Achter het boekAnna Enquist

Anna Enquist: ‘Het blijft een gevecht, tussen willen blijven bij wat er was en vooruit willen’

Anna Enquist: ‘Je wilt blijven bij de tijd dat je kind er nog was. Maar de tijd is verdergegaan en stiekem ben je meegegaan.’Beeld Erik Smits

Hoe dicht de dichter? Het liefst zou Anna Enquist doen alsof er niets aan de hand is, maar de ouderdom sluipt haar leven en haar gedichten binnen. ‘Het enige wat je kunt doen, is heel goed tot je laten doordringen hoe het is, nu.’

In haar debuut Soldatenliederen kwamen veel kinderen voor. De zoon die over de trap roffelt, de meisjeskamer van de 15-jarige, het veel te snelle opgroeien dat de moeder doorklieft ‘met hete messen van verlies’. Ook haar zojuist verschenen bundel Berichten van het front staat vol kinderen: gestorven borelingen van collega-schrijvers, de verdwenen dochter van Demeter, het eigen ontbrekende kind. Tussen die twee bundels met hun verwante thematiek, verwante vormen en verwante titels, ligt een heel leven.

Toen Anna Enquist (1945) op haar 46ste debuteerde, had ze er al een pianostudie aan het conservatorium op zitten en voerde ze een praktijk voor psychotherapie. Haar poëzie viel op en ze was meteen een aanwezige stem in de Nederlandse letteren. Toen ze op haar 55ste haar dochter verloor door een verkeersongeluk, brak alles in tweeën. Ervoor, erna.

De overweldigende pijn kwam terecht in haar werk, in de dichtbundels vanaf De tussentijd, in de historische roman De thuiskomst, in de roman Contrapunt waarin de moeder het verlies van haar dochter te lijf gaat door Bachs Goldbergvariaties te studeren.

De thematiek van afscheid, angst, woede en moederschap uit haar vroege bundels kreeg er na 2001 dus een anachronistische schaduw bij, maar het is altijd haar thematiek geweest. ‘Ik vond het meteen al verschrikkelijk dat kinderen zo snel groot worden’, zegt ze. ‘Dat heb ik nu met de kleinkinderen ook. Het vliegt voorbij en zelf zijn ze blij dat ze langere benen krijgen en meer kunnen, maar als moeder mis je het al snel, zo’n lekker vettig peutertje op je schoot. Het enige wat je kunt doen, is heel goed tot je laten doordringen hoe het is, nu.’

Ze schrijft vaak over tijd, over vastleggen, bevriezen. Sneeuw, ijs en kou behoren tot haar favoriete beelden. In haar debuut schaatst ze over zwart ijs op weg naar nergens; in de nieuwe bundel zit Demeter met versteende voeten in de ijsmodder en wacht op haar dochter die niet komt. In de bundel zit echter ook veel over zin hebben in het leven, dingen mooi vinden (muziek, natuur), de wil er gewoon te zijn en de zwaarte met rust te laten. En er komt iets nieuws naar voren: reflectie op de ouderdom, een frisse, verse woede om wat óók nog verloren gaat.

Wie haar spreekt, ontmoet allerminst een oud iemand. Ze arriveert met de fiets uit Zuidoost in het centrum van Amsterdam, ze moet op tijd weg want ze mag ‘gelúkkig weer oppassen op de kleinkinderen!’ en ze vertelt gretig over wat ze de afgelopen maanden heeft gedaan: gisteren voor het eerst weer gerepeteerd met haar strijkkwartet en veel pianogespeeld.

‘Dat was echt fijn, ik had opeens natuurlijk zo veel tijd over en dan stort ik me ergens op. Ik stel mezelf graag doelen, projecten. Alle toccata’s van Bach, of alle partita’s – al heb ik die vroeger ook gestudeerd, dus dat vind ik een beetje valsspelen. Dus nu ben ik Brahms’ opus 118 gaan doen, dat zijn zes pianostukken waarvan ik er vier nooit eerder heb gespeeld. Het slaat nergens op natuurlijk, want waar doe je het voor, maar toch. Voor je eigen gezondheid.’

Beeld Erik Smits

Streeft u dan hetzelfde niveau na als in uw conservatoriumtijd? 

‘Dat hoop ik wel. Ik wil wel echt inzicht in een stuk krijgen, een idee krijgen van waar de zwaartepunten liggen, het dynamisch goed in elkaar zetten en natuurlijk moet het technisch kloppen. Maar ja, dat kost dus héél veel tijd, veel meer dan vroeger.’

Toen speelde u waarschijnlijk dag en nacht. 

‘In elk geval vier, vijf uur per dag. Nu laat ik het ook makkelijker weer liggen. Als ik mag oppassen op de kleinkinderen, gaat die piano meteen dicht en stap ik op de fiets. Maar ik stort me er wel in, ja. Ik lees over interpretaties, over tempi, ik kijk soms op YouTube naar hoe anderen het doen, dat soort dingen. Lezen over componisten doe ik niet, eigenlijk alleen als ik er ook over moet schrijven. Ik moest voor het Dudok Kwartet een stuk schrijven over Haydn, dan ga ik zijn brieven lezen, biografieën. Al zijn sonates heb ik ook ooit gestudeerd, dat vond ik zó leuk, dat is echt een ontzettend leuke componist, zo verrassend. De Mozart-sonates heb ik ook ooit gedaan, die vond ik veel minder aantrekkelijk. Haydn durft meer. En dat is voor een schrijver ook weer interessant.’

Omdat een schrijver ook moet durven? 

‘Ja, dat heb ik wel weer gemerkt bij deze nieuwe bundel, dat ik dacht: durf gewoon te schrijven zoals je zelf wilt.’

Beeld Erik Smits

Dat gaat kennelijk niet vanzelf.

‘Nee, er is toch die mogelijke recensent die over je schouder kijkt, de gedachte aan hoe het zal vallen bij intimi, bij vrienden. Wat je redacteur ervan vindt, wat je lezers ervan vinden. Ik moet actief besluiten dat ik daar niets mee te maken heb. Dat is me bij deze bundel goed bevallen. Al blijft de onzekerheid natuurlijk altijd.’

Laat u mensen meelezen? 

‘Nooit als ik nog schrijf, altijd pas als ik klaar ben. Ik laat me slecht redigeren. Misschien is het inmiddels eigenwijsheid van de ouderdom, maar het is zeker ook iets karakterologisch. De gedachte dat iemand onderweg meeleest, mijn man of vrienden, vind ik onvoorstelbaar. Mijn redacteur leest het meestal als eerste en dan laat ik er liefst niet veel aan veranderen.’

Toch heeft u het over onzekerheid. Heeft u die altijd gehad? 

‘In het begin misschien nog het minst. Toen had ik zo’n enorme functielust, zo’n gevoel van ontdekking: god, dit kan en dat kan, wat leuk. Die kinderlijke blijdschap gaat er wel af. Je leert de literaire wereld kennen, je leest meer, de functie van de kritiek gaat zwaarder op je drukken. Dus wordt het ook meer werk om dat van je af te zetten.’

Hoe doet u dat? 

‘Je heel erg verdiepen in wat je wilt schrijven, je onderwerp, de vorm, dat is lastig genoeg. Deze nieuwe bundel heb ik echt van begin tot eind geschreven, zelfs grotendeels chronologisch, het liet me niet los. Het was geweldig om van het ene op het andere gedicht door te gaan, zo dat het een doorlopend verhaal werd.’

Dat verhaal gaat van verlies naar verdoving door kou naar het warmere leven – het gras, de vijgenboom, de hop – naar het besef van eindigheid. Wist u vooraf dat het op die manier zou verlopen? Hoe begon u? 

‘Ik zit in een Herodotus-vertaalclubje en daar bespraken we een passage waarin Demeter voorkwam. Die zette mij aan het denken. Demeter verliest haar dochter Persephone aan de onderwereld en is wanhopig op zoek naar haar. Ze doet alles om haar dochter terug te vinden en voor een deel lukt dat, ze mag haar een paar maanden per jaar zien. Ik ben natuurlijk jaloers op Demeter. Haar kind is weg, maar het komt af en toe terug. Het is  verleidelijk om zo’n onderwereld te hebben, een soort spiegelwereld waarin je elkaar weer ziet. Ik heb daar niets mee, ik heb nooit enige steun aan zoiets gehad, maar voor Demeter was het reëel, die ging echt voor de deur zitten, wachtend tot ze dat kind kon meerukken. Ikzelf heb eigenlijk alleen maar de concrete onderwereld, de begraafplaats. Dat je denkt: wat groeit alles hier toch goed – ja, omdat er allemaal dode mensen onder de grond liggen.

U bezoekt het graf van uw dochter wekelijks.

‘Ja, ik zorg goed voor het graf. Ik wil dat het verzorgd is, dat er bloemen staan. Het hangt me soms enorm de keel uit, maar ik ga wel.’

Het gedicht ‘Afloop’ begint u met ‘Ik zal het kort houden’. Maar de rouw over uw dochter kunt u niet kort houden, u hebt er veel over geschreven en doet dat nu weer. 

‘Maar in het gedicht hou ik het kort! Het blijft natuurlijk een onderwerp, het verdwijnt niet. Het is een cyclisch proces en het zal steeds op een andere manier gaan.’

In hetzelfde gedicht staat de regel ‘Tijd ligt ver voor op ruimte’. Wat bedoelt u daarmee? 

‘In de ruimte ben je nog bij dat verloren kind. Je woont nog in het huis waar zij is opgegroeid, haar foto’s hangen daar, er zwerven spullen en dat is ook wat je wilt, je wilt blijven bij de tijd dat ze er nog was. Maar dat gaat niet. De tijd is ondertussen verdergegaan en zelf ben je ergens ook stiekem meegegaan. De periode tussen de tijd nu en de tijd dat ze er nog was wordt steeds groter.’

Waarom zegt u ‘stiekem’? 

‘Omdat het voelt alsof het eigenlijk niet zou mogen. Je moet eigenlijk bij haar blijven, maar je leeft verder. Naast het gemis blijken er ook fijne dingen te zijn en kennelijk heb je daar ook energie voor. Om partijen in te studeren, te gaan wandelen, op te passen, dus zo stiekem is het niet. Alles verandert voortdurend, ook jijzelf.’

Uw gedichten over haar veranderen ook. U schrijft nu ‘heb eerbied voor verdriet en laat het kind met rust’, dat is minder verscheurd dan eerder. 

‘Het blijft een gevecht, een conflict. Tussen willen blijven bij wat er was en vooruit willen. En áls je dan vooruitgaat, ga je er uiteindelijk toch nog aan. Ik ben nu op een leeftijd dat om mij heen een heleboel mensen verdwijnen. Neurologische aandoeningen, hersenbloedingen, ouderdom, de een na de ander valt om.’

Daarover gaat het gedicht ‘De schapentrog’: mooi en wrang tegelijk. 

‘Bij het huis dat wij vaak huren in de Pyreneeën staat ergens zo’n rechthoekige schapentrog waar de kudde kan drinken en daarboven staat een hazelaar, dus die nootjes van de hazelaar vallen in het water van de trog. Omdat dat water enigszins stroomt, dobberen ze naar de uitgang, de een heel makkelijk, andere blijven liggen, gaan in de hoekjes zitten, die willen niet.’

De ontkenners. 

‘Ik vrees dat ik daar zelf eentje van ben. Ik word wel 75, maar ik doe toch alsof er niks aan de hand is. Een paar keer per week op de fiets naar de stad, alles kan, geen centje pijn. Maar ook ik vind het lastig dat je steeds minder meetelt. Je wordt overtollig.’

Dat ouderdom wel meevalt, dat je bijvoorbeeld milder wordt, noemt u in een gedicht ‘Leugens zo zacht als boterdeeg’. Het valt níét mee, vindt u en u schrijft over hoe met het einde van een leven een reservoir aan kennis en herinnering de afgrond in wordt gekieperd. Dat is hard.

‘Hard is realistisch. Het is gewoon niet zo dat oude mensen met harmonie en mildheid op hun leven terugkijken, juist niet. Veel oude mensen zijn woedend. En terecht, alles wordt je afgepakt.’

Anna Enquist: ‘Het is gewoon niet zo dat oude mensen met harmonie en mildheid terugkijken op hun leven, juist niet.’Beeld Erik Smits

Het schrijven niet. 

‘Schrijven blijft bijzonder. Het leuke met taal is dat iedereen die kan en mag gebruiken, je mag gewoon met taal aan de slag. De taal is ook van jou. Je hebt er geen opleiding voor nodig, niks.’

Maar er zijn wel mensen van wie u dingen hebt geleerd. Dichter Gerrit Kouwenaar bijvoorbeeld, met wie u bevriend was, en misschien nog andere schrijvers? 

‘O, zeker. Over de vorm vooral. Van Jan Eijkelboom heb ik geleerd: wantrouw de eerste impuls. Die brengt je het gedicht in, dus je moet hem opschrijven en serieus nemen, maar daarna moet je er kritisch naar gaan kijken: heb ik dat trapje nodig of kan ik het gewoon weghalen. En van Gerrit heb ik geleerd dat je best korte regels kunt gebruiken, als je maar zorgt dat daarin dan werkelijk iets aan de hand is. Of over abstracties: op avonden in Frankrijk, als er veel drank in zat, kon Gerrit zeggen: zo’n woord als ‘wereld’, dat kan helemaal niet in een gedicht, dat is veel te wijd en abstract. Je moet naar concrete dingen zoeken. Dat deed ik al, maar ik ben me er bewuster van geworden. Een woord als sneeuw, dat is voor mij echt concrete sneeuw, niet een of ander symbool.’

Nooit? U zegt wel dat u in een gedicht kou opzoekt als beeld voor niets meer voelen. 

‘Nou ja, ik weet wel wanneer iets mij goed uitkomt. De tweede cyclus in de bundel, met veel sneeuw en ijs, heb ik gemaakt toen we in Zweden waren en je echt het bos niet in kon omdat de sneeuw tot aan je heupen stond. Je bent helemaal gevangen in een harnas van kou. Dat komt mij dan goed uit, zo’n beeld.’

Hoe schrijft u? 

‘Met potlood, altijd met potlood. En op gebruikt papier, achterkanten van manuscripten, brieven, vliegtickets. Zowel het papier als het potlood moeten gevonden voorwerpen zijn.’

U schaft nooit een dure pen aan, een mooi schrift? 

‘Nee, nooit! Mijn potloden neem ik liefst mee uit hotels, ik heb er ook eentje die ik in China bij een benzinestation van de grond heb opgeraapt. Toen ik ooit afscheid nam van het bestuur van een psychiatrisch ziekenhuis kreeg ik een mooie potlodenset. Daar ben ik mee gaan schrijven, dat beviel me uitstekend, maar toen die potloden op waren, wilde ik zo’n mooie set niet zomaar voor mezelf kopen. Dan neem je dat schrijven wel heel serieus, dat kan eigenlijk niet. Proza doe ik uit praktische overwegingen in Hema-schriften. Tekst rechts, aantekeningen links. Ik weet best dat een mooi schrift fijn kan zijn, maar gedichten – als je daarmee begint, een zin, een paar woorden: dat zijn probeersels. Daar moet je voorzichtig mee zijn. Niet meteen een mooie jurk aantrekken, blijf maar bij het trainingspak.’

De schapentrog

Onachtzaam smijt de hazelaar zijn noten
in het water. Ze dobberen onzeker op de stroom
die grillig is, onder de spiegel vreemde sporen trekt.


Ze dringen bij de uitgang, glippen dan geluidloos
overboord, de hartaanval, de hersenbloeding. Niets
gemerkt, het licht gaat uit, geen flits, geen knal.

Kanker en spierziekte verschuilen zich graag langs
de rand tot ze door windvlaag, regenval of schapenkop
de kant opgaan waar ze niet willen zijn.

En in de allerverste hoek ontkenners die zich veilig
wanen, nergens last van hebben, nergens pijn.

De toeschouwer bijt op haar potlood, doet
een stapje terug. Afstand. Maar klein.

De Volkskrant Boeken
Mooie romans, spannende non-fictie, interviews en pittige recensies: alles over de wereld van de letteren

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden