Amerika zonder wanklank

DE FOTO op het stofomslag moet van Lewis Hine zijn. Een werkman die, op een meter of driehonderd boven de begane grond, vanaf een tamelijk smalle steiger neerkijkt op Manhattan: dat kan niet missen....

Wekenlang liet hij zich in een cementbak afzakken en weer ophijsen langs het geraamte van de iets meer dan honderd op elkaar gestapelde kantoorflats, en hij keek door z'n lens naar de arbeiders tussen hemel en aarde en betoverde ze tot equilibristen, trapezewerkers, jongleurs, koorddansers, circusartiesten.

De mythologische dimensies van wat hij zag, verloor hij niet uit het oog. Aan een vriend schreef hij na afloop: 'Op die manier opgroeien met zo'n gebouw, dat is zoiets als het verhaal van de jongen (was het niet Hercules?) die om sterk te worden elke dag een kalfje optilt, en als ze allebei volwassen zijn geworden kan hij inderdaad de stier op z'n schouders nemen.'

Ja, dat was Hercules, of liever Herakles. Diens Romeinse kloon raakte uiteindelijk vercommercialiseerd tot beschermgod van de handel, en dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn geweest van het Griekse protomodel waarin fysieke en mentale kracht het geloof belichaamde dat bergen (en stieren) kon verzetten.

Hine was in dubbele zin een Witness to America: vanwege die foto's van een gebouw-in-wording, maar misschien nog meer vanwege dat laconieke briefje met z'n terloopse verwijzing naar Herakles. Want aan de antieke heros moet je telkens denken als je tweehonderd jaar Amerikaanse geschiedenis langs loopt aan de hand van honderdzeventig egodocumenten waarvan de eerste honderdvijfentwintig al in 1949 werden verzameld door Henry Steel Commager en Allan Nevins, en de rest - van de Tweede Wereldoorlog tot heden - werd uitgekozen door Stephen Ambrose en Douglas Brinkley.

Een handjevol kolonisten dat in 1773 (in Boston) de koning van Engeland trotseert, de onafhankelijkheid van dertien Verenigde Staten van Amerika uitroept, de nobelste theorieën van de Verlichting weet te vertalen in een even hooggestemde als praktische constitutie, en onder George Washington de oorlog tegen het heerszuchtige moederland wint: dat alleen al is 'herculisch', en toen moest het nog pas beginnen.

De nieuwe editie van Witness to America (de eerste heette trouwens Heritage to America) is zeshonderd bladzijden lang en als het ware vervuld van Werken van Herakles. De trek naar het Westen, het bedwingen van de 'plains' en de Rocky Mountains (bergen verzet!), de vermomde zegeningen van een burgeroorlog, de expansie tot wereldmacht en de sprong naar de buitenaardse ruimte - allemaal mythologie, maar allemaal waar gebeurd, dus allemaal geschiedenis. Inclusief Hine's haarscherpe bouwvakker die, compleet met de pet van een arbeider, levensgevaarlijk boven de New Yorkse afgrond ook nog triomfantelijk naar de fotograaf zwaait.

Honderdzeventig getuigenissen van Amerika's grootheid, en eigenlijk niet één wanklank, nauwelijks een kritische noot, amper een relativerende kanttekening bij sommige episoden in de geschiedenis - de indianen, het 'jingoisme' in de dagen van Theodore Roosevelt, uitwassen in de Vietnamoorlog, Watergate - die aanleiding tot enige bedachtzaamheid zouden kunnen zijn geweest. Ronald Reagan is in de eregalerij eigenlijk geen geringere staatsman dan Thomas Jefferson; Monica Lewinsky is verschrompeld tot een voetnoot in de geschiedenis van Clinton; Richard Nixon, Gerald Ford en Jimmy Carter zijn in wezen niet de minderen van Andrew Jackson, Abe Lincoln of Franklin Roosevelt, voorzover ze immers allemaal presidenten van Amerika waren.

Je kunt daar als buitenstaander (als 'Europeaan') sceptisch over doen - je kunt zo'n reuzenalbum vol nationale trots ook benijdenswaardig vinden.

In Nederland zou je zo'n boek ook kunnen samenstellen (er zijn ook wel eens probeersels in die richting ondernomen) - van de eerste Kabeljauwen tot de laatste socialisten, en van Leidens ontzet tot de slag in de Javazee, maar je kunt er donder op zeggen dat de historici Wesseling en Blom (om maar eens willekeurig twee Nederlandse gegadigden te noemen) bij alle respect voor ons roemrijk verleden (of sterker: juist uit eerbied) toch minstens melding zouden hebben gemaakt van Jan Pieterszoon Coen op Ambon, van de suffe Tiendaagse Veldtocht tegen de Belgen, en van overste Karremans in Srebrenica.

Geen misverstand overigens: Ambrose en Brinkley zijn allebei consciëntieuze en prominente geschiedwetenschappers. En ze verzamelden brieven, verslagen, preken, dagboekontboezemingen, memoires en toespraken met betrekking tot dingen die waar gebeurd zijn, maar tegelijkertijd kozen ze uit de onmetelijke veelheid van de beschikbare bronnen vooral ook de evenementen die een mythologische waarde hadden, en die tevens op een mythologische manier zijn geboekstaafd.

Nog een benijdenswaardigheid is daarbij dat ze zelfs bij die beperkingen keuze uit overvloed hadden. Of het nou gaat om Washingtons afscheidsrede tot zijn countrymen, om Mark Twains beschrijving van de Pony Express (over mythen gesproken!), om Roosevelts New Deal-programma, om Ernie Pyle's journalistieke verslag van GI's tussen de verraderlijke heggen van Normandië of om Kennedy's gevleugelde inauguratierede uit 1961 (om nog maar te zwijgen van de 'Droom'-toespraak van Martin Luther King van een paar jaar later) - op cruciale ogenblikken in hun geschiedenis zijn er altijd Amerikaanse ooggetuigen opgestaan die zich Herakles herinnerden, en de noodzaak om bij het begin te beginnen: elke dag een kalfje optillen, om tenslotte een stier te kunnen dragen.

Nog los van de overweging dat ook de mythische held de raarste streken heeft uitgehaald en zelfs de lelijkste moorden heeft gepleegd om tenslotte toch op de Olympus te eindigen, als schoonzoon nota bene van Zeus zelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden