Interview Debuutroman

Annemarie Haverkamp: ‘Uit lijden verlossen gehandicapt kind kan ik begrijpen, niet rechtvaardigen’

Wie zorgt voor mijn gehandicapte kind als ik sterf? Annemarie Haverkamp onderzoekt de angst voor het antwoord op die vraag in haar romandebuut De achtste dag.

Schrijfster en columnist Annemarie Haverkamp. Beeld Ivo van der Bent

Een week voor we elkaar zullen spreken over haar debuutroman De achtste dag, wordt Annemarie Haverkamp (44) ’s nachts wakker van het gehuil van haar zoon Job. Ze gaat erheen, ziet dat hij het benauwd heeft, probeert hem rechtop te zetten en met liedjes te kalmeren. Vroeger werkte dat, als hij dit soort aanvallen had; door een ernstige vergroeiing van de wervelkolom staat zijn rug in een hoek van negentig graden en zitten zijn longen in de verdrukking. Maar nu klinkt zijn hoesten serieuzer, heeft hij zichtbaar pijn, trillen zijn benen en begint hij met zijn ogen te rollen.

‘Dan sta je daar dus’, zegt Haverkamp, in de schrijverskamer van haar Amsterdamse uitgeverij, ‘met de telefoon al in de hand, te overleggen met je man: wat doen we? Bellen we de dokterspost of meteen het ziekenhuis?’

Annemarie Haverkamp is journalist en schrijver. Ze is ook moeder van een 15-jarige zoon die door een zeldzame chromosoomafwijking ernstig geestelijk en lichamelijk gehandicapt is. Sinds zijn geboorte schrijft ze over hem: columns in De Gelderlander en het non-fictieboek Dolgelukkig zijn wij, over de eerste maanden uit het leven van Job – overigens niet zijn echte naam.

Annemarie Haverkamp. Beeld Ivo van der Bent

In de brief die de drukproef van De achtste dag begeleidde, schreef Haverkamp: ‘Je eigen kind overleven is het ergste wat een ouder kan overkomen, wordt vaak gezegd. Het zou onnatuurlijk zijn. Maar wat als je kind gehandicapt en volledig afhankelijk is van jou als ouder? Dan zijn er twee nachtmerries: de eerste is dat je kind overlijdt aan zijn zwakten, de tweede is dat je kind níét overlijdt en langer leeft dan jij.’

Was dit zo’n moment waarop je dacht: zijn leven is in gevaar?

‘Even, in het ziekenhuis. Terwijl een arts hem onderzocht schoot door me heen: gaat het nu beginnen? Van alles wat Job heeft, zijn de longen het meest levensbedreigend. Deze zomer zei een van zijn artsen: een longontsteking zou hij wellicht niet kunnen overleven. Maar we lopen niet op de zaken vooruit. Dat hebben we de afgelopen vijftien jaar geleerd: niet in paniek raken, met de dag leven. Hij is er dit keer met een antibioticakuur bovenop gekomen. Wie weet gaat het nog heel lang goed met hem. Wordt hij 80. Al lijkt me dat onwaarschijnlijk.’

Welke van de twee nachtmerries die jij in je brief beschreef, houdt jou het meest wakker?

‘Het klinkt misschien heel egocentrisch, maar het is de eerste. Het is een realistischer nachtmerrie. Ik zeg soms: mijn zoon is mijn grootste verdriet, maar ook mijn grootste troost. Als ik die niet meer zou hebben, blijft alleen het verdriet over. Dat houdt mij meer bezig dan een voorstelling maken van de gedachte dat hij mij zou overleven.’

Toch is het precies die gedachte die de hoofdpersoon uit De Achtste dag uit zijn slaap houdt. Weduwnaar Egbert woont samen met zijn gehandicapte zoon Adam in een verlaten grenslandschap aan een rivier. Hij heeft geen vrienden en zijn broer in Duitsland ziet hij zelden. Als hij hoort dat hij terminaal ziek is en niet lang meer zal leven, moet hij noodgedwongen nadenken over de toekomst van zijn zoon. Huiveringwekkend is het eerste hoofdstuk, waarin hij voorbereidingen treft om aan hun beider leven een einde te maken.

Waarom wilde je over zo’n heftig onderwerp een roman schrijven?

‘Ik heb altijd een fascinatie gehad met de dood, en specifieker met of het erg is dood te zijn. Als je een heftig leven hebt gehad, of veel pijn – is het dan erg als je er niet meer bent? Is het voor jou erg, of voor je nabestaanden? En als je dan verder denkt: wat is eigenlijk een goed leven? Wanneer is het beter om er niet meer te zijn? Toen onze zoon werd geboren, werd die fascinatie op scherp gezet. Die eerste dagen stelden wij ons serieus de vraag: moet een kind dat zo veel afwijkingen heeft, blijven leven? Hij had een kromme rug, misvormde schedel, lage spierspanning, een navelbreuk, hakvoeten, gedraaide darmen en een hartafwijking. Mag je dan als ouder zeggen: het hoeft niet? En stel dat we tegen een arts hadden gezegd hij de stekker eruit mag trekken. En hij zou hebben geweigerd. Zouden we het dan zelf doen? Waarom zou je überhaupt de verantwoordelijkheid voor zoiets bij een ander leggen?’

Zou je ertoe in staat zijn geweest?

‘Dat weet ik niet. Voor alle duidelijkheid: mijn kind lijdt niet. Dus ik ben nooit voor het dilemma geplaatst. Maar in de kranten las ik de afgelopen jaren over familiedrama’s waarbij een gehandicapt kind betrokken was, en dan was ik altijd mateloos geïnteresseerd: wat zou erachter zitten? Dat heb ik nu tot fictie verwerkt.’

Je had tot nu toe alleen non-fictie geschreven. Is dit een roman om het onderwerp meer op afstand te houden? Of juist om je helemaal te kunnen inleven?

‘Ik wilde allereerst gewoon graag een roman schrijven. Ik ben journalist, ik schrijf columns, ik heb een non-fictieboek geschreven. Ik vond het tijd mezelf verder te ontwikkelen.’

Je had het ook in een heel andere hoek kunnen zoeken. Ver van je eigen situatie.

‘Dat heb ik geprobeerd. Ik heb allerlei aanzetten voor korte verhalen geschreven, maar ik dacht steeds: wie gaat dit nou lezen? Ik wilde iets schrijven waarvan je als lezer denkt: als ik in die situatie verkeerde, wat zou ik dan doen? En het enige dat daaraan voldeed, was het verhaal dat het eerste hoofdstuk is geworden van De achtste dag. Dus dat ben ik gaan uitwerken: wat voor man is Egbert? Wat heeft zijn zoon? En waarom besluit hij een einde te maken aan hun leven?’

Waarnaar was je het nieuwsgierigst?

‘Ik wilde weten hoever je in het nauw moet zijn gedreven voordat je ervan overtuigd bent – en voor de duidelijkheid: dat is hij niet, hij twijfelt tot het eind – dat je kind het leven ontnemen de enige oplossing is.’

Als journalist reisde ze met het Liliane Fonds mee, onder andere naar Brazilië, om ouders van gehandicapte kinderen te interviewen. In elk gesprek stelde ze de vraag: waar lig je wakker van? ‘En altijd was het antwoord, vooral van de moeders: wat gebeurt er met mijn kind als ik er niet meer ben? En dan zaten we binnen vijf minuten beiden te huilen. Ik dacht dan: ik kom verdorie van de andere kant van de wereld, maar het is ook míjn angst. Dat universele gevoel: ik ben de enige die jou, mijn kind, kan lezen. Die weet waaraan jij behoefte hebt. En ik ben ook de enige op deze planeet – in mijn geval samen met mijn man – die zo veel van jou houdt dat ik werkelijk alles voor jou zou doen.’

Hebben jij en je man ooit iets laten vastleggen, mocht jullie iets overkomen?

‘We hebben twee voogden in de familie. Die hebben van begin af aan gezegd dat ze niet zelf voor Job zullen zorgen, maar wel een goede oplossing voor hem gaan zoeken. Dus dan komen de vragen: redt hij zich wel? Is er plek in een zorgcentrum? Is er een goede plek? Wordt hij niet verwaarloosd? Of erger: misbruikt? Is er iemand die hem kan begrijpen? Die hem stimuleert?’

In de zeven dagen uit het leven van Egbert en Adam krijg je het als lezer behoorlijk voor de kiezen. Het begint al op dag 1: als vader en zoon allebei met een touw om hun nek onder de lift staan. Daar lopen je de rillingen van over de rug. Ben je niet bang geweest dat lezers het boek meteen dichtklappen?

‘Ja, daarom heb ik Egbert zo verschrikkelijk veel van zijn zoon laten houden. Een boodschap van dit boek is ook dat je er als buitenstaander helemaal geen voorstelling van kunt maken, hoe groot die liefde is. Misschien kun je daarom meegaan met zijn verhaal. Althans, voor een heel eind.’

Annemarie Haverkamp. Beeld Ivo van der Bent

Waarom zeg je ‘een heel eind’?

‘Omdat er een verschil is tussen begrijpen en rechtvaardigen. En omdat ik elke verdenking uit de weg wil gaan dat ik, als auteur van dit boek, in het echt mijn eigen kind zou kunnen ombrengen. Als het goed is, denk jij op een gegeven moment in dit verhaal: zoek nou toch eens hulp, man! Je hebt een broer! Zorg dat die je zoon leert kennen. Zorg dat er een netwerk is van mensen die, als jij er niet meer bent, zeggen: wat is dit voor een bijzonder exemplaar, ik versta hem niet. Zoals wij hebben gedaan. Maar ik weet dat er ook ouders zijn die geen hulp zoeken. Omdat ze niet weten hoe ze dat moeten doen. Of zich niet kunnen voorstellen dat iemand anders hun kind ook liefde kan geven.’

Ineens: ‘Dit boek gaat eigenlijk over eenzaamheid. Over mijn zorgen. Ik kan wel met familie en vrienden praten, maar ik denk dat ze nooit echt voelen wat het voor mij betekent om te leven met de dagelijkse zorg.’

Je hebt Egbert in het nauw gedreven zodat hij over dit dilemma moet nadenken: als ik dan tot de conclusie ben gekomen dat mijn kind ombrengen de enige optie lijkt, kan ik het dan ook? Maar voor jou komt dit dilemma dichterbij: dat Job zo veel pijn gaat krijgen dat het ondraaglijk wordt. Wat beslis je als ouder dan?

‘In een scène in het boek laat ik Egbert op internet het verhaal vinden over de zaak Robert Latimer. Dat is een waargebeurd verhaal, over een Canadese boer die zijn 12-jarige, ernstig gehandicapte dochter van het leven berooft om haar verder lijden te besparen. Ik kwam het tegen tijdens de research voor dit verhaal.’

Wat dacht je toen je erover las?

‘Zoals ik net ook al zei kan ik het begrijpen als een ouder zijn kind uit liefde uit haar lijden verlost. Dat betekent niet dat ik het kan rechtvaardigen.’

Egbert merkt op dat in alle discussies naar aanleiding van de zaak-Latimer steeds de vraag ‘wie beslist wat lijden is?’ terugkomt.

‘En dan las ik over mensen die over zijn dochter zeiden: ze leed niet alleen, ze had ook veel mooie momenten, maar hoeveel mooie momenten heb je nodig om het leven waardig te maken?’

Heb je daar een antwoord op?

‘Nee, maar als je ziet wat mijn zoon allemaal niet kan dan zou ik dat voor mezelf niet willen. Hij kan niet lopen, hij krijgt geen normaal onderwijs, hij kan geen vrienden maken, hij draagt een korset om rechtop te kunnen zitten. Hij moet voor altijd op therapie. In Dolgelukkig zijn we schrijf ik dat mijn man zegt, dat als dat zijn leven zou zijn hij liever wordt doodgeschoten. Nu zijn we vijftien jaar verder en heb ik niet alleen een hartstikke blij kind, maar ook een die ik voor geen goud wil ruilen voor het gezonde kind van iemand anders. Ik wil er maar één, en die woont bij mij.’

De achtste dag, Lebowski, € 19,99

Columnist

Annemarie Haverkamp begon in 2003 met het schrijven van een ­wekelijkse column voor De Gelderlander, getiteld ‘Wij zijn zwanger’. De ‘wij’, verwees naar haar en de toenmalige prinses Máxima; beiden waren in dezelfde tijd voor het eerst in verwachting. Toen Haverkamp moeder werd van een ernstig ­gehandicapte zoon, besloot ze haar column voort te zetten. ‘Job’ verschijnt wekelijks en is inmiddels ­gebundeld in vier boeken. In 2010 verscheen Dolgelukkig zijn wij

Meer interviews? Beluister dan ook de Volkskrant podcast Met Groenteman in de kast

Dat grote moment, wanneer alle puzzelstukjes op hun plek vallen, daar doet schrijver en journalist Joris van Casteren het voor. Voor zijn nieuwste boek, Moeders lichaam, dook hij in het bizarre verhaal van Piet, die het lichaam van zijn overleden moeder drie jaar in huis bewaarde. Hij komt in deze aflevering van Met Groenteman in de kast naar de archiefkast om erover te praten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden