd idealistisch geweest, dat waren mijn ouders al en als kind zet je dat voort. En ik heb daar geen spijt van, in wezen ben ik nog steeds idealistisch, al heb ik af en toe best een klap op mijn kop gekregen. Maar je móét. Als je nou naar het nieuws en de avondprogramma’s kijkt, dat is toch allemaal narigheid? Een harde wereld. Maar er is óók een groot deel mensen die ontzettend goed en lief en schattig bezig zijn. Het is belangrijk om dat voor ogen te houden.’

Bent u, terugkijkend, het soort mens geworden dat u wilde zijn?

‘Ik heb nooit gedacht: zo en zo wil ik worden, het is gewoon gegaan zoals het is gegaan. Ik deed het per dag zo goed mogelijk, meer kun je niet doen. En soms was het één grote rijstebrijberg, maar ja, ook dan moet je dooreten, net zolang tot je erdoorheen bent.’

Carry Tefsen wordt op 6 augustus 1938 geboren in Amsterdam-Noord als enige dochter van een leraar op de ambachtsschool en een pianolerares. Na enige omwegen groeit ze uit tot een gevierd actrice en musicalster, werkt ze mee aan filmklassiekers als Blue Movie en Keetje Tippel, speelt bij het Volkstoneel van Beppie Nooij, doet aan cabaret en is te zien in commerciële hits als De Jantjes, de André van Duin Show, Zeg ’ns Aaa en ’t Schaep met de 5 Pooten. Onlangs werd ze 80, maar van stoppen wil ze nog altijd niet weten. Carry: ‘Ik ga niet meer de bus in en ik wil ook niet meer midden in de nacht thuiskomen, maar als er iets leuks voorbijkomt, zeg ik geen nee. Ik vind het heerlijk om met jonge mensen te werken en iedereen is tegenwoordig jonger dan ik, dus dat treft.’

Het scheelde niet veel of u was nu al vijftien jaar met pensioen geweest als kleuterjuf.

‘Mijn vader wilde dat ik bij het onderwijs ging. Dat bedoelde hij goed, hij dacht: dáár heeft ze in ieder geval pensioen. Die man hield veel van me. Als ik naar de balletclub ging, zei hij ook altijd: ‘Ach, blijf toch thuis, blijf toch bij je vader. Dat blotebillengedoe. Het was een andere tijd, hè.’

Scene met Carry Tefsen als Mien Dobbelsteen in de comedy serie Zeg 'ns Aaa Beeld ANP Kippa

Leverde het veel strijd op toen u uiteindelijk toch uw eigen weg ging?

‘Nee, want mijn vader en moeder hielden veel van kunst. Mijn vader speelde fluit, diep in zijn hart had hij zelf ook wel kunstenaar willen worden. Dus toen ik die kant opging en zij zagen dat ik mijn boterham ermee kon verdienen, hadden ze er vrede mee.’

Als kleuterjuf heette u nog Carla Tefsen.

‘Heel vroeger, ja. Tot ik ineens een affiche van mezelf zag waarop stond: Carry Tefsen. ‘Carla is zo truttig’, zei Berry Kievits, de producer. ‘Dit is veel vlotter.’ Alleen mijn man zegt nog weleens Carla, als hij vindt dat ik moet opschieten ofzo.’

Als Carry Tefsen heeft u vaak de volksvrouw gespeeld: Mien Dobbelsteen in Zeg ’ns Aaa, opoe Withof in ’t Schaep met de 5 Pooten. 

Ik speel graag mopperige ouwe wijven, ja.’

Uit: Carry Tefsen, zestig jaar in de schijnwerpers:
‘Mijn moeder had een groot talent voor pianospelen. Er leek een grote toekomst voor haar weggelegd, maar vanwege geldgebrek was ze genoodzaakt pianolessen te gaan geven. En dus liep mijn moeder op 14-jarige leeftijd kilometers lang met een zware muziekboekentas door de weilanden naar de rijke huizen van Hille en Verkade, die grote bedrijven hadden aan de Zaan, om hun kinderen les te geven. Ook speelde ze piano bij hun grote diners. Er werd veel en goed gegeten en men zei tegen haar: ‘We zullen maar een schermpje om u heen zetten hè, anders is het zo sneu.’

Carry, met een gespeelde kakstem: ‘Ja, want anders was het zo snéú.’

Verklaart die anekdote uw liefde voor de volksvrouw?

‘Nou ja, ach, ik heb natuurlijk ook een Amsterdams accent dat ik lekker aan kan zetten en ik vind het ook gewoon leuk om te doen. Zo slecht hadden we het thuis niet.’

Nou – u schrijft dat u op een zeker moment knopen ging jatten in de Bijenkorf. En als de Albert Cuypmarkt sloot, ging u kijken of er nog aardappels lagen.

‘Jawel, maar dat was gewoon trots, omdat ik zo nodig moest samenwonen met iemand die geen werk had. En daar kreeg ik dan ook nog een kind van, ja, dan blijft er weinig over. En ik weigerde geld van mijn ouders te vragen.’

In het begin van uw carrière zegt een regisseur tegen u: ‘Blijf jij maar huisvrouw’. En later schrijft Wim Kan in zijn memoires: ‘Ordinair, maar talentvol.’

‘Ik vind mezelf niet echt ordinair, neem me niet kwalijk. Maar in zíjn ogen was ik dat wel: hij kwam uit Den Haag, zijn vader was minister. Tegelijkertijd leefde hij ook met die kleine Corry Vonk die uit dezelfde hoek kwam als ik, het volkstoneel.’

Hoe beïnvloedt zo’n stempel het idee over jezelf?

‘Wim Kan was een groot cabaretier. Maar hij was ook, hoe zal ik dat zeggen... niet zo erg op de hoogte van wat er in de wereld speelde. Hij had een paar huizen en werd daar in de watten gelegd door Corry, die hem omringde met: als Wim het maar goed heeft. Dan leef je toch een beetje in je eigen wereldje.’

Voedt dat een zekere rancune naar het zogenaamde deftige toneel?

‘Nee hoor, ik weet wie het zegt.’

In uw boek schrijft u: ‘Ik ben vaak jaloers geweest op de makkelijke manier waarop mensen van de toneelschool kennismaakten met kunstgeschiedenis, kostuumleer, de behandeling van oude theaterstukken. Wij moesten dat maar te hooi en te gras oppikken.’

‘Jaaaa, er was wel een duidelijke scheiding tussen het ‘grote toneel’ de zogenaamde ‘kleine k’, zoals cabaret en volks-toneel. Bij de grote K waren veel rangen en standen, het was u zeggen tegen de grote jongens. En er was een regel: je praat niet met De Telegraaf. Maar op een gegeven moment hingen juist die mensen aan de telefoon bij Henk van der Meyden, die wilden ook weleens in de zon staan.’

In het tv-programma Zomergasten zei minister van Economische Zaken Eric Wiebes dat de loodgieter liever naar voetbal gaat dan naar toneel, maar dat de ene hobby niet beter is dan de andere en er dus niet gesubsidieerd hoeft te worden. In uw boek schrijft u dat u ook niet gelooft in subsidies: je moet gewoon iets verzinnen dat brood op de plank brengt, punt.

‘Ik ben altijd een beetje tegen subsidies geweest, dat klopt, en waarom: als je jezelf niet kunt bedruipen, moet je niet je hand ophouden bij een ander. Er is in Nederland een tijd geweest dat het wel héél makkelijk was voor een kunstschilder om een inkomen te hebben, terwijl niemand op zijn werk zat te wachten. Dat is te gek voor woorden. Maar om nou álle subsidies als verloren geld te beschouwen. Het is fijn als mensen zich ontspannen kunnen door mooie dingen te zien, hetzij schilderijen, hetzij toneel, hetzij muziek. Het zou toch vreselijk zijn als er geen kunst meer was?’

Maar Wiebes zegt: waarom moeten we de hobby’s van hogeropgeleiden wel subsidiëren en de hobby van de loodgieter niet?

‘Maar het ís geen hobby, het is een beroep – dáár zit het verschil. Hij denkt dat alle kunst hobby is, maar zo is het niet.’

Wat opviel: na zijn uitspraken had iedereen ineens een loodgietende grootvader die in het weekend graag bij de opera zit. Een blik op het publiek in kunstzalen laat een ander beeld zien.

‘Nou, bij mijn voorstellingen zitten vaak wel gewone mensen hoor, maar goed, ik speel dan ook in gewone stukken. Weet je wat ze zouden moeten doen? Op scholen zou veel meer kunst getoond moeten worden. Ik zat zelf op een vrije school, de Geert Grooteschool, en daar schilderden we, speelden we toneel, alles. Oké, mijn ouders keken ook al die kant uit, maar stel nou dat ik uit een gezin was gekomen waarin ze dat helemaal niet hadden gedaan, zoals in het gezin van Wiebes, want dat zie je aan alles, dat hij dat niet heeft meegekregen. Wat zei hij nou, dat hij bij de uitvaart van burgemeester Van der Laan voor het eerst in het Concertgebouw was geweest? Nou, dat is toch zielig voor hem? Geen wónder dat je dan denkt zoals je denkt. Ik geloof: in je jeugd zit de basis. Als je dán in aanraking komt met kunst, blijf je daar de rest van je leven behoefte aan houden. Maar ja, leraren hebben het al druk zat, dus of dat er ooit van komt.’

Wat waren uw troeven als artiest?

‘Mijn veelzijdigheid. Ik kon dansen, ik kon zingen, kende geen angst op het toneel.’

Carry Tefsen door Gerard Wessel Beeld Gerard Wessel

Was dat soms ook een kwestie van bluf? Uit uw boek rijst het beeld op van een vrouw die overal ja op zei, zonder te weten of ze het wel kon.

‘O ja, zeker. Dat móét soms. Een kennis van mij zei laatst zoiets moois, ze zei: ‘Ik heb het nog nooit gedaan, dus ik denk dat ik het wel kan.’ O, is dat een uitspraak van Pippi Langkous? Grappig, ik had het zelf kunnen zeggen. Toen John de Mol destijds tegen mij zei: ‘Ik wil dat jij Op Goed Geluk gaat presenteren’, zei ik ook gewoon ja. Terwijl ik het nog nooit had gepresenteerd, en ook geen ambitie in die richting had.’

En dan ben je ineens de ‘primadonna van de hartstocht’.

Lachend: ‘Wat zeg je nou?’

Zo werd u in het programma aangekondigd: ‘En hierrr is de primadonna van de hartstocht, Carry Tefsen!’

‘O, dat kan best, die jongens van de voice-over moesten altijd weer iets nieuws verzinnen, dat is ook niet makkelijk, hoor.’

En toch: veel vrouwen zouden niet zomaar ja hebben gezegd op zo’n aanbod. Die zouden gaan zitten tobben: kan ik dit wel, durf ik dit wel.

‘Maar in grote trekken weet je toch wel wat je aankan? Daar mag je op vertrouwen. En anders ga je weer wat anders doen. Vrouwen moeten leren meer in zichzelf te geloven.’

Was die bluf soms ook uw valkuil?

‘Nee hoor. Dan eerder het feit dat ik te veel hooi op mijn vork nam, het was soms wel erg veel allemaal. Maar goed, het aantal jaren dat je top werkt, ben je ook topsterk.’

Heeft u in die zestig jaar in het vak ooit te maken gehad met #MeToo?

(aarzelend) ‘Ik vind het een moeilijk geval. Laat ik het zo zeggen: je wordt handig. Als iemand een beetje handtastelijk was of met peutervingers rondliep. Ik was daar wel tegen gewapend.’

#MeToo gaat natuurlijk ook om mensen die daar niet zo tegen gewapend zijn.

‘Ja, maar ik heb ook weleens gedacht: moet dat nou allemaal aan de grote klok? Ik snap dat mensen ermee in hun maag zitten, maar ik vind het zonde als een regisseur heel begaafd is, fantastische dingen kan maken en dat dan door die ene stomme afwijking van hem dat hij zo nodig overal aan moet komen, de hele boel verpest wordt. Want dan moet iedereen die mooie producties van hem missen. Dat vind ik zonde.’

Denkt u dan aan producent Job Gosschalk?

‘Ik heb hem altijd heel aardig gevonden. Maar ja, ík ben geen jongetje. Ik weet alleen dat hij een hele toekomst had van fantastische dingen die hij de mensheid kon schenken, en wat gebeurt er: hij wordt in een hoek gedrukt en zijn leven is verpest. En dat gun ik hem niet.’

Mogen talentvolle mensen er een andere moraal op nahouden?

‘Nee, dat ook weer niet. Wat ik zeg, het is lastig.’

De wereld is veranderd. De film Blue Movie bijvoorbeeld, waarin u een aantal pikante scènes speelt en in de laatste scène de erectie van Hugo Metsers sr. vol in beeld komt, zou nu niet meer zo snel kunnen.

‘Nou, dat viel toch wel mee? Ze wilden gewoon zo veel mogelijk bloot laten zien, als statement tegen de preutse maatschappij. En dat de wereld verandert, ach, dat kun je niet tegenhouden. Neem Amsterdam. Vroeger waren de mensen netjes opgevoed, ze spraken met twee woorden, men stond voor iemand op in de tram. Maar nu. Die drúkte alleen al. Amsterdam is prachtig, logisch dat iedereen ernaartoe wil, maar dat ze allemaal tegelijk komen, is wel bijzonder vervelend. Je kan niet eens meer door de Damstraat lopen, je hoort er alleen maar Engels. En in hele wijken ruikt het naar de wiet! Bij ons ook, in de Nieuwmarktbuurt. Wallengebied, nog zoiets. Vroeger liepen daar alleen een paar verdwaalde mannen. Nu is het er zó druk. Persoonlijk denk ik dat er nooit meer iemand bij een hoer naar binnengaat. Je kijkt wel uit, dan ziet iedereen je toch? Dus die hoeren hebben óók minder klanten. Niemand blij.’

Actrice Carry Tefsen in Combi Studio als prostitué Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Fotomuseum

Hoe is de theaterwereld veranderd?

‘Alles is computer-gestuurd. Vroeger stonden die jongens decors te hijsen, nu is het één druk op de knop. Dat merk je dan toch, er is een bepaalde gezelligheid weg.’

En hoe is úw leven veranderd?

‘Ik doe het in ieder geval een stuk rustiger aan. ’s Ochtends ga ik er om een uur acht, negen uit. Dan drink ik thee en eet ik yoghurt met graantjes. Ik praat een beetje met mijn Ger. Soms lees ik een boek. En verder zijn we erg ingesteld op vijf uur, dan drinken we gezellig een wijntje of een biertje en nemen we de dag door. Dat is nodig, dan heb je contact met elkaar.’

Drinkt u dan de hele avond door?

‘Nee. Dat kan ik niet meer. Vroeger wel, ik was best een wilde. Gelukkig wel, zou ik bijna willen zeggen. Dat heb ik tenminste allemaal lekker gedaan.’

Carry Tefsen, 1970, actrice, presentatrice, zangeres, kunstschilder, theater, cabaret, én televisie. Hier in De legende van Jhonny Green, KRO Beeld Hollandse Hoogte / Guus Pauka

Uw grote liefde is Ger, met wie u sinds 1970 samen bent. Waarom houdt u het al zo lang met hem uit, en hij met u?

‘Ik kwam bij zijn moeder werken, regisseur Beppie Nooij junior, en hij liep daar rond als eerste technische man. Ik was meteen onder de indruk van hem, terwijl het een vrij stille man is. Misschien juist daarom, als iemand niet zo veel zegt, wil je weten wat hij denkt. Het was een moeilijke situatie, want ik was nog getrouwd met Eddy. En hij had ook nog een vriendin. Maar die drang, hè. Nu heb ik twee zonen van hem en in het geheel drie kinderen, want ik had al een dochter uit dat eerdere huwelijk.’

Maar waarom houdt u van hem en hij van u?

‘Ja, vertel het me maar. Hij weet alles van het vak, dat is prettig, dan hoef je weinig uit te leggen. Het houdt de jaloezie buiten de deur, want hij hoefde nooit te denken: wat voert die meid daar uit. We hebben altijd wel iets om over te praten en dat is niet alleen over toneel. Nou, en verder heb je samen kinderen. We hebben veel met ze gereisd, met tentjes en caravans. In Griekenland stonden we in het wild, dat was fantastisch. Zes maanden lang hè, want tegenwoordig gaan al die producties het hele jaar door, maar dat was vroeger niet zo.’

U heeft zes kleinkinderen en twee achterkleinkinderen.

‘Nee, zeven kleinkinderen. Of, nee wacht. Even tellen. Ja, zeven.’

Past u op?

‘Dat doet mijn man meer, ik ben daar niet zo goed in. Omdat ik nog steeds werk, kan ik nooit echt afspraken maken, want dan zit ik weer hier en dan weer daar. Dus opa gaat met ze naar de TunFun, het speelpark, dat vindt-ie enig.’

Wat voor oma bent u?

‘Ik hou ze scherp in de gaten, maar ik ben niet vreselijk troetelig. Ik vind het afschuwelijk als oude mensen aan kinderen gaan zitten grijpen. Daar heb ik echt een hekel aan.’

Deed u dingen vroeger anders dan uw kinderen nu doen, qua opvoeding?

‘Niet echt. Ze hebben zelfs weleens gezegd, we vinden het prettig om het te doen zoals jullie het hebben gedaan. Dat kamperen bijvoorbeeld, dat klinkt truttig, maar daar hebben ze enorm van genoten. Zij hebben nu zelf ook weer een campertje.’

In het boek schrijft u een scène waarin u erachter komt dat de oppas van uw babydochter een junkie was, die stoned bij haar bedje stond en alle suiker in huis opat.

‘Ja, dat was wel een beetje erg.’

Heeft u daar wroeging over?

‘Nee, natuurlijk niet. Dat zijn dingen die je moet oplossen. Ik had ook zielsmedelijden met dat meisje. Omdat ik ergens ook een strohalm voor haar was, haar enige link naar het normale leven.’

U bent onlangs 80 geworden. Heeft u dat gevierd?

‘We zijn even gaan eten bij De Plantage, mijn man, mijn kleinzoon Kaj en ik. Kaj is 18 geworden en net van school gekomen, god, hoe heet die school ook alweer. Al die afkortingen. Nou ja, een of andere middelbare school. Hij gaat nu eerst een tijdje de wereld in.’

Beeld Hollandse Hoogte / Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid

Hoe is het met uw gezondheid? Ik las dat u twee kunstheupen heeft.

‘Ja, die zitten erin sinds 2004, want die van mezelf waren versleten. Een uitkomst is het. Ik kan gewoon weer het toneel op en af. En verder heb ik een bril, maar daar ben ik ook de enige niet mee.’

Denkt u weleens aan de dood?

‘Ja. Heel veel. Als je 80 bent, moet je daar gewoon rekening mee houden. Je merkt het vooral als je iets wil aanschaffen. Neem zonnepanelen. Dat zouden we best willen, want we hebben een plat dak, maar die investering halen we er nooit van zijn leven meer uit. En je denkt er natuurlijk over na hóé de dood gaat komen, en of de een eerder gaat dan de ander. Nou is Ger nog maar 77, dus eigenlijk nog een snotneus, maar je kan nooit weten.’

Heeft u al dingen laten vastleggen?

‘Niet echt. We willen wel ergens leuk liggen, maar dat vergeten we steeds te regelen. Ergens denk je toch altijd dat het leven nog honderd jaar doorgaat. Het is eigenlijk verbazingwekkend dat het leven zo kort is. Als je jong bent, denk je daar nooit over na en je wist ook nooit precies hoe oud iemand was. Heel lang ben je allemaal even oud. Pas nu er verschillende mensen doodgaan, denk je: o jee, die was al oud. Of hee, die was nog jonger dan ik. Maar goed, we maken er nog wat van. Ik hoop dat ik nog tien jaar heb. Als ik gezond ben, tenminste. Als ik niet meer praten en zitten kan, mogen ze me neerleggen.’

CV Carry Tefsen

Geboren 6 augustus 1938 in Amsterdam

1955: Vormschool voor kleuterleidsters Amsterdam
1958: Werkt als kleuterjuf aan de Prinses Marijke School Weesp
1960: danseres Moulin Rouge Rembrandtplein
1962: Cabaret met Jaap van de Merwe
1963: Musical Oliver
1964: Voorprogramma cabarets en revues Wim Kan
1969: Begin Volkstoneel (o.a. De Jantjes)
1971: Speelt hoofdrol in Blue Movie
1974: Revue met Andé van Duin
1981: Begin serie Zeg ’ns Aaa, Mien Dobbelsteen
2006: Begin serie Het Schaep met de vijf pooten (opoe Withof)
2012: benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau
2014: Oma in de musical Billy Elliot
2016: Komedie Gouwe Ouwe

Carry Tefsen woont samen met Ger Hinrichs in Amsterdam

Deze week is verschenen: Carry Tefsen - 60 jaar in de schijnwerpers bij Unie/Spectrum

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.