BoekrecensieDe straat

Ann Petry laat zien wat racisme doet, zonder haar personages tot slachtoffers te reduceren ★★★★☆

Beeld Floor Rieder

Ann Petry laat de desastreuze gevolgen van racisme zien in haar debuut uit 1946. Toen meteen een bestseller-met-klassiekerpotentie. Nu nog steeds zeer het lezen waard.

Het is achteloos neergesmeten afval, het zijn de gebouwen met veel te smalle gangen en veel te kleine kamertjes met veel te dunne muren, het is het geschreeuw, het zijn de vechtpartijen, het zijn de drinkende mannen, de sjouwende vrouwen, de hangende kinderen, de armoede. Het is een overvolle gevangenis, een mensenverslindend monster, een allesoverheersende kracht – het is De straat.

In 1946 debuteerde de Amerikaanse Ann Petry (1908-1997) met deze roman, die direct een bestseller-met-klassiekerpotentie werd. Dat was in die tijd al uitzonderlijk voor een boek van een vrouw, maar al helemaal voor een boek van een zwárte vrouw over een zwarte vrouw. Petry, zelf opgegroeid in de luwte van een geaccepteerde middenklassefamilie in een rustig stadje in Connecticut, zag de desastreuze gevolgen van racisme pas écht toen ze in de jaren dertig als journalist in Harlem ging werken. In deze beruchte wijk werden Afro-Amerikanen door geldnood gevangengehouden. De witte huisbazen lieten hun zwarte huurders zo veel betalen voor een piepklein appartementje dat de bewoners zich nauwelijks meer konden veroorloven dan een blik doperwten voor het avondeten. Laat staan dat ze iets overhielden om te sparen voor de toekomst. Na de Great Depression heerste werkloosheid en zwarte mannen waren de laatsten die in aanmerking kwamen voor de schaarse baantjes. Zwarte vrouwen konden hooguit aan de slag als schoonmaakster bij rijke witte gezinnen, waardoor ze amper bij hun éígen gezin konden zijn.

Zo ook Lutie Johnson, de heldin van De straat. Terwijl zij andermans huis schoonmaakt en voor andermans kind zorgt, gaat haar eigen gezin naar de knoppen. Haar man, gefrustreerd omdat hij geen werk kan vinden terwijl zijn vrouw altijd weg is, heeft een minnares. Als Lutie daarachter komt, vertrekt ze, met hun 8-jarige zoontje Bub. Ze vinden een miezerig appartementje in 116th Street, Harlem. Alles eraan staat Lutie tegen, van de slaapkamer zonder ramen tot aan de griezel van een huismeester, maar toch is het een overwinning: ‘Ze was zonder hulp van wie dan ook hier gekomen, dus ze hoefde slechts elke stap goed te overdenken en ze zou overal kunnen komen waar ze wilde. Blakend van zelfvertrouwen dacht ze: ik ben jong en sterk, er is niets wat ik niet kan.’

In de hoofdrol

Lange tijd was The Street een van de weinige romans waarin een zwarte vrouw de hoofdrol speelde. Gelukkig komt daar snel verandering in. Emira uit Such a Fun Age van Kiley Reid is een mooi voorbeeld van een eigentijds en sterk zwart personage. Maar denk ook aan Queenie van Candice Carty-Williams en Patsy van Nicole Dennis-Benn.

Haar buren hebben die illusie allang niet meer. Iedereen is op zijn eigen manier te grazen genomen door de straat, die symbool staat voor het leven van veel zwarte Amerikanen: deprimerend, benauwd, uitzichtloos. Mevrouw Hedges is een leven lang belachelijk gemaakt, nagewezen en uitgelachen en buit nu jonge meisjes uit in haar bordeel. Boots heeft gekropen voor witte mannen tot de zelfhaat hem te machtig werd en verdient nu zijn geld in louche nachtclubs. Huismeester Jones heeft het grootste deel van zijn leven in kelders gewoond, waar hij de kolenverwarming stookte, en is nu nauwelijks meer mens te noemen: met een dierlijke wellust aast hij op Lutie.

Petry laat met deze verhalen zien wat racisme met mensen doet. De voortdurende uitsluiting, vernedering, de achteloosheid waarmee over ‘die negers’ wordt gepraat, ‘je weet toch hoe ze zijn’, de vrouwen zijn hoeren, de mannen verkrachters. Er staat een hek om de witte wereld, ‘met zonneschijn en goed eten in overvloed, waar kinderen veilig zijn’. En aan de andere kant van dat hek vind je de afgedankte troep in winkeltjes, de restjes, de kruimels, ‘de drab en droesem die speciaal voor Harlem werden gereserveerd’.

Maar Petry heeft deze personages zó inslecht gemaakt dat er nauwelijks meer iets te vergoelijken valt. Een krachtige keuze: ze weigert hen af te schilderen als simpele, onmachtige slachtoffers van de omstandigheden. Zo blijven Mevrouw Hedges, Boots en Jones personages die er op elk moment nog voor kunnen kiezen het goede te doen. En daar blijf je als lezer dan ook op hopen.

Lutie leert intussen al snel dat de straat een val is waaruit maar moeilijk te ontsnappen valt. Alles draait hier om ‘de huur’: de negentwintig en een halve dollar per maand die het leven dicteert. Niets meer heeft het voor haar in petto dan keihard werken, avondeten koken en de was doen. ‘Zo was het avond aan avond gegaan en voor zover ze wist bracht de toekomst niets anders: de drie kamers en hun stilte, de muren die op haar afkwamen.’ Petry wilde laten zien hoe iemand reageert op constante druk en angst, maar Lutie buigt niet. Ja, ze is kwetsbaar, maar bovenal fier en vastberaden. Met zo’n sterk karakter móét het wel in orde komen. Wie hard werkt, zal op een dag beloond worden. Want de Amerikaanse droom, die is er voor iedereen, toch? Zonder iets te verklappen: het eind komt als een wake-up-klap in je gezicht. De ijdele, om niet te zeggen wítte hoop van de lezer dat alles zich ten goede zal keren, blijkt iets wat Lutie, en vele anderen, zich niet konden permitteren.

De straat

Ann Petry

★★★★☆

Uit het Engels vertaald door Lisette Graswinckel

Atlas Contact

414 pagina’s; € 24,99

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden