Amerika op z'n mooist

Met een vracht aan popart, abstracte werken, persoonlijke getuigenissen en schetterende tv-fragmenten laat het Whitney Museum in New York zien hoe Amerika zijn stempel heeft gedrukt op kunst en cultuur in deze eeuw....

'AMERIKA vraagt om een poëzie die stoutmoedig, modern, allesomvattend en kosmisch is, zoals zijzelf.' Dat schreef de visionaire Amerikaanse dichter Walt Whitman kort na het einde van de Amerikaanse burgeroorlog (1865). Het zijn de woorden van een kunstenaar die het gevoel heeft tot een uitverkoren volk te behoren, een volk dat de opdracht heeft een leidende rol te vervullen in de wereld.

Het zou nog bijna een eeuw duren voordat de Verenigde Staten het daadwerkelijk aandurfden die rol op te eisen. In 1941 schreef hoofdredacteur Henry Luce een commentaar in Time Magazine waarin hij Amerika opriep uit de schulp te kruipen, verantwoordelijkheid voor de wijde wereld te aanvaarden en het visioen te omarmen van Amerika als een wereldmacht, een visioen dat 'ons zal leiden naar de authentieke creatie van de twintigste eeuw - onze eeuw'.

'The American Century', dat was de kop boven dat commentaar. Nu die eeuw ten einde loopt, gebruikt het Whitney Museum in New York diezelfde kop als naam voor de vlootschouw van Amerikaanse kunst en cultuur van deze eeuw, een expositie in twee delen, waarvan de tweede helft nog tot 13 februari te zien is.

De titel bezorgt je als Europeaan een ongemakkelijk gevoel. De Eeuw van Amerika, het klinkt alsof de rest van de wereld er even honderd jaar niet toe doet. De naam getuigt van een megalomanie die misschien op zijn plaats was in de oorlogstijd waarin Luce schreef, maar die nu pamflettistisch overkomt. Zeker als het om kunst en cultuur gaat, is de rest van de wereld nog lang niet geneigd zich bij de Amerikaanse suprematie neer te leggen.

Of men daartoe sneller geneigd zal zijn na een bezoek aan de schatkamers van het Whitney? Dat valt te betwijfelen. Al heeft die twijfel niets te maken met de kwaliteit van het getoonde; een aantal van de meest schrijnende, vrolijke, provocerende, vernuftige, radicale kunstwerken van de tweede helft van deze eeuw zijn hier bijeengebracht. The American Century laat zien dat de Verenigde Staten ook als het om de kunsten gaat na de Tweede Wereldoorlog een groot stempel op de ontwikkelingen drukken, al raakte Europa pas eind jaren vijftig overtuigd van de kwaliteiten van Pollock, De Kooning of Gorky.

Natuurlijk is er de Amerikaanse hegemonie in de massamedia, die tot een sterke ontwikkeling van de beeldcultuur heeft geleid. Beeld is alomtegenwoordig. Kunstenaars waren aanvankelijk geneigd zich te verzetten tegen de media, maar kwamen al snel (zo ter hoogte van de popart in het begin van de jaren zestig, dus met Warhol, Rauschenberg, Johns en Oldenburg) tot het inzicht dat het beter was juist waar mogelijk gebruik te maken van de kracht van de media. Dat voorbeeld werd en wordt nog steeds wereldwijd nagevolgd.

Het heeft er sterk toe bijgedragen dat de grenzen tussen serieuze kunst en massacultuur zijn vervaagd. Zeker sinds de middelen - video, film, foto, cd, Internet - voor iedereen binnen handbereik zijn en de kosten van massale verspreiding geen drempel meer vormen, is het onderscheid minder belangrijk geworden. Het Whitney omhelst deze ontwikkeling met volle overtuiging. Tegelijk met abstracte werken (stalen blok Die van Tony Smith, tegelvloer in zink van Carl Andre) of provocerende getuigenissen (zelfportret van Eleanor Antin in 148 foto's, zelfportret van Robert Mapplethorpe met doodshoofd) worden hier de paradepaardjes van het kapitalisme getoond. Daarnaast hangen de uitingen waarop kunstwereld noch bedrijfsleven aanvankelijk vat hebben: performance-kunstenaar Chris Burden die zich door zijn arm laat schieten; The Ramones in hun begintijd, de graffiti op de New Yorkse ondergrondse treinen.

Dat alles staat, hangt en beweegt broederlijk verenigd in het Whitney. Niet eens zwijgend, want het museum toont de kunst in haar volle breedte. Ook muziek, theater, dans, film, fotografie, literatuur en bij gelegenheid televisie, kranten en historische voorvallen krijgen aandacht. Dus kun je flarden opvangen van de Sonny & Cher Show, van Mary Tyler Moore, van de communistenjacht in de jaren vijftig, van de nieuwe censuur in de vroege jaren negentig. Er zijn video's met de hemelbestormende dans van de dwarsliggers van Judson Church en met aandoenlijk gerollebol in bloot-happenings uit de jaren zestig. Einstein on the Beach, de muziek van Laurie Anderson, de boeken van Erica Jong, de video's van Bill Viola en de foto's van Garry Winogrand - wie even zoekt zal ontdekken dat ze allemaal deel uitmaken van The American Century. Zij het soms in een onbeholpen gedaante; componisten moeten het vaak stellen met een platenhoes of portretfoto, van boeken wordt de omslag geëtaleerd.

'Less is a bore', met die woorden - een variatie op Less is more (minder is meer) - reageerde architect Robert Venturi in 1966 zijn onvrede af over de suprematie van het minimalisme in de kunst. Ze zouden als motto boven de ingang van het Whitney kunnen hangen. Nagenoeg alles wat de Verenigde Staten de afgelopen eeuw hebben voortgebracht, is hier vertegenwoordigd. Alsof tentoonstellen een democratische aangelegenheid is, waarbij met ieders belangen rekening moet worden gehouden. En alsof deze tentoonstelling als hoogste doel heeft het democratisch gehalte van de Verenigde Staten te onderstrepen. We gaan van abstract expressionisme naar color field painting, dan door naar figuratief expressionisme, fluxus, popart, minimalisme, conceptuele kunst en - lekker gemakkelijk - pluralisme.

De gaten die vallen tussen al die -ismen plakken we dicht met een krantenknipsel uit de Koude Oorlog, een button uit de Vietnam-tijd, een Amerikaanse vlag met doodshoofden in plaats van sterren, een boek van een zwarte schrijver of een Franse filosoof (in vertaling uiteraard). Als ten slotte de video van Matthew Barney op bokkenpoten en met saterkop in beeld komt, zijn we in het heden aangeland en zijn de -ismen al lang vergeven.

Tegen die tijd zal het de doorsnee bezoeker duizelen. Want in één opzicht maakt The American Century zijn naam waar: geen enkel land komt ook maar in de buurt van het spervuur aan beelden die de Verenigde Staten in de tweede helft van deze eeuw hebben verspreid. En geen enkel land bestrijkt daarbij een zo breed palet. Al moet dat laatste niet meer letterlijk worden genomen. Naarmate het heden nadert, neemt het aandeel van de schilderkunst geleidelijk af. In de laatste zalen zijn vooral nog monumentale installaties (zoals de sarcofagen met digitale tekst van Jenny Holzer), video's en beelden te zien (zoals het pretkonijn van Jeff Koons en de man die zijn verleden als een lange drol achter zich aansleept, uit was en papiermaché gekneed door Kiki Smith).

Is er dan helemaal niets waaraan dat universum van Amerikaanse cultuur samenhang ontleent? Loopt er geen enkele lijn van het fysieke schilderen van Jackson Pollock naar de bokkendans van Barney? Misschien toch wel, al leidt die tot een welwillender interpretatie dan deze traditioneel-chaotische tentoonstelling eigenlijk verdient.

Als er één beeld blijft hangen, dan is het dat de Amerikaanse kunstenaar van meet af aan betwijfeld heeft of Amerika over het moreel gezag zou beschikken om de rol van wereldmacht te vervullen die hoofdredacteur Luce in het verschiet zag. Hoe kan een land zo hovaardig zijn zich een hele eeuw toe te willen eigenen, als de inwoners er aan toe zijn zoals Diana Arbus en Robert Frank en Nan Goldin hen fotografeerden? Hoe kan een land rechtvaardigheid bepleiten als de grote huiseigenaren zich er gedragen zoals Hans Haacke in beeld brengt? Wie gaat de wereld rond om gelijkheid te verkondigen als de oudste bewoners van Amerika zich voelen zoals de indiaan Jimmie Durham in zijn zelfportret uit 1986 laat zien?

Dat zijn de vragen die op elke verdieping van de tentoonstelling klinken. Er is amper een kunstenaar die niet de dialoog aangaat met de vooroordelen van zijn vaderland en met de vraatzucht en verleidingskunsten van de beeldtaal. Waar The American Century de pretentie heeft een heel tijdperk te kunnen claimen, daar haasten kunstenaars zich om er hun bezorgdheid of woede of teleurstelling tegenover te stellen.

Dat is een loffelijke houding. Temeer omdat een Amerikaanse kunstenaar zijn scepsis doorgaans in een Amerikaanse, en dus aanstekelijke en optimistische vorm zal gieten.

Immers, als déze eeuw al niet voor Amerika is, dan toch zeker de volgende eeuw wel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden