Arabisch is logischer dan Romeins (Gerectificeerd)

Aan de vooravond van het tweede millennium was onder liefhebbers van Romeinse cijfers de grote vraag: hoe schrijf je 1999 in Romeinse cijfers?...

Han van Gessel

In het kleinood Romeinse cijfers doet Ko van Harn, als senior-redacteur verbonden aan de universiteitsbibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, een poging enige orde aan te brengen in de chaos. Hij doet dat door niet alleen op een aantrekkelijke manier duidelijk te maken waar de Romeinse cijfers vandaan komen en wat hun betekenis is, maar ook door inzicht te geven in het nog steeds geldende gebruik en de regels daarbij.

Romeinse cijfers hebben eeuwenlang het Europese cijfersysteem gedomineerd. Ze bestaan uit zeven tekens: I (één), V (vijf), X (tien), L (vijftig), C (honderd), D (vijfhonderd), M (duizend). Die tekens werden afgeleid uit Griekse en Etruskische lettertekens. Door ze op een bepaalde manier te groeperen werd het bedoelde getal aangeduid. Romeinse steenhouwers hebben de vorm van de cijfers voor eeuwen vastgebeiteld in triomfbogen.

Rond de 15de eeuw drong het Arabische tientallige cijfersysteem Europa binnen. Dat had grote voordelen. Het was niet gebaseerd op een rangorde (hoogste cijfer eerst, behoudens bijzondere bepalingen), maar op een plaatsingsvolgorde (van achteren naar voren: laatste cijfer eentallen, tweede cijfer tientallen, derde cijfer honderdtallen, enzovoort). Bovendien beschikten de Arabieren (in die tijd superieure wiskundigen) over een teken voor het getal nul, dat ruim tevoren in India was uitgevonden.

‘Het Arabische getallenstelsel was veel logischer en eenvoudiger dan het Romeinse’, constateert Van Harn, ‘en het duurde dan ook niet lang of handelslieden, bankiers en andere mensen die veel moesten rekenen, schakelden over op dit Arabische stelsel.’ Dat geldt tot op de dag van vandaag. Alleen al met drie cijfers kun je veel getallen maken: 123, 321, 213, 231, 132, 312. Zonder al te veel poespas. Iedereen begrijpt het meteen.

Toch worden Romeinse cijfers nog steeds gebruikt. Vooral bij plechtige momenten en op majesteitelijke monumenten– en op horloges. Echte regels voor het gebruik zijn er daarbij niet, wel ingeburgerde afspraken. De grootste waarde komt eerst, een lagere waarde komt alleen vóór de hogere, als die niet kleiner is dan een tiende van het getal waarvan die afgetrokken wordt. Alleen één kleiner cijfer dat afgetrokken moet worden, kan aan de linkerzijde van het hogere getal worden geplaatst.

Dat geeft houvast bij de oplossing van het probleem hoe 1999 te schrijven in Romeinse cijfers. De grootste waarde eerst: M (1000). Dan de daarop volgende: CM (900). Dan de volgende: XC (90). En ten slotte de rest: IX (9). Dus: MCMXCIX (1999). Een hele klus voor de steenhouwer, maar hij moet het er maar mee doen.

Wie lak had aan alle afspraken was de maker van de wijzerplaat aan de klok van de Obrechtkerk in Amsterdam. Die verwisselde doodleuk in Romeinse cijfers de 9 en de 11 (XI staat voor 9, IX staat voor 11). Iedereen kan het nog zien. Luiden doet de klok gelukkig wel op het juiste tijdstip.

Han van Gessel

Ko van Harn: Romeinse cijfersDe Buitenkant; euro 12De Buitenkant; euro 12

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden