Anna Bijns, van Antwerpen

Kettervreetster, moppentapper

Aleid Truijens

Van de grootste Nederlandstalige dichter van haar eeuw, Anna Bijns (1493-1575), is weinig bekend. Met veel inlevingsvermogen construeerde Herman Pleij haar levensverhaal.

'Meer zuers dan soets' was haar motto en dat doet vermoeden dat zij niet het zonnetje in huis was. Het is een verbitterde variant op de bekende uitspraak dat ná veel zuurs altijd zoet moet komen. Rederijkers voerden nu eenmaal een motto, een moralistische levenswijsheid. En Anna Bijna wás een volbloed rederijker, betoogt Herman Pleij in zijn biografie van de bekendste en grootste Nederlandstalige dichter uit de zestiende eeuw, Anna Bijns, van Antwerpen.

Officieel was zij, de verbaal zeer begaafde dichteres die de kunst van het schrijven van balladen en refreinen op een superieur plan bracht, niet eens een rederijker. Ze was immers een vrouw, en die mochten in haar tijd geen lid zijn van een rederijkerskamer. Pleij maakt overtuigend duidelijk dat ze er niettemin kind aan huis was, veel dichtersvrienden had en meedeed aan wedstrijden. In haar eerste gedrukte boek, uit 1528, stelt ze dat ze schrijft voor kenners, voor 'artificiael geesten, die na conste haect'. Maar, waarschuwt ze de lezer, ze is wél een vrouw: 'tis al vrouwen werc'. Dat vrouwen, hoe intelligent en talentvol ook, intellectueel onderdeden voor mannen, sprak ook voor Anna vanzelf.

Tijdens haar leven werden er nog twee bundels van haar gedrukt, in 1548 en 1567, en er zijn twee grote handschriften met werk van haar bewaard gebleven. Maar harde bewijzen voor Anna's grote deelname aan het literaire leven heeft Pleij niet altijd. Zo valt nooit spijkerhard aan te tonen dat Anna de 15-jarige 'maecht' was die in Brussel een prijs won met lofdichten op Maria - Anna was in dat jaar, 1512, vier jaar ouder. Toch vermoedt Pleij dat zij het was, dit jonge talentje.

Dat is vaker zo in dit boek: veel speculaties, weinig zekerheden. Pleij moet het nu eenmaal doen met de bronnen die zijn overgeleverd. In die zin kun je Anna Bijns, van Antwerpen nauwelijks een biografie noemen. We weten niet eens hoe Anna eruit zag. Maar Pleij beschikt wel over een enorme kennis over de tijd waarin de dichteres leefde - een eeuw waarin Antwerpen een machtige, kosmopolitische handelsstad werd, de tijd van de reformatie en het humanisme. Hij is ook vertrouwd met de literatuur in de volkstaal en het Latijn, waardoor hij gemakkelijk verbanden legt, én heeft een groot inlevingsvermogen.

Een paar feiten zijn bekend. Ze werd geboren in Antwerpen 1493 en stierf daar in 1575. Ze was de dochter van een tamelijk welvarende kleermaker, die wat panden bezat. Haar geboortehuis de Cleyn Wolvinne, een mooi huis met een trapgevel aan de Grote Markt, staat daar nog steeds. Na de dood van haar vader trouwde haar zuster, waarbij ze haar erfdeel opeiste. Anna's moeder moest de winkel sluiten en kleiner gaan wonen. Anna begon een schooltje, samen met haar broer Maarten, later leidde ze het alleen. Ze trouwde nooit, hoewel Pleij vermoedt dat ze de mogelijkheid openhield; ze noemde zich tot aan haar dood 'nóg ongehuwd'. Toen Maarten trouwde, moest Anna leven van haar schooltje, en van de verhuur van enkele panden. Tot op hoge leeftijd was ze woedend over deze oneerlijke financiële afwikkeling en spande ze er verbeten rechtszaken over aan.

Anna was dus een vrouw die een vrij leven leidde, niet op de vingers getikt door een narrige, zuipende of slaande echtgenoot - de opluchting daarover bezong ze vaak. Ze was geen benauwde kwezel, geen zielenpoot, ze ging niet in het klooster, was financieel onafhankelijk en haar werk werd grif uitgegeven door de Antwerpse drukkers. En toch: meer zuurs dan zoets. Ze werd, schrijft Pleij, voortdreven door een grote woede en ontwikkelde het literaire schelden als haar specialiteit.

Over twee onderwerpen maakte ze zich levenslang kwaad: Maarten Luther en zijn vele volgelingen en de zinsbegoochelingen van de liefde. Ze was een echte ke

ttervreter, hondstrouw aan de moederkerk. In haar ogen was Luther de vleesgeworden satan. Een volksverlakker, die onnozele leken inzette voor de verspreiding van zijn heilloze leer, die een nieuwe zondvloed over de aarde zou doen uitstorten, voor straf.

Ze moest het kwaad van binnenuit verdelgen, want ze zag scherp dat juist de mensen van het woord, onderwijzers en rederijkers, zich gevoelig toonden voor Luthers praatjes. Deze Maarten was nóg vreselijker dan Maarten van Rossem, de Gelderse vrijheidsstrijder die in 1542 Brabant belaagde: deze 'roofde alleen je lijf, terwijl je door Maarten Luther te volgen je ziel verspeelde'.

Bij de bestrijding van ketterse denkbeelden vond Bijns bevriende minderbroeders aan haar kant - en zij haar. De minderbroeders waren fanatieke bestrijders van de Reformatie, en ze hadden, schrijft Pleij, in de gaten dat je de literatuur in de volkstaal voor je doel kon mobiliseren, net zoals de Lutheranen deden. Daarbij voelde Bijns zich niet te goed voor platte lol, ter vermaak van kloosterlingen, zoals gedichten met talloze namen voor de anus, of over een wedstrijd winden laten voor begijnen. Om hun hoge taak goed te kunnen vervullen, vond ze, moesten kloosterlingen af en toe pret maken, anders werden ze maar zwartgallig.

Lang staat Pleij stil bij Anna's refreinen over de liefde, de wereldse, lijfelijke liefde wel te verstaan. Die gepassioneerde gedichten zijn ook hartverscheurend. Steeds is er sprake van een geweldige minnaar die haar gelukkig maakt, maar helaas vertrekt, en zich afgeeft met andere vrouwen.

Felle jammerklachten, snijdende hartenpijn, jaloezie, hoop op verzoening, haat als die hoop teniet is gedaan - al die menselijk emoties zitten in deze poëzie. Ze is zelfs bereid zich diep te vernederen om haar minnaar terug te winnen: 'Op mijn bloote knien ic derwaert crope/ Door regen, door winden.'

Was Anna daartoe bereid, of is de ik-figuur in haar gedichten dat? Ook dat is niet met zekerheid te zeggen. Maar het is nauwelijks te geloven, schrijft Pleij, dat Anna hier níet uit barre ervaring sprak; deze gedichten ontstijgen de gekunstelde rederijkerij. Dat retorische raamwerk was noodzaak, anders kon ze geen publiek bereiken. 'Zijn authenticiteit en gedrevenheid niet te herkennen aan de persoonlijke afwijkingen van de gereedliggende patronen?', vraagt Pleij retorisch. Ook hier gist de biograaf, maar hij overtuigt wel: deze subliem geschreven hartenkreten zijn griezelig echt, ook nu nog.

Dankzij de grote verbeeldingskracht van Pleij en zijn vermogen om van brokstukken, met behulp van de historische context, een verhaal te maken, rijst Anna Bijns hier springlevend op. Dit had zij kunnen zijn - nee, vermoedelijk wás zij zo.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden