Amerika onder de koepel

Het duizend pagina’s dikke Gevangen van bestsellerauteur Stephen King laat zich lezen als een parabel over de Verenigde Staten...

Er zijn langzame schrijvers, en er zijn snelle schrijvers. James Joyce was een trage schrijver. Een vriend trof het Ierse genie ooit verslagen achter zijn schrijftafel aan. ‘James, wat is er? Is er iets met je werk?’

Joyce zei niets, maar keek zijn vriend doordringend aan.

De vriend: ‘Hoeveel woorden heb je vandaag geschreven?’

Joyce: ‘Zeven.’

‘Zeven? Maar James Dat is goed, in ieder geval voor jou!’

‘Ja, misschien wel. Maar ik weet niet in welke volgorde ik ze moet zetten.’

Aan de andere kant van het spectrum heb je schrijvers die sneller dan het geluid tikken. Neem Stephen King. Aan het eind van zijn nieuwe boek Under The Dome staan de data waartussen hij dit werkstuk heeft geschreven: 22 november 2007 – 14 maart 2009. De Engelse editie telt 1.100 pagina’s, dus tikte de kiloknaller uit Bangor, Maine die bladzijden in 478 dagen. Pulp speed, noemde een Amerikaanse krant dat.

King tikt elke dag 2.000 woorden, weer of geen weer; verjaardagen, Kerstmis, hij gaat gewoon door. En in tegenstelling tot Joyce heeft hij geen enkele moeite om de woorden meteen in de juiste volgorde te plaatsen. King kan verhalen bedenken en vertellen als geen ander.

Hoe dat er uitziet, Stephen King aan het werk? Hij heeft het zelf al eens beschreven in On Writing, een van de aardigste boeken over het schrijversambacht. King werkt met harde rockmuziek aan, AC/DC, dat genre. Zo tikt hij standaard tien pagina’s per dag.

‘Op sommige dagen komen die tien pagina’s met het grootste gemak. Dan loop ik om half elf ’s morgens al allerlei karweitjes te doen, zo kwiek als een rat in een berg leverworst. Maar naarmate ik ouder word, gebeurt het steeds vaker dat ik aan mijn bureau zit te lunchen en pas om een uur of half twee klaar ben met mijn dagtaak.’

Hij denkt dat hij langzamer is gaan werken sinds hij stopte met roken. ‘Nicotine jaagt de hersenen op. Het probleem is natuurlijk dat de nicotine je weliswaar helpt met schrijven maar je tegelijk vermoordt.’ Hoe dan ook: de eerste versie van een boek – zelfs een lang boek – mag van de schrijver niet meer dan drie maanden in beslag nemen.

Under The Dome is onmiskenbaar een láng boek. In Time zei de 62-jarige auteur vorig jaar dat hij voor zijn jongste boek ‘een hele hoop bomen’ zou vermoorden. Het verhaal: het stadje Chester’s Mill in de staat Maine is van de ene op het andere moment van de buitenwereld afgesloten. Een barrière, onzichtbaar en ondoordringbaar, houdt iedereen gevangen. Er kan niemand meer in of uit.

Het neerdalen van deze ‘Koepel’ levert meteen al memorabele scènes op. Een vlieginstructeur vliegt er met een leerlinge keihard tegenaan, terwijl op de grond een bosmarmot door dezelfde neerdalende Koepel in tweeën wordt gesneden. De piloot zag ‘dat de neus van de Seneca in elkaar werd geperst. Toen zag hij beide propellers uit elkaar vallen. Hij had geen tijd om nog meer te zien.’

Waarna het – het blijft vintage Stephen King – lichaamsdelen regent. ‘Een rokende onderarm – van Claudette – kwam met een plof naast de netjes in tweeën gesneden bosmarmot neer. Het was 21 oktober.’

De lezer is dan pas op pagina 17. Waarna het horrorfeest kan beginnen en de inwoners, plús de honden, van Chester’s Mill geïntroduceerd worden. In de beschrijving van het leven in zo’n plaatsje in het noordwesten van de Verenigde Staten, het territorium van King zelf, is de schrijver op zijn best.

Om te beginnen zijn daar de mensen die op ‘Koepeldag’ in Chester’s Mill aanwezig zijn: de al dan niet corrupte politiemannen, de hardwerkende boeren, de kleine middenstanders, de fundamentalistische dominees, de alcoholische armelui uit het woonwagenkamp, de hoofdredactrice van het lokale sufferdje, de slimme tieners – o ja, slimme tieners zijn er altijd in de boeken van King.

Hoofdpersonen zijn Big Jim Rennie, een tweedehands autoverkoper met schimmige andere handeltjes die tevens wethouder is, de zwakke burgemeester Andy Sanders, en Dale Barbara, een zwerver die als kok in de lokale diner werkt, met een verleden als legerofficier in Irak.

Deze ‘Barbie’ ontpopt zich als de good guy die ook het contact met de autoriteiten buiten de Koepel onderhoudt. Dezelfde autoriteiten die ondertussen niet begrijpen waar de barrière, ‘deze lokale apocalyps’, vandaan komt. Zijn het terroristen, Noord-Koreanen, is het een bovennatuurlijk krachtveld, of is het een uit de hand gelopen geheim project van het militaire apparaat?

De lezer komt er pas laat achter. Eerst neemt King ruim de tijd om de onttakeling van Chester’s Mill te beschrijven. Big Jim Rennie ontpopt zich tot dictator, een sadistische dwaas. Hij benoemt zijn eigen politiemannen, onder wie zijn knettergekke zoon Junior, die al snel moordend en verkrachtend door het stadje trekken.

De echte autoriteiten, de hoge militairen, aan de andere kant van de barrière, kunnen alles zien, de Koepel is doorzichtig, maar ze kunnen er niet doorheen. Ze pogen gaten te slaan, met chemicaliën, met kruisraketten – niets werkt. Ondertussen stijgt de temperatuur onder de stolp.

Was Chester’s Mill vóór ‘Koepeldag’ een vriendelijk stadje in New England, al een paar uur na het gedwongen isolement spelen zich taferelen af waarbij Lord Of The Flies (de klassieker van William Golding waarin schooljongens op een onbewoond eiland moeten zien te overleven) verbleekt.

King heeft in dit meesterlijke epos – het wordt vast ook een goeie film – geen hoge pet op van de mensheid. Schraap het vernislaagje beschaving weg, en er ontstaat een wereld vol chaos, moord en doodslag, voedselschaarste en angst.

De president in het verre Washington, in wie we overduidelijk Obama herkennen, probeert de bewoners met een persoonlijke brief gerust te stellen (‘we doen er alles aan’), maar dat lukt niet. De fascistoïde Big Jim Rennie was toch al nooit een fan van Barack Hussein Obama: ‘De klootzak ondertekende met alle drie zijn namen, inclusief die terroristennaam in het midden.’

Om de parabel door te trekken: Chester’s Mill is het micro-Amerika van na 11/9. Geïsoleerd van de buitenwereld, aangevallen, met twee mannen aan de macht die zich niets aantrekken van burgerrechten. Wethouder Big Jim Rennie is de echte schurk (herkennen we daar vicepresident Dick Cheney?), met de touwtjes stevig in handen.

Dan heb je de zwakke burgemeester Andy Sanders, over wie King vorig jaar in Time zei: ‘Ik mag die vent wel. Geen echte duivel, gewoon incompetent. Eigenlijk net als George W. Bush.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden