ARMOEDIGE OUDHEID

Zo imposant als de Amerikaanse verfilmingen van de klassieken zijn hun Italiaanse tegenhangers niet. Maar de sublieme kitsch van die films had grote invloed op regisseurs als Fellini en Pasolini....

Het is de oudheid – en toch ook niet. Wanneer in Achilles van Marino Girolami uit 1962 de Griekse held het opneemt tegen de Trojaan Hektor, zien de protserige helmen en wapenrustingen van de mannen er precies zo uit als in alle andere verfilmingen van de klassieken. Maar waar zijn verder de pracht en praal die bij zo’n confrontatie hoort? De legers en mensenmenigtes, de monumentale decors en de bombastische soundtrack?

Deze Hektor en Achilles gaan hun tweestrijd aan op een verlaten veld, op het gras, tussen dode bomen. Een armoedig decor, en de ingevoegde shots van bordkartonnen stadsmuren van Troje vanwaar de koninklijke familie in spanning toekijkt maken het er niet veel beter op.

Dit is, kortom, een Italiaanse interpretatie van de antieken. In de mythologie van de oudheid bestaan veel helden en goden in twee versies, of ze hebben twee benamingen – de god die bij de Grieken Zeus werd genoemd was de Romeinse Jupiter, Aphrodite heette Venus en Ares was Mars. Op dezelfde manier waren er in de jaren vijftig en zestig – de hoogtijdagen van films over de klassieken – twee verschillende visies op de klassieken: die van de Amerikaanse films en die van de Italiaanse films.

Fameus zijn de reusachtige producties die door de Hollywoodstudio’s zijn gemaakt. Ben Hur, Quo vadis? en Antony and Cleopatra zijn nog steeds de maatstaf waarnaar elk groot spektakel wordt beoordeeld. De Italiaanse tegenhangers bleven altijd veel minder bekend; hooguit bereikten ze een cultstatus bij een paar liefhebbers.

De acht titels die in twee dvd-boxen als ‘Cinema Classics’ bijeen werden gebracht, zijn dan ook vooral een herinnering aan een bijna vergeten genre van niet-Engelstalige B-films; met uitzondering van The Fall of the Roman Empire uit 1964 zijn ze allemaal Italiaans gesproken en met relatief bescheiden middelen gemaakt.

Want dat was het belangrijkste verschil tussen de Amerikaanse en de Italiaanse oudheid: geld. In Hollywood waren klassiekenverfilmingen een manier voor regisseurs en producenten om met onbeperkte budgetten hun wildste dromen te realiseren; ze waanden zich keizers en lieten garnizoenen door de straten marcheren, reusachtige monumenten oprichten, of hele steden vernietigen.

In Italië werden dezelfde onderwerpen juist het terrein van productiehuizen die alleen met een paar goedkope kostuums en trucages een hele wereld moesten oproepen.

Dat amateurisme geeft de films vaak een campwaarde. In The Revenge of Hercules uit 1960 bijvoorbeeld is het bijzonder grappig te zien hoe de gespierde hoofdpersoon een gevecht aangaat met een standbeeld dat op hem probeert te vallen. De held wordt gespeeld door bodybuilder Mark Forest, die ook in de Maciste-films over een Spartaanse zwaardvechter van de ene in de andere ongeloofwaardige actiescène terecht kwam. Niet minder bizar is het hof van de decadente keizer Valentinianus in Pietro Francisci’s Attila uit 1954; hij laat zijn gladiatorengevechten naspelen door showgirls.

Maar soms kan de slechte smaak ook grootse vormen aannemen, zoals een scène bewijst in Ulysses uit 1955 van Mario Camerini. Die film werd volgens de overlevering medegeregisseerd door cultfilmer Mario Bava en zijn hand lijkt onmiskenbaar aanwezig in de aankomst van de door Kirk Douglas gespeelde Odysseus op het eiland van Kirke.

Uit de mist, groen belicht, met een doorzichtige sluier om haar hoofd en in een fraai glitterende jurk, stapt Silvana Mangano als de tovenares op hem af, terwijl op de soundtrack een orgeltje klinkt.

Het is sublieme kitsch. Fraaie overdrijving, die net als de ontmoeting die Odysseus later heeft met schimmen uit het dodenrijk een mysterieuze sfeer oproept. Het zijn bovendien scenes die de Italiaanse ‘peplum’-films, zoals de films naar een antiek kledingstuk worden genoemd, een nieuw aanzien geeft door de invloed die ze hebben gehad. Want het kan haast niet anders: aan deze wonderbaarlijk vreemde interpretatie van de oudheid moet Federico Fellini hebben gedacht toen hij jaren later zijn Satyricon maakte, naar het verhaal van Petronius.

Zoals ook Pier Paolo Pasolini zonder twijfel schatplichtig was aan de B-films toen hij Edipe Re en Il vangelo secondo Matteo maakte. Bij hem was het een artistieke keuze om de oudheid kaal en armoedig en zonder opsmuk te tonen; voor de filmmakers van The Legend of Aeneas was het vermoedelijk financiele noodzaak hun personages door lege landschappen te laten sjokken, en de regisseur van Achilles had waarschijnlijk ook liever indrukwekkender decors ter beschikking had gehad. Maar hoe hun versie van de oudheid tot stand kwam, is niet belangrijk; als alternatief op de grootse Amerikaanse visies zijn ze juist door de ongewone, vreemde keuzes vaak zo interessant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden