Boeken

Arnon Grunberg bespreekt de boeken die hij als kind las en die hij zijn zoon (en iedereen van 0 tot 18) aanraadt

Sinds kort heeft Arnon Grunberg een zoon en hij hoopt dat Alyosha zich zal laven aan het verrukkelijke vergif dat boeken zijn. Welke boeken las Grunberg zelf als kind (of kreeg hij voorgelezen), en welke boeken raadt hij zijn zoon aan (of gaat hij hem voorlezen?) Hier is Grunbergs leeslijst voor mensen van 0 tot 18.

null Beeld Typex
Beeld Typex

‘They fuck you up, your mum and dad. / They may not mean to, but they do./ They fill you with the faults they had/ And add some extra, just for you.’ Tegen deze beginregels van het gedicht This Be The Verse van Philip Larkin (1922-1985) is niets in te brengen, ook de rest van het gedicht mag er wezen.

Op 18 mei werd Alyosha geboren. Mijn zoon. Onze zoon. Die bezittelijke voornaamwoorden misnoegen mij, zo ben ik opgevoed; je bent van niemand.

Lang geleden vertelde de echtgenote van een uitgever mij, zij was kunstenares, dat de Spaanse mysticus Johannes van het Kruis gezegd zou hebben dat je de mensen op dezelfde manier moet liefhebben en vergeten. Ik ben dat citaat nooit in zijn werk tegengekomen, maar de uitspraak bevalt me nog steeds, al was het maar omdat hij me leert dat alle liefde die niet ook een oefening in onthechting is vroeg of laat uitloopt op imperialisme, waarbij de vader, moeder of minnaar dienstdoet als imperium.

Mijn moeder was geen lezer, hoewel ze me geregeld voorlas uit het geïllustreerde Duitse weekblad Stern, dat bij ons rondslingerde. (Een paar bladzijden in dat weekblad, dat ooit nog eens de vervalste dagboeken van Adolf H. voorpubliceerde, waren bestemd voor het kind.) Voorlezen deed ze namelijk wel, en hoe. Mijn vader luisterde vooral naar de radio, toch ben ik opgegroeid met boeken, uitgeperste sinaasappelsap en zelfgemaakte taart, met het eerste het meest. Lang heb ik gedacht dat schrijven een vorm van verzet was, een kleine rebellie, het was vooral een poging tot assimilatie. Ik deed wat men van mij verwachtte. Ik moet 13 zijn geweest, ik zat gebogen over Voetbal International en mijn vader zei: ‘Op jouw leeftijd had ik al de helft van de grote Russen verslonden.’ Nooit zal ik die uitspraak vergeten.

Don Quichot

Ik vermoed dat mijn ouders wisten wat ze deden toen ze in hun opvoeding het boek boven alles stelden. Zij wilden dat hun kind zich lezend door de literatuur een tunnel groef naar dat duistere rijk van de volwassenen. Lezen is net als liefde je onthechten, beter gezegd, lezen is je losmaken van de ene wereld om je tijdelijk te verbinden aan andere werelden. Lezen is dan ook geen onschuldige bezigheid en het beste bewijs daarvoor is nog altijd Don Quichot, die al ‘tegen de vijftig’ liep, mager was en ‘schraal in zijn gezicht’ toen hij door het lezen van ridderromans zijn verstand verloor en besloot een ‘dolend ridder te worden’. Hij verslond alle ridderromans, maar ‘de wrochtsels van de beroemde Feliciano de Silva’ vond hij het best. Zijn smaak was kennelijk niet volmaakt, toch lijkt het me te makkelijk te denken dat zijn hoofd op hol is gebracht door slechte romans. Cervantes (1547-1616) geeft expliciet het lezen zelf de schuld: ‘… en van het weinige slapen en vele lezen droogden zijn hersens zo uit, dat hij zijn verstand verloor.’

null Beeld Typex
Beeld Typex

Het Bildungsbürgertum, dat mijn ouders aanhingen, kent een aantal afgoden. Het boek is er een van en die afgodendienst, zie Don Quichot, kan gevaarlijk zijn. Er zit een element van waanzin in dat Bildungsbürgertum, in dat geloof in Bach, Goethe en vooruit Cervantes; diep in de rede, in het hart van de rationaliteit, woont de waanzin zelf. Toch ben ik niet bereid afstand van te nemen van dat zo makkelijk te ridiculiseren Bildungsbürgertum: de naïviteit, de hooghartigheid. Geen afscheid, vermoedelijk ook omdat voortzetten (en vernieuwen) van een traditie een vorm is van solidariteit met de doden.

Als het om mijn eigen leven gaat, reken ik op het uitzonderlijke, het buitengewone. Het normale en de doorsnee kunnen nog altijd plan c en d worden. Waarom zou ik van mijn zoon minder verwachten dan van mezelf? Dat zou onrechtvaardig zijn.

Stel dat Don Quichot maat had gehouden en nooit dat plaatsje in La Mancha had verlaten maar daar met zijn nichtje, zijn huishoudster en een ‘knaap die net zo handig de knol zadelde als hij het snoeimes hanteerde’, was blijven wonen? Wat was hij, wat waren zijn lezers, niet allemaal misgelopen? Zo wens ik mijn zoon toe dat hij zijn verstand verliest zonder in de gevangenis of het gekkenhuis te belanden, zonder al te opzichtig een paria te worden. Een paria in het diepst van zijn gedachten. Al was het maar omdat je uiteindelijk lezer bent van je eigen leven. Wat blijft zijn immers verhalen, verwachtingen en herinneringen, angsten en opwindingen die altijd weer de vorm aannemen van een vertelling.

Der Struwwelpeter

Ik kan mijn zoon wel inlichten over het verrukkelijke vergif waarmee mijn ouders mij hebben vergiftigd, maar als puntje bij paaltje komt moet hij zichzelf vergiftigen. Je moet je niet wagen aan recepten voor de net beheersbare waanzin, ik doe slechts suggesties zoals mijn ouders dat ook hebben gedaan.

In bed ben ik nooit voorgelezen. Mijn moeder vond dat bedden waren om in te slapen. Nee, ik werd voorgelezen op de bank. Na het avondeten ging ik daar zitten, kreeg wat appel, al dan niet geraspt, en dan begon mijn moeder voor te lezen. Ik herinner mij Der Struwwelpeter van Heinrich Hoffmann (1809-1894), met prachtige tekeningen, over een jongen met buitengewoon lange nagels en buitengewoon lange haren. Alleen al die twee details maakten diepe indruk. Elke ochtend kamde mijn moeder mijn haren om me voor te bereiden op de confrontatie met de buitenwereld en geregeld werden mijn nagels geknipt. Toch las ze met veel plezier voor over de jongen die de langste nagels van de wereld had en misschien ook de langste haren. Dat zette me aan het denken.

null Beeld Typex
Beeld Typex

In dat boek was sprake van ene Suppen-Kasper, een jongen die op een dag weigerde soep te eten en daaraan doodging. Het gruwelijke, het gewelddadige kwam tot mij via Der Struwwelpeter. Wat was het verrukkelijk.

In diezelfde tijd werd ik voorgelezen uit Max und Moritz van Wilhelm Busch (1832-1908), over twee deugnieten, die kippetjes stalen van een oude weduwe. Dat deden ze met behulp van een hengel die ze door de schoorsteen lieten zakken waarna ze de kippetjes omhoogtrokken. Mijn moeder genoot ook enorm van deze kippendiefstal.

Daar op de bank in de Dintelstraat 10 huis in Amsterdam begreep ik dat het er niet om gaat keurig te zijn, slechts om keurig te lijken, mede dankzij Max und Moritz en Der Struwwelpeter, mijn eigen ridderromans. De wereld als decor voor het exorbitante, nagels zo lang als armen, de mens een kippendief, de lach die ons allemaal zal overleven.

Maar eerlijk is eerlijk, vóór het anarchisme en de wreedheid van Busch en Hoffmann hun intrede deden in mijn wereld was er Kleine Beer van Else Holmelund Minarik (1920-2012), geïllustreerd door Maurice Sendak. Met Kleine Beer is alles begonnen. Kleine Beer was het eerste personage in mijn leven en nog steeds lijkt die beer me een uitstekend personage om het leven mee te beginnen. They fuck you up, your mum and dad, je hoeft er echter geen haast mee te maken. De wereld van Else Holmelund Minarik is gaaf en toch al weemoedig: ‘‘Ik zie nu een paar belletjes’, zei Kleine Beer. ‘En waar belletjes zijn, is misschien een zeemeermin. Ik ga erin.’ ‘Als je een zeemeermin vindt’, zei Papa Beer, ‘vraag dan of ze komt picknicken.’’

Een belangrijke les: kom je een zeemeermin tegen, meteen uitnodigen voor de picknick, bij slecht weer picknicken in de woonkamer.

Karlsson

Daarna deed de komedie haar intrede met de figuur van Karlsson van Astrid Lindgren (1907-2002), die drie boeken over dit kleine, vliegende mannetje heeft geschreven. Mager is hij niet, vandaar dat een krant in Stockholm hem typeerde als ‘een vliegende ton’. Over Karlsson heb ik eerder geschreven, men kan niet genoeg over dit mannetje schrijven dat zichzelf onbeschaamd ophemelt (‘‘De beste spionnenvanger van de wereld, raad eens wie dat is?’ vroeg Karlsson terwijl hij trots op zichzelf wees.’) en wiens avonturen voornamelijk ontstaan omdat hij voortdurend van alles op creatieve wijze (ja, Karlsson is het kapitalisme in eigen persoon, creatieve destructie) in de soep laat lopen. Zo moet zijn vriendje Erik Karlsson erop wijzen dat Karlsson zélf die spion is, alias een vliegende ton, die boven Stockholm zweeft en dat het helemaal geen goed idee is om jezelf te vangen, zeker niet als de politie ook achter je aan zit.

Een ander belangrijk figuur in de Karlsson-trilogie is juffrouw Mus, die ook wel de Huismus wordt genoemd. Deze Huismus is een hulp in de huishouding met een niet goed ontwikkeld gevoel humor, maar ze kan wel heerlijk gehaktballetjes en krentenbolletjes bakken, die dan ook geregeld op inventieve wijze door Karlsson worden gestolen. Zoals hier: ‘‘Nu ga ik in alle rust nog een kopje koffie drinken met een paar krentenbolletjes erbij’, zei juffrouw Mus. Maar prompt daarop gaf ze een gil. Want op de ovenplaten lag geen enkel krentenbolletje meer. Er lag alleen maar een grote papieren zak, waarop iemand met griezelige, scheve letters had geschreven: ‘heb noch een paar krentebolle gepikt moet de hele sprookjeswerelt er noch op traktere klaas faak.’

Hieruit mag blijken dat spelling overschat is (hoewel ik mijn bureauredacteuren dankbaar ben voor elke spelfout die ze uit mijn schrijfsels halen) en dat mijn intrede in het leven en de literatuur gepaard ging met verhalen over het stelen van etenswaren. Mijn moeder moest altijd onbedaarlijk lachen om juffrouw Mus, nu denk ik dat Karlsson de Dritte im Bunde was in de liefde tussen mij en mijn moeder en ook dat wij een gemeenschappelijke vijand hadden: de Huismus.

Er waren boeken die me minder bevielen, de kinderboeken van Roald Dahl bijvoorbeeld – ik ben pas van Dahl gaan houden toen ik zijn boeken voor volwassenen las, vooral het verhaal waarin een zwangere vrouw haar man vermoordt (hij wilde haar verlaten) met een bevroren lamskarbonade om een paar uur later de politieagenten die karbonade te serveren. Nee, literatuur is niet voor moraalridders en alle pogingen het wel voor hen te maken zijn tot mislukken gedoemd.

De torens van februari van Tonke Dragt (1930) was het eerste boek dat ik niet begreep. Een boek niet begrijpen is een wezenlijke ervaring voor iedere lezer. De eerste logische reactie op de frustratie van het niet begrijpen is weerstand: ik begrijp het niet, dus kan het niets zijn. Maar de tweede reactie is interessanter en onontbeerlijk om verder te komen: het boek weet meer dan ik en ik wil net zoveel weten. Of al dit willen weten uiteindelijk goed voor ons is, is een geheel andere discussie, hier volsta ik met deze opmerking: we weten al te veel om nog te kunnen verlangen naar de onschuld van het niet-weten. Als je eenmaal hebt gegeten van de verboden vrucht, kun je beter doorgaan met eten.

Ik had vrijwel alles van Tonke Dragt gelezen, met plezier. In De torens van februari kon ik dus niet doordringen. Ik voelde me er te dom voor. Vaag staat me bij dat het gaat over een jongen die in een schrikkeljaar naar een andere wereld verdwijnt. (‘Meneer Alva zegt dat hij al bewezen heeft dat er minstens één andere wereld is dan deze, maar een echte geleerde moet zo iets nooit zomaar geloven.’)

Snelweg naar het leven

Zoals liefde een oefening is in onthechting, zo is het lezen van een boek dat je net niet begrijpt een oefening in leren. Wie alleen maar boeken leest waarin alles te begrijpen is, mist iets wezenlijks, beter gezegd, het ongerijmde zit ook in het schijnbaar begrijpelijke boek. De rafelige randen van de vertelling zijn de meest fascinerende randen.

Wie gelooft dat lezen en boeken een snelweg zijn naar het leven doet ook, of hij het wil of niet, aan mysticisme en bij die onderneming mag De torens van februari niet ontbreken. Het genie van Tonke Dragt blijkt wel uit het feit dat zij niet alleen zulke toegankelijke boeken over ridder Tiuri heeft geschreven maar ook zo’n raadselachtig boek als De torens van februari.

Ergens diep in mijn lagereschooltijd verscheen Meester van de zwarte molen (Krabat) van O. Preussler (1923-2013) in mijn leven, een geweldige roman, over de bossen van Bohmen, een molenaar en zijn gezellen, en de wil om te weten, die niets is dan het ambacht van het toveren. Meester van de zwarte molen is een roman over kennisoverdracht, over de leerling die de meester evenaart. Wat op het spel staat, is het leven. Je kunt Meester van de zwarte molen ook begrijpen als een parabel, je moet alles vergeten om te kunnen liefhebben.

De vier boeken die Alyosha, en mij, door de puberteit heen moeten helpen, behandelen we in vogelvlucht.

Allereerst is en blijft daar De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans (1921-1995), wat mij betreft de beste Nederlandse roman uit de 20ste eeuw. Toen ik deze roman las, begreep ik wat me te wachten stond. Een wereld die mooi is van lelijkheid, gevuld met moedwil en misverstand, verlangen is weinig anders dan de behoefte iemand te zijn die je niet bent en die je dan toch per ongeluk wordt. Ook hier geldt: de prijs is hoog. Nog herinner ik me de opwinding en de huivering waarmee ik deze zin las: ‘Maar aan de handen van pater Beer zaten minder vingers dan Osewoudt kogelgaten in zijn lichaam had.’

Leven is een machtsstrijd. De ander bepaalt wie je bent, maar jijzelf hebt ook wat ideeën over je identiteit. ‘Dorbeck moet worden gevonden.’ We vinden hem echter nooit. Degene die kan bewijzen wie we echt zijn blijft een schim op een foto die is kwijtgeraakt.

Nietzsche

Een paar jaar later las ik Zo sprak Zarathoestra van Friedrich Nietzsche (1844-1900), weer een boek dat ik niet begreep maar dat diepe indruk op mij maakte. Zo wilde ik ook schrijven en zo begón ik ook te schrijven. Eerst maar een citaat: ‘Angst namelijk – dat is het erf- en grondgevoel van de mens; vanuit angst is alles te verklaren, erfzonde en erfdeugd. Uit de angst is ook mijn deugd voortgekomen, die ‘wetenschap’ heet.’ Camus en zijn theorieën over het absurde zijn me dierbaarder, tegenover Camus sta je als lezer (en schrijver) op gelijke hoogte, althans die illusie heb ik, tegenover Nietzsche blijf je een kluns. Nietzsche is onontbeerlijk. De schoonheid van de pathetiek die ons even verzoent met het onverzoenlijke.

Ergens aan het eind van mijn puberteit las ik De steppewolf van Hermann Hesse (1877-1962), een boek dat wat mij betreft iedereen in zijn puberteit zou moeten lezen. Over Harry Haller, vereenzaamd intellectueel, steppewolf van beroep, een man die het leven van een zelfmoordenaar leidt zonder te sterven, tot hij wordt gewezen op het bestaan van het zogenoemde magisch theater – ‘toegang niet voor iedereen’. De naam Nietzsche valt een paar keer in deze roman, maar waar Nietzsche hard is, is Hesse zacht, te zacht misschien, en toch blijft Haller tot mij spreken, merkte ik weer toen ik het boek recentelijk herlas. Heen en weer geslingerd tussen de idealen van de burgerij, wat haat Haller die, ‘die tevredenheid, gezondheid en behaaglijkheid, dat gekoesterde, burgerlijke optimisme, die vette, profijtelijke discipline van de middelmaat, het normale, de doorsnee’, en de onleefbare eenzaamheid van de steppe wordt hem gewezen op een ander rijk, ‘een imaginaire, maar soevereine wereld: de humor.’

In De zwarte adelaar ontmoet Harry Haller het meisje Hermine, dat tegen hem zal zeggen: ‘Ik leef van mannen, maar van jou wil ik niet leven.’

Een prachtige zin: van jou wil ik niet leven.

Op de achtergrond hoort men het rommelen van de naderende oorlog.

Tot slot de Ripley-trilogie van Patricia Highsmith (1921-1995). Een trilogie die ik eigenlijk pas later las, toen ik al begin 20 was, maar die men het beste als puber tot zich kan nemen. Highsmith, wier opvattingen ver van onze hedendaagse morele gevoeligheden staan (verfrissend) is geen meester van de pathetiek en de afzonderlijke zin à la Nietzsche, zij is een meester van het plot en een onbarmhartige ontleder van menselijke zwakheden. Tom Ripley is een antwoord op Osewoudt: als je Dorbeck wilt worden, moet je hem vermoorden. De perfecte misdaad bestaat. ‘Die avond bracht hij door met het oefenen van Dickies handtekening voor de bankcheques.’

Leven is imiteren. Het komt erop aan de imitaties naar onze hand te zetten.

In Don Quichot – zijn waanzin blijkt een uit de hand gelopen oefening in imitatie, hij ging verder dan het origineel – zegt een zekere Marcela tegen Don Quichot dat schoonheid als ver vuur is en een scherp zwaard, waaraan zij toevoegt: ‘Ver vuur ben ik en een ver weggelegd zwaard. Wie ik verliefd heb gemaakt met mijn aanblik, heb ik met mijn woorden ontnuchterd.’

Woorden kunnen natuurlijk ontnuchteren, maar vaak zijn zij zelf het ver weggelegde vuur, het ver weggelegde zwaard.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden