Achter het boekArthur Japin

Arthur Japin: ‘Het is net als met de liefde: als je gaat zoeken naar een verhaal, komt het niet’

‘De leukste fase is die van de lege pagina. Als je een idee hebt en denkt: já, zo ga ik het doen.’Beeld Ivan Mathie

Hoe schrijft de schrijver? Het is net als met de liefde, zegt Arthur Japin, wiens elfde roman Mrs. Degas deze week verschijnt: als je gaat zoeken, komt het niet. Laat je het los, dan dienen de verhalen zich vanzelf aan.

Arthur Japin zit hoog op een Franse berg met zijn geliefden, uitgever Lex Jansen en schrijver Benjamin Moser. Begin maart, het coronavirus was net aan zijn naargeestige tournee begonnen, verschansten ze zich hier, in hun huis in de Dordogne. Maandenlang zagen ze alleen elkaar. Nu is het augustus, het zwembad glanst in het avondlicht, vogels zoeken kwetterend hun nest op, de zon werpt roodgouden stralen op een hertje dat vijftig meter verderop door het bos dartelt – natúúrlijk voelt Japin enige weerzin bij het idee dat hij volgende week weer naar Nederland moet. Op 1 september verschijnt zijn nieuwe roman, Mrs. Degas, en er staan veel optredens gepland. Of ze ook allemaal doorgaan, hangt van het virus af: ‘We bekijken per plek wat er mogelijk is en of ik het aandurf.’

Ben je bang voor corona?

‘Ja. Ik denk niet dat ik een ernstige besmetting overleef.’

Hoe weet je dat zo zeker?

‘Dat voel ik, omdat ik mijn kracht verlies, sinds een jaar of twee. Ik voel dat ik, als het erop aankomt, niet veel puf zal hebben om voor mijn leven te vechten.’

Hoe bedoel je dat, dat je je kracht kwijt bent?

‘Letterlijk. Gewoon, fysiek. Er is denk ik ergens iets aan de hand, maar ik weet niet wat. Misschien doen we iets niet goed met het vegetarische eten. Je hoort dingetjes te slikken, dat doen we niet. In oktober was ik voor het laatst op de sportschool en voor het eerst in mijn leven miste ik de energie om de gebruikelijke gewichten te heffen.’

In je boeken komen veel enge infectieziekten voor. Je hoofdpersoon in Een schitterend gebrek is mismaakt door de pokken…

‘In Kolja gaan ze dood aan de cholera en Estelle in Mrs. Degas verliest diverse kinderen aan diverse epidemieën. Ik schreef laatst in mijn dagboek: waar mensen nu bang voor zijn, is niet meer dan een terugkeer naar honderd jaar geleden. Toen hoorde het bij het leven dat je kinderen en andere naasten jong verloor. Ik ben huiverig maar tegelijk praktisch in dit soort dingen. Als ik straks thuis ben – dit heb ik Ben en Lex nog niet verteld – ga ik beginnen met opruimen. Dingen wegdoen.’

Je gaat je voorbereiden op de dood?

‘Je moet het geregeld hebben, dat lijkt me niet meer dan zinnig, zeker nu. Er liggen ontzettend veel correspondentie en knipsels en dingen en daar zit veel onzin tussen. Onzin die vooral niet in het Literatuurmuseum terecht moet komen, zoals die stofzuiger van Simon Vestdijk.’

Dinsdag ligt Mrs. Degas in de winkel, Japins elfde roman alweer. ‘Nummer twaalf ligt daar’ (wijst naar het bureau). ‘Eind mei heb ik Degas naar de uitgever gestuurd. Nou moet je maar even lekker niks doen, zei Lex. Maar de volgende dag ben ik aan het nieuwe boek begonnen. Ik had zo veel ideeën.’

Er is een leeg wit vel en het moet vol. Met die zin begint Mrs. Degas, opnieuw een historische roman, zoals vrijwel alle boeken van Arthur Japin. De Mrs. uit de titel is Estelle Musson Balfour de Gas, opgegroeid in New Orleans. Haar vaders zus is de moeder van de Franse schilder Edgar Degas (1834-1917). In 1862 ontvlucht ze, net weduwe, de verschrikkingen van de Amerikaanse Burgeroorlog om haar intrek te nemen in de Parijse woning van haar schilderende neef. Degas wordt verliefd op haar, maar Estelle trouwt uiteindelijk met haar andere neef, Edgars broer René.

Wat is een fijnere fase in de wording van een boek: die van Mrs. Degas – net af – of die van roman nummer twaalf?

‘De leukste fase is waarmee ik Mrs. Degas begin: die van de lege pagina. Nog voor het eerste woord geschreven is. Als je een idee hebt en denkt: já. Zo ga ik het doen, en dan neem ik die lijn en dan gaat die dat ontdekken en dan gaat het dáárheen… Dat is het leukst. Omdat dan alles nog kan.’

Op pagina 310 van Geluk, een geheimtaal, zijn gebundelde dagboeken uit de periode 2008-2018, beschrijft Arthur Japin hoe hij met Benjamin Moser door New Orleans wandelt. Ben wil een museum downtown bekijken, maar ik liever het huis van de familie Degas op Esplanade. Daar parkeren we aan de overkant en nog voordat we de weg oversteken begint het te tintelen. Op de stoep is het al tastbaar: hier wacht mij iets. Wat dan of waaraan je dat merkt, geen idee, behalve dat er iets in de lucht hangt dat mij opwindt. (…) Halverwege het bezoek weet ik de titel van mijn volgende boek, een afbeelding voor het omslag en grofweg de insteek voor een verhaal.

‘Het liefst ben ik stil. Ik heb geen behoefte te vertellen wat er in me omgaat. Dat doe ik wel in mijn boeken.’Beeld Ivan Mathie

Wat had je tot dat moment met Edgar Degas?

‘Niks. Behalve dat er iets is dat steeds naar het eind van de 19de eeuw trekt. Ik wist niet meer over Degas dan de meeste mensen. Ben parkeerde de auto achteruit in en ik stond daar en dacht: ó ja. Já. In dat huis zag ik een aantal schilderijen die Degas van Estelle heeft gemaakt; schilderijen waarop Estelle, die blind is, bloemen aan het schikken is. Dat was het beslissende moment. Ik dacht: waarom gaat een blinde bloemen schikken?’

Was je op dat moment ook op zoek naar een onderwerp voor een nieuwe roman?

‘Nee, nee. Nooit zoeken. Nooit. Het is net als met de liefde: als je gaat zoeken, komt het niet. Je moet het loslaten. Het heeft te maken met ergens voor openstaan, en dat kun je niet afdwingen.’

Dus er zou ook zomaar tien jaar tussen je boeken kunnen zitten.

‘Ja. Behalve dat dat niet gebeurt. Vroeger, als mensen tegen me zeiden dat ik schrijver zou moeten worden, dacht ik altijd: maar ik heb geen fantasie, ik zou niet weten waar een boek over moest gaan, ik heb geen verhaal te vertellen. De motor is aangeslagen op de avond dat iemand me tussen neus en lippen door vertelde over twee prinsjes uit West-Afrika die in de 19de eeuw cadeau zijn gegeven aan de koning van Holland. Dat was de eerste keer dat ik dat gevoel kreeg, van ‘ó ja’, en het verhaal erachter ging uitzoeken, wat tien jaar later resulteerde in De zwarte met het witte hart – in eerste instantie had ik overigens niet aan een roman gedacht maar aan een opera of een toneelstuk, want dat was mijn wereld.

‘Het begint altijd met een vraag. Wat me intrigeerde bij De zwarte met het witte hart was het gegeven dat twee kinderen in hetzelfde schuitje zitten, maar totaal anders reageren: het ene prinsje wil zich aanpassen, het andere houdt vast aan zijn afkomst. Waarom doet de een het een en de ander het ander? Dat wilde ik snappen.’

Welke van de twee begrijp je beter?

‘Toen ik het boek inleverde bij mijn toenmalige uitgever Ronald Dietz, vroeg die wat mij in het verhaal van die prinsjes zo intrigeerde dat ik er tien jaar van mijn leven aan had gegeven. ‘Het isolement van die jongetjes’, flapte ik eruit, en op dat moment realiseerde ik me dat ik me met allebei even verwant voel. Ik ken beide kanten: de behoefte erbij te willen horen en de wens je terug te trekken. Op school stonden de kinderen me naar het leven. Het ene moment denk je: ik heb jullie niet nodig, ik sla me erdoorheen en het volgende: o god, niet nog meer geweld; ik pas me wel aan.’

Je beschrijft Edgar Degas aan het einde van zijn leven: een knorrige, tamelijk onaangename man. Wat intrigeert je in hem?

‘Ik probeer hem te begrijpen. Degas lijkt hierin op Granny uit De overgave. Daar was de vraag: hoe kom je tot vergeving? Hoever kun je gaan in het begrijpen van de ander als die je alles heeft afgenomen wat je dierbaar is? Bij Degas vind ik het belangrijk te begrijpen waar de mens zit achter een norse, ouwe man. Maar ik wilde ook weten waarom een blinde bloemen gaat schikken. Hoe vind je kleur in het donker? En wat betekent blind zijn voor een schilder? Want Degas wist, toen hij Estelle schilderde, dat hij waarschijnlijk zelf ook blind zou worden. Wat voor invloed heeft het op je persoon als je wereld kleiner wordt? Dat soort vragen, in combinatie met een exotisch milieu en een spannende tijd waarvan ik denk: wat heerlijk om daar een paar jaar in te mogen vertoeven, maken dat ik aan de slag ga.’

Beeld Ivan Mathie

Je hoofdpersonen zijn bestaande figuren. Neem jij tijdens het schrijven bezit van hen, of nemen zij jou over?

‘Neeee. Jaaa. Ik word hen en zij worden mij, zoals gebeurt bij een acteur die zijn rol speelt. Van ’s ochtends tien tot ’s avonds vijf, zes uur vallen wij samen. Ik begin met zo veel mogelijk lezen, van en over mijn nieuwe personages. Alles wat ik lees, gaat in een grote grabbelzak; dingen die ik niet opschrijf en onderstreep, vergeet ik weer. Daarom zijn mijn nawoorden altijd zo lang. Als ik klaar ben met een boek weet ik bij god niet meer wat ik waar heb gelezen en of ik iets ergens vandaan heb gehaald of zelf heb bedacht. Dus zet ik elke bron die binnen handbereik is geweest er voor de zekerheid maar bij.’

Aan Degas heb je drie jaar gewerkt. Ben je hem nu kwijt?

‘Nee. Ze gaan nooit weg.’

Heb je sympathie voor hem gekregen?

‘Ja, je moet wel. Anders kun je het niet schrijven. Ik denk wel: god man, had nou niet van die domme keuzes gemaakt. Er is afstand, het is niet zo dat ik me nu nog met hem vereenzelvig, dat gebeurt alleen op het moment dat ik schrijf… hoewel ik dat eigenlijk ook niet zeker weet.

‘Hoe ik schrijf en welke stijl ik hanteer, dat is zó moeilijk uit te leggen. Het enige wat ik kan zeggen is: het kan alleen op die manier. Een zin kan er alleen maar staan zoals hij er staat, daar kan ik niks aan veranderen. Wat er gebeurt – en daar komt mijn acteursverleden erg van pas – is dat ik me goed kan voorstellen wie iemand was. Hoe hij was en dacht. Maar niets gebeurt bewust.’

Werk je met een schema?

‘Nee. Ik heb de feiten van de geschiedenis. Dat is mijn schema. Dat schrijf ik niet uit maar ik kan altijd, als ik te ver afdwaal, terug naar de werkelijkheid: wat gebeurde er die dag?’

Maar wat is je eigen particuliere toevoeging aan die werkelijkheid? Je boeken zijn romans, geen non-fictie.

‘Het gaat me om het emotionele verhaal, om de laag ónder de feiten. Die feiten houd ik overeind, maar ik wil weten hoe dingen voelden. Hoe mijn personages ze hebben beleefd. Daarmee vermaak ik mezelf elke dag. Daarom verveel ik me ook nooit. Ben zei net dat hij zich begon te vervelen, in deze lange coronatijd. Ik zou niet weten hoe ik, als ik aan het schrijven ben, me zou kunnen vervelen. Er is niets leuker dan elke dag terug te gaan naar het verhaal van gisteren en te kijken: hoe gaat het verder? Hoe krijg ik die gevoelens waar ik ze hebben wil?’

Dat klinkt alsof de tweede en derde en vierde fase van werken aan een boek net zo leuk zijn als de eerste.

‘Het schrijven blijft leuk, tot het moment waarop je het niet meer weet. Dat gebeurt bij elk boek: altijd is er een fase van paniek. Bij De zwarte met het witte hart had ik dat nog toen het allang af was. Dat je het terugleest en denkt: maar dit slaat nergens op. Wat een onzin, het idee dat iemand dit zou willen lezen! Dan is er gelukkig Lex, de leraar, die me opvangt. En na de derde of vierde roman wist ik ook wel: als ik nou maar rustig blijf, dan vind ik wel weer een draadje.’

Je schrijft tussen tien en vijf, zei je net. Is dat altijd zo?

‘Ja, zeker als we in Frankrijk zijn; hier verlopen alle dagen hetzelfde. Eerst ontbijten we met zijn drieën op bed.’

Beeld Ivan Mathie

Wat voor ontbijt?

‘Fruit en zwarte koffie. Op zaterdag weleens een croissant. Dan ga ik tikken en tussen een en twee lunchen we met zijn allen buiten.’

Praat je dan over wat je hebt geschreven?

‘Neeee. Ik zeg er nooit een woord over. Ik werk in mijn eigen kamer, afgezonderd, we hebben allemaal een eigen verdieping. Je hoort elkaar wel lopen en soms komt iemand binnen, maar we kunnen ook goed tegen elkaar zeggen: nu even niet. Je moet wel in die wereld blijven.’

Ga je tussendoor even wandelen, om op nieuwe ideeën te komen, gevoed te worden?

‘Ik hoef niet gevoed te worden, het verhaal voedt mij. En ik hou niet van wandelen.’

Maar dat hoort! Alle schrijvers wandelen.

‘Wandelen past niet bij mijn temperament. Ik loop hard, ergens naartoe, als ik ergens moet zijn. Wandelen interesseert me niet. Lex doet het elke dag tegenwoordig, ik ga soms wel mee, maar alleen om hem. Het liefst blijf ik de hele dag schrijven.’

Zijn je zinnen meteen goed, of sleutel je veel?

‘Ik ben erachter gekomen dat bij mij het ritme allesbepalend is. Dat zal door mijn dansachtergrond komen. Elke nieuwe zin komt voort uit het ritme van de vorige en kan maar op één manier lopen. Als er een woord is dat qua betekenis beter is maar niet in het ritme past, gebruik ik het niet. Dan kies ik voor het woord dat de gewenste cadans oplevert. In mijn hoofd is dat ritme heel belangrijk, ik mompel soms mee. Ik denk dat mijn boeken het best tot hun recht komen als je ze hardop voorleest.

‘Wat belangrijk is, zijn de stiltes. Die kun je helaas niet opschrijven, dat mis ik echt. In scenario’s schrijf ik soms ‘tel’, tussen haakjes, dan weten acteurs dat er een gedachtenpauze zit. Maar in een roman gaat dat niet. Ik los het op door de zin op te delen en ‘zei hij’ toe te voegen, of iets dergelijks. Ik heb dat dan niet per se nodig voor de duidelijkheid van het verhaal, maar ik wil dat de lezer even met mij ademhaalt.’

Wat is de eerste zin van je nieuwe roman?

‘Ik pak het er even bij… Hier: De geschiedenis van een vrouw. Hoe zij haar stem zocht, gedwongen werd om stil te zijn maar hem uiteindelijk liet klinken.

De macht van het woord is een terugkerend onderwerp in je werk.

‘Ik hou niet van woorden. Ik hou ook niet van praten. Ik hou van denken en fantaseren in stilte. Ik ben bang voor woorden, dat is het eigenlijk. Ik ken goed het grote gevaar van woorden, het misbruik dat mensen ervan maken, de pijn die ze ermee kunnen aanrichten. Woorden waren in mijn jeugd zó belangrijk. Mijn vader en wat hij tegen me zei voor hij zelfmoord pleegde, het schelden van kinderen. Hun woorden hebben mijn leven bepaald.’

In je vorig jaar gepubliceerde dagboeken probeer je greep te krijgen op je eigen leven, op je depressies. Was het moeilijk de goede woorden te vinden?

‘Het dagboek vervult voor mij een duidelijke rol omdat het me dwingt mijn leven in een verhaal te vatten. Hoe ouder je wordt, hoe beter je de dwarsverbanden ziet. Het doet me plezier dat het leven zo weinig losse eindjes kent. Als ik er weer twee aan elkaar kan knopen, word ik blij. Dingen moeten samenkomen, een verhaal worden, want verhalen kunnen een vervolg krijgen. Als ik snap waarom dingen gebeuren, kan ik alles aan.’

Beeld Ivan Mathie

Zonder verhaal gaat het niet.

‘Ja. We hadden het over vergeving. Zelf kon ik vergeven, op mijn 18de, omdat ik in mijn hoofd bedacht waarom mensen deden wat ze hadden gedaan. Dankzij dat verhaal kon ik verder met mijn leven.’

Dus woorden zijn gevaarlijk maar geven ook veel: uitleg, troost…

‘Het verháál geeft me heel veel.’

Je hebt gedanst, geacteerd, geschilderd, gemusiceerd. Als het gaat over het overbrengen van verhalen: welke kunstvorm is het eerlijkst, het meest oprecht?

‘Van al die vormen? Eh…’

Of is misschien de aanraking de oprechtste vorm van communicatie?

‘Dat sowieso. Een aanraking zegt alles. Maar zelfs de aanraking is niet per se nodig. Misschien klinkt dit zweverig, maar dan moet ik toch weer naar mijn jeugd: de overdreven gevoeligheid die ik als kind nodig had om te overleven, maakt dat ik altijd in het hoofd van de ander bezig ben. Je weet al wat er gebeurt voor er een woord is gewisseld. In de eerste ogenblikken dat ik iemand zie – aanraking helpt daar enorm bij, maar is niet eens nodig; iemands aanwezigheid en energie ervaren is genoeg – weet ik alles wat ik weten moet. De rest is franje.

‘En vaak, omdat we zo getraind zijn, gaan mensen dan iets zeggen wat eigenlijk het tegendeel is van wat ik zie, of er niks mee te maken heeft, en wat alleen maar afleidt van de kern. Dat is de reden dat ik niet graag praat. Het is gek om in een interview te zeggen, maar het liefst ben ik stil. Ik heb geen behoefte anderen te vertellen wat er in me omgaat. Dat doe ik wel in mijn boeken, via de omweg van een romanfiguur en in een ander decor en een ander kostuum.’

Kun je je voorstellen dat je helemaal stopt met schrijven? En genoeg hebt aan jezelf en aan de stilte?

Mmm… Ik hoef niet per se te schrijven, sterker: ik roep regelmatig ‘dit is de laatste keer’, maar dan heb ik alweer een idee. Of liever: een vraag. En dan begin ik weer. Ik weet niet precies wat me drijft. Het enige wat ik kan bedenken is: nieuwsgierigheid, gekoppeld aan de heerlijke mogelijkheid een rol te spelen, in een andere tijd te mogen verkeren. Ik heb het schrijven nodig om in mijn eigen wereld te kunnen zijn, daar kom ik het best tot mijn recht.’

En in die wereld te kunnen verdwijnen.

‘Niet verdwijnen. Ik neem mezelf altijd mee.’

Arthur Japin: Mrs. Degas. De Arbeiderspers; 336 pagina’s; € 22,99.

Beeld De Arbeiderspers

Wie is Arthur Japin?

Arthur Japin (64) begon zijn carrière als acteur (onder meer bij Toneelgroep Centrum en in de soapseries Goede tijden, slechte tijden en Onderweg naar morgen) en debuteerde in 1986 als schrijver met Magonische verhalen. Tien jaar later brak hij door, ook internationaal, met De zwarte met het witte hart. Hij schreef elf romans, waaronder het Boekenweekgeschenk De grote wereld, en won in 2004 de Libris Literatuur Prijs met Een schitterend gebrek. Japin woont afwisselend in Utrecht en Les Eyzies-de-Tayac, Frankrijk. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden