Ariadne in een geschifte, maar niet oninteressante enscenering

Ariadne auf Naxos, van Richard Strauss, door de Opera van Brussel. Herhalingen t/m 29 juni...

Richard Strauss' Ariadne auf Naxos is een opera in een opera. Het is dus ook een opera over opera, en in die hoedanigheid geniet het stuk een groeiende populariteit.

Waar de gemiddelde Strausshater een uitzondering maakt voor het 'radicale' zusterpaar Salome en Elektra, van de jongere operapionier Strauss, begint ook Ariadne van de 'gearriveerde' Strauss weer een bijzondere status te krijgen. In de Brusselse Munt is het stuk te zien in een ietwat getikte, maar niet oninteressante enscenering, waarin de tragische heldin, verlaten door Theseus, zonnebadend op een ligstoel haar einde afwacht. Harlekin en zijn kornuiten maken als gemankeerde Marx Brothers de Griekse stranden onveilig.

Een opera in een opera: de ene opera die in Ariadne auf Naxos in die andere opera zit, is de optelsom van een tragedie (T) en een spel door komedianten (K). Waarbij de komedianten van K aanvankelijk alleen tot doel lijken te hebben het drama van Ariadne door opmonteringsacties onderuit te halen. Om dit alles zit een raamwerk: een openingsbedrijf dat door Hugo von Hofmannsthal, de librettist, een 'proloog' is genoemd. Een bescheiden benaming, voor een akte die drukker bevolkt is dan de Kalverstraat op zaterdagmiddag.

In deze proloog bereiden spelers, organisatoren en een 'componist' zich ruziënd voor op hun tragedie en hun persiflage, tot een absurde proclamatie hen tot zwijgen brengt: de opdrachtgever verordonneert dat de tragedie en de klucht 'wegens tijdgebrek' in elkaar worden geschoven.

Op Ariadne auf Naxos zou het vormschema P(T+K) passen, ware het niet dat de zangers die in T en K de hoofdrollen spelen, in het pandemonium van de eerste akte al optreden als quasi-zichzelf. Voeg er het miraculeuze gegeven aan toe, dat het spel van de potsenmakers naar vorm en geest geheel in de mythe van Ariadne verstrikt raakt, dan kom je uit op de ingewikkelder formule PT'+PK'(TxK).

Eigenlijk: PCT'+PK'(TxK):C.

De C is het geweten van de 'componist', die zich in de eerste akte handenwringend voorbereidt op het debâcle van zijn tragische opera. Zijn conclusies mogen we zelf bedenken; Von Hofmannsthal zag af van een epiloog.

Het spel met de vorm kan door de Strausshater worden opgevat als onoprecht, een indruk die licht ontstaat als het stuk gladjes wordt uitgespeeld. Maar alles wat aan Ariadne auf Naxos 'reactionair' of virtuoos-maar-onwaarachtig schijnt, kan ook de prikkelender wijsheid dienen dat 'onder de theaterschmink geen enkele waarheid verborgen zit, maar slechts ándere vermommingen, tot in het oneindige' - om een woord te citeren uit het tijdschrift van de Munt.

De regisseur van de Brusselse productie, de Duitser Uwe Eric Laufenberg, zet het kracht bij door een reeks relativerende ingrepen. Zo heeft de piano die in het orkest de rol vervult van een neobarok continuo-instrument, op het toneel een permanente dubbelganger, en zo komen we een figurant tegen die sterke gelijkenis toont met Strauss.

De Munt-directie heeft Laufenberg niet weinig geholpen, door de secundaire rollen van de muziekleraar, de componist, de dansmeester en de hofmeester te bezetten met eersteklas zangers en acteurs als Dale Duesing, Susan Chilcot, John Graham Hall en Alexander Oliver. Op hun gewilligheid doet Laufenberg een extra beroep, door ze in de tweede akte nog eens zwijgend te laten figureren - in een zinloos streven naar nóg een laag.

De hoofdrollen van Ariadne, Zerbinetta en Bacchus zijn met de sopranen Katarina Dalayman en Elzbieta Szmytka en de tenor Richard Margison in zoverre gunstig bezet, dat ze Strauss' vocale eisen adequaat beantwoorden. Al resteerde na de grote kakel-aria Grossmächtige Prinzessin van de kekke Szmytka vooral opluchting - dat ze haar hoge tonen had gehaald zonder in overdreven ademnood te raken.

Het zou allemaal nog boeiender zijn geweest als de orkestpartij naar Strauss had geklonken. Strauss zit de chef van de Munt, Antonio Pappano, minder als gegoten dan Puccini, Verdi of Bizet. Met felle, opzwepende accenten laat Pappano horen dat zijn primaire theaterinstinct hem ook in dit stuk niet in de steek laat. Maar de sfeer-, kleur- en karakterwisseling, het subtiele PCT'+PK'(TxK) in de partituur, is niet aan hem besteed. Strauss' postwagneriaanse modulaties leiden hier ook eerder tot onzekerheden bij de hoorns, de klarinet en de strijkers, dan tot het verzwelgende golfbad dat in het decor van Tobias Hoheisel zo fraai wordt verbeeld.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden