Recensie ‘Majesteit, U kent het werkelijke leven niet’

‘Amerikanen hebben geen manieren’ en andere observaties van een Nederlandse minister in oorlogstijd ★★★★☆

Domme mensen en een eigengereide koningin bevolken de oorlogsdagboeken van E.N. van Kleffens, minister van de Nederlandse regering in ballingschap. Dat is amusant, maar je leest er ook opvattingen die nu onaanvaardbaar zijn.

De Ambassadeur van Nederland in de Verenigde Staten. Mr. Eelco van Kleffens spelt onderscheidingen op bij twee soldaten van de Airborn Divisie die betrokken zijn geweest bij gevechten rond Nijmegen. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Natuurlijk houden belangrijke mensen dagboeken bij met het oog op de door hen begeerde plek in de geschiedenis. Ze zullen onaangenaamheden flatteren. In beschreven dialogen zullen zij wellicht net iets snediger uit de hoek komen dan ze in werkelijkheid hebben gedaan. En ze zullen de lezer geen deelgenoot maken van hun vertwijfeling of zwakte. Toekomstige historici kijken tenslotte over hun schouder mee – hopen zij. Toch vormen dagboeken de betrouwbaarste bron voor historici die de geest willen vangen van andere tijden dan de hunne. In dagboeken wordt tenslotte nog niet veel gereflecteerd over de beschreven gebeurtenissen. De auteur kent de uitkomst nog niet van ontwikkelingen waarbij hij betrokken is. Zijn mogelijkheden voor misleiding, zelfverheerlijking of zelfrechtvaardiging zijn nog sterk begrensd.

Om die reden vormen de dagboeken van Eelco Nicolaas van Kleffens, minister van Buitenlandse Zaken in de oorlogskabinetten in ballingschap, boeiende en bij vlagen vermakelijke lectuur. Vooral bij de schaarse terzijdes die hij zich veroorloofde. Zo meldt hij op 26 februari 1945 dat zijn collega-minister Hendrik van Boeijen hem een afscheidsbezoek had gebracht, ‘wat groote inspanning kostte aangezien hij potdoof is’. Op 8 november 1944 spreekt hij zijn verbazing uit over de rolverdeling tussen de ‘Amerikaansche vrouwelijke commentator Ann O’Hare McCormick en haar hulpelooze echtgenoot die geloof ik haar potlooden mag dragen’.

Hij laat zich hoe dan ook niet vleiend uit over de Amerikanen. ‘Deze lieden hebben geen manieren nog (sic!) zin daarvoor’. ‘Wel hartelijkheid’, voegt hij daar tussen haakjes aan toe. ‘Amerikanen zijn blijkbaar tevreden wanneer hun gelegenheid wordt gegeven lawaai te maken, tegen elkaar te roepen (‘Hello Bill, how are you today’), en niet te luisteren’, noteert hij elders. Of: ‘Deze heet gebakerde en oppervlakkig denkende lieden bleken voor een deel verwarde ideeën te hebben, en niet het geduld om, tenzij gedwongen, daarin op hun gemak orde te brengen. In alles zoeken zij ‘short cuts’: short cuts naar de overwinning, naar een goeden vrede, naar goede economische verhoudingen enz.’

Over de Engelsen is Van Kleffens overigens nauwelijks positiever. Zij zouden vooral geïnteresseerd zijn in het eigen gewin, zijn ‘naar Hollandsche begrippen rijkelijk flauw en gewild-grappig’, of wekken Van Kleffens’ ergernis met ‘de eur-geluiden die het stereotiepe aanwendsel zijn van den ex-public-school-boy’. De minister verblijft, kortom, maar zelden in gezelschap dat hem bevalt. Vaker kwalificeert hij disgenoten als ‘dom’, ‘egocentrisch, verwaand en praatziek’, ‘zeer snob en onmogelijk’, ‘een dwaas’, ‘eenigszins zielig’, ‘niet zeer ontwikkeld’, ‘onbeduidend’, ‘bouwvallig’ of ‘onwaarschijnlijk leelijk’.

Zeer pijnlijk, met de kennis van nu, zijn z’n vaak nogal badinerende kwalificaties van Joden. Zo schrijft hij tijdens een rondreis door de Verenigde Staten in 1943 na deelname aan ‘een opgewekt debat’: ‘Er was één lastige vent, een jood, typisch voor de afbrekende, ultraradicale eigenschappen van sommigen van zijn ras’. Op 28 mei 1945, tijdens een ontmoeting met ‘de Nederlandsche kolonie’ in San Francisco, noteert Van Kleffens dat op een zeker moment ‘een Jodin over mijn stoel (hing), zeggende ‘Mijnheer, al mijn familieleden zijn in Polen door de Duitschers afgemaakt, en wat mot ik nou doen?’ Pater Beaufort, die er ook was, was al even verontwaardigd; om dit te doen bedaren, dronken wij in het hotel een ‘afzakkertje’. Middelmatige Nederlanders zijn helaas dikwijls grof en onbescheiden, tactloos volk.’

Het siert de bewerker van de dagboeken, historicus Michael Riemens, dat hij in de voetnoot niet volstaat met de vaststelling dat deze uitspraken ‘naar huidige maatstaven onaanvaardbaar (zijn)’. Hij neemt – met de zorgvuldigheid die het hele notenapparaat kenmerkt – deze dagboekpassage te baat voor een verhandeling over ‘dagelijks antisemitisme’ in de tijd van Van Kleffens, en voert diens oververmoeidheid na vijf zware oorlogsjaren aan als verzachtende omstandigheid voor het feit dat hij zo tegen de Joodse vrouw was uitgevaren. Daarmee geeft hij ook een indruk van het harteloze onthaal dat Holocaustoverlevenden bij hun terugkeer in Nederland ten deel viel: als een relatief goed geïnformeerde en bedachtzame bewindspersoon zich in geschrifte al zo lomp uitliet over een oorlogsslachtoffer, zal het gros van zijn landgenoten het er niet veel beter hebben afgebracht.

Michael Riemens (samensteller): ‘Majesteit, U kent het werkelijke leven niet’.

Als kind van zijn tijd en zijn milieu houdt Van Kleffens er meer opvattingen op na die ‘met de kennis van nu’ enige verbazing wekken. Zo acht hij het ondenkbaar dat Nederlands-Indië rijp is voor enige vorm van zelfbestuur. ‘Een leidende hand (is) voorloopig onontbeerlijk’, zegt hij tegen een Amerikaanse gast die bij wie hij ‘een zekere neiging’ bespeurde ‘om wel wat te gevoelen voor de onmiddellijke en algeheele onafhankelijkheid der Aziatische volkeren na den oorlog. Ik ben daar uitvoerig tegen ingegaan, wijzend op derzelver gebrek aan bestuursgaven in den zin van ‘good government’, en de noodzaak hen te beschermen tegen ingekankerde eigen tekortkomingen als dobbelzucht en nepotisme.’ Mensen – overwegend Amerikanen – die dat anders zien, houdt hij voor naïef of slecht geïnformeerd.

Een andere constante in zijn dagboeken is koningin Wilhelmina. Zij botst voortdurend met haar ministers over het staatkundige leerstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid (waar haar temperament zich tegen verzet). Zij laat, aldus Van Kleffens, de oren te veel naar Engelandvaarders hangen – veelal lieden van laag allooi met dubieuze opvattingen over de manier waarop Nederland na de oorlog zou moeten worden heringericht. Zij drijft Van Kleffens tot wanhoop met haar verzet tegen het herstel van de diplomatieke betrekkingen met het Vaticaan – wat haar er niet van weerhoudt om de hulp van de paus in te roepen bij haar pogingen de Belgische koning Leopold III en zijn gezin, die door de Duitsers gevangen wordt gehouden, vrij te krijgen in ruil voor asiel ‘in een veilig land’ voor de ‘hoogste Nazi-chefs’.

Maar soms wekt Wilhelmina zachtere gevoelens op bij Van Kleffens – en de hedendaagse lezers van zijn dagboeken. Bijvoorbeeld als zij in 1942 een neef en een nicht van de Amerikaanse president F.D. Roosevelt bezoekt – ‘vriendelijke, een tikje snobistische, maar gezonde menschen’, aldus Van Kleffens. ‘Maar nu zat zij daar, en zei niet veel, een beetje zielig maar met een gezicht van ‘tenslotte ben ik toch de Koningin van Nederland’, een beetje gelaten en een beetje out of place, te midden van luid pratende Amerikanen met hun Scotch en hun rye en hun ice-tea. Het was een tooneel om nooit te vergeten, en ik had a royal good time.’

Michael Riemens (samensteller): ‘Majesteit, U kent het werkelijke leven niet.’ De oorlogsdagboeken van minister van Buitenlandse Zaken mr. E.N. van Kleffens. Uitgeverij Vantilt; 512 pagina’s; € 29,95.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden