Interview Michelle Provoost

Architectuurhistoricus Michelle Provoost: ‘De stad is een organisch weefsel, dat moet kunnen krimpen, groeien en van kleur verschieten’

Het enige wat zeker is in een stad, is dat die blijft veranderen. Architectuurhistoricus Michelle Provoost vertelt hoe je daar als ‘stadmaker’ mee omgaat, met als voorbeeld haar geliefde Rotterdam.

Architectuurhistorici Wouter Vanstiphout en Michelle Provoost op de Luchtsingel in Rotterdam. Beeld Adriaan van der Ploeg

‘De stad is vandaag de dag ­immens populair, maar dat is nog geen garantie dat we haar toekomst niet grandioos om zeep kunnen helpen’, zegt architectuurhistoricus ­Michelle Provoost (54). Als de geschiedenis haar iets heeft geleerd, is het dat de stad zich niet op de tekentafel laat vangen. ‘Stadmaken is een traag vak, het duurt jaren voordat plannen zichtbaar worden. Om te voorkomen dat je wordt ingehaald door de tijd, moeten je plannen flexibel en op meerdere manieren inzetbaar zijn.’

Provoost richtte in de jaren negentig met Wouter Vanstiphout het Rotterdamse bureau Crimson op en is bovendien directeur van het International New Town Institute, een denktank over nieuwe stedelijkheid. Ze is een veelgevraagd onafhankelijk denker over Nederlandse architectuur. ‘Bij Crimson werken vrijwel alleen historici, geen ontwerpers. Anders dan architecten, die het liefst de kaart schoonvegen om lekker te kunnen bouwen, vertrekken wij vanuit wat er al is: de bestaande kwaliteit van een plek.’

Een voorbeeldje. Crimson houdt kantoor naast het Schieblock, op schootsafstand van het Centraal ­Station. Toen de stad tien jaar geleden zuchtte onder de bankencrisis, werd onder regie van het Rotterdamse Zones Urbaines Sensibles (ZUS) een leegstaande modernistische kolos in deze kantorenbuurt overgenomen door een typisch ­Rotterdamse mix van alternatieve entrepreneurs, kunstenaars, muzikanten en horeca. ‘Dat zijn groepen die klassieke projectontwikkelaars zullen overslaan.’

Het is in tien jaar tijd een levendige omgeving geworden waar, nu de crisis voorbij is, ontwikkelaars gretig hun oog op laten vallen om geld te kunnen verdienen, waardoor de kwartiermakers het veld moeten ruimen.

‘Niet doen’, zegt Provoost. ‘Dit is een voorbeeld van hoe de stad, ­ondanks de crisis, aan waarde heeft gewonnen.’ Deze buurt is ­inmiddels tip nummer 1 in de Lonely Planet. De geelkleurige houten loopbrug (De Luchtbrug) die er dwars doorheen loopt, is bijna net zo’n icoon als de Euromast. ‘De crisis is voor Rotterdam eigenlijk een zegen geweest. Niemand had tien jaar geleden ­durven voorspellen dat deze stad zo populair zou worden.’

De hofbogen in Rotterdam. Beeld Maarten Laupman

Anders dan in Amsterdam 

In het Schieblock zijn de huren op de begane grond expres laag gehouden, zodat een vitale mengcultuur is ontstaan van horeca, winkels en bedrijfjes in een voorheen doodse straat. ‘Kijk eens naar Amsterdam, waar de huren in de plinten in het centrum zo hoog zijn dat alleen stroopwafelwinkels of toeristen­zaken ze kunnen betalen.’

Een dergelijke monocultuur is een slecht scenario voor een stad. ‘Amsterdammers hebben straks zelf niets meer te zoeken in hun centrum.’ De deskundigen zijn het erover eens dat een goede stad een stad is waar juist een gewogen mix van functies, voorzieningen en culturen zorgt voor leefbaarheid.

Amsterdam past in het rijtje van Londen, Parijs en Berlijn: steden die ten onder dreigen te gaan aan hun eigen succes. Het toerisme en de hoge vierkantemeterprijzen drijven alternatieve cultuur, lage- en middeninkomens de stad uit. ‘Uit ­onderzoek dat wij hebben gedaan, zie je dat op 60 kilometer afstand van Londen nog de effecten van verdringing merkbaar zijn.’ Studenten, migranten, leraren en politiemensen: ze kunnen de huren niet opbrengen en zien de afstand tot de hoofdstad groeien.

Eten in de hofbogen. Beeld Maarten Laupman

Provoost: ‘Dat verdwijnen van ­diversiteit in de stad is zeer zorgelijk. De essentie van stedelijkheid is dat je dingen krijgt waar je niet om hebt gevraagd. Een buurman die je niet kent, een christelijke boekhandel naast de deur of een winkel met tropisch voedsel dat je niet van plan was te eten.’ Als we ons afvragen hoe je uit de socialemediabubbel kunt komen, zegt Provoost, dan is de straat de analoge variant hiervan. ‘Je moet ontvankelijk zijn voor verschillende perspectieven. Een open, diverse, stad kan daarbij helpen.’

Wanneer groepen worden buitengesloten, ontstaat segregatie. ‘Kijk naar Zweden, het land waarvan wij de illusie koesteren dat alles beter is geregeld dan hier. Maar sommige buitenwijken van Stockholm worden voor 98 procent bevolkt door migranten. Daar ontstaat een enorme polarisatie ten opzichte van de witte ­binnensteden. Elk begrip voor elkaar is verdwenen. Dat zie je terug in het stemgedrag bij verkiezingen.’

De stad is een organisch weefsel

Tel je zegeningen, is het motto van de architectuurhistorici bij het bestuderen van de leefbaarheid van Nederlandse steden. ‘In dit land zijn geen echte getto’s, althans, niet ­zoals elders in Europa.’ En volgens Provoost is dat dankzij twee oer-­Hollandse kwaliteiten: De Randstad en de welvaartstaat. ‘De Randstad is een relatief ruim opgezet weefsel, waar kleine en grote steden naast elkaar bestaan en waarin er veel verschil in woonomgeving is: van stenig en hoogstads tot zeer groen en sub-urbaan. ‘En ondanks die variatie, ben je in Nederland snel de stad in en uit, in tegenstelling tot uitdijende agglo­meraties als Parijs of Londen.’

Daarnaast zorgde de welvaartsstaat met zijn sociale vangnetten en ruime financiering van sociale woningbouw in de jaren zestig voor een ­gemengde stad. ‘Dat succes dreigt te verdwijnen doordat met de neoliberalisering die in de jaren negentig is ingezet, te weinig is nagedacht over wat die zegeningen van de welvaartsstaat nu precies waren.’ Minder marktwerking en meer sturing op ­gemeenschappelijke belangen, dat zou de stad goed doen.

Als de geschiedenis Provoost iets heeft geleerd, is het dat je moet voorkomen dat je de stad dichttimmert met een onomkeerbare architectonische erfenis. Zoals de Wibautstraat in Amsterdam in de jaren zestig. Toen dachten de stedenbouwers dat de toekomst van de stad lag in een systeem van brede autowegen en kantoorflats. In die tijd gingen oude stadsstraten rigoureus tegen de vlakte. Maar de tijd heeft uitgewezen dat dit een groot misverstand is.

‘De stad is een organisch weefsel, dat moet kunnen krimpen, groeien en van kleur verschieten.’ Je moet tijdelijkheid omarmen als iets voor altijd: ‘Ontwerpen voor tijdelijkheid betekent niet zeecontainers ombouwen tot een leuk studentenhuis. Het gaat om kwalitatieve architectuur, die steeds andere groepen of functies aankan.’ Die inspeelt op de toegenomen mobiliteit van bevolkingsgroepen als studenten, tweeverdieners, expats en migranten. ‘Vroeger speelden wooncarrières zich twintig jaar op dezelfde plek af. Dat is nu echt anders.’

Horeca in de hofbogen. Beeld Maarten Laupman

Op vraag hoe je de stad leefbaar houdt, zijn soms verbazend simpele antwoorden mogelijk. Provoost: ‘Betaalbaar wonen staat bovenaan.’ Daarnaast: ‘Houd de huur van plinten aan de straat laag, zodat daar een levendige mix van stedelijk functies in kan floreren.’ En: ‘Investeer in openbare ruimte. In een volle stad zijn de straat of het park meer dan ooit de plek waar je onbekende mensen kunt tegenkomen tot wie je je moet verhouden.’

En tip 4: leer van de crisis, de jaren dat de stad zijn ruggengraat moest ­laten zien. ‘Ik denk dat de vertraging die door de crisis is opgetreden heeft aangetoond een succesvolle gebiedsontwikkeling niet altijd over winstmaximalisatie gaat. Kijk naar het ­succes van Schieblock in Rotterdam.’

Maar voor Rotterdam geldt, net als voor Amsterdam: successen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. ‘Net als in Amsterdam ontstaan in Rotterdam in hoog tempo onbetaalbare wijken.’ Boven de rivier zijn al veel huizen onbetaalbaar. Ten zuiden van de Maas is het nu nog goedkoper, maar daar behoren de stijgingspercentages van de vierkante meterprijzen tot de hoogste van Nederland.

‘Rotterdam was lang een lastige, rauwe stad die zichzelf altijd als underdog positioneerde’, zegt Provoost. ‘Dat is echt voorbij. De stad moet meer zelfbewustzijn tonen. Je hebt wat te willen als stad. Dat moet je ­durven afdwingen.’

ZUS Architecten: City of Permanent Temporality. Nai010 uitgevers; 448 pagina’s; € 39,95. Met bijdragen van ­onder anderen Michelle ­Provoost en Wouter Vanstiphout.

BNA Onderzoek: Stad van de Toekomst, Stad maken in tijden van grote transities; 240 pagina’s; € 29,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.