Recensie Amen

Amen van Marcel Möring is bezeten van toon en uiterst persoonlijk ★★★★☆

In Amen van Marcel Möring gaat de lezer kopje-onder in de stroom van gedachten en overpeinzingen van archeoloog Sam. Het levert een compact boek op, bezeten van toon en uiterst persoonlijk.

Beeld Martyn Overweel

Een archeoloog is verlaten door zijn grote, tragische liefde, Joyce. Ze heeft zonder uitleg haar spullen gepakt en één doos laten staan. Halverwege de lange eerste zin van Amen kondigt ze aan dat ze ’m komt ophalen. Haar bericht breekt brutaal in in de eindeloze, abstracte overpeinzingen (gebeden?) van de verteller: ‘Dat er een begin is dat begint en een einde dat eindigt en dat het einde begint en het begin eindigt en dat het tij van de tijd aanspoelt...’ ‘Kom zaterdag de laatste doos halen oké?’ staat er dan ineens. Een beetje lullig, die doos tussen de universele bespiegelingen (‘alles stroomt’, enzovoort). Hij staat al maanden in de gang, ook dat nog, en de archeoloog heeft er nog stééds niet in gekeken.

Een geniale openingszin, tekenend voor de rest van het boek waarin de verteller tweehonderd bladzijden lang puzzelt met de scherven van zijn verlaten ego. Hij is zo verbijsterd, dat hij koortsachtig probeert de geheimen van de wereld te achterhalen en de fenomenen te duiden, via het boeddhisme en het Duitse schuldgevoel en archeologische begrippen als the ritual landscape, want de wereld klopt niet meer. Ondertussen denkt de lezer: ja, maar wat zit er nou in die doos?

Dát is de mens, denk je dan. De mens is nieuwsgierig en onderzoekend, de mens graaft in de grond op zoek naar kennis, hij reist naar andere planeten en ondertussen staat er een doos met misschien wel alle antwoorden op de gang te verstoffen.

Maar goed, die archeoloog Sam (Samuel) Hagenau dus – Joods, want we lezen Marcel Möring – werkt mee aan een opgraving bij Kamp Westerbork, vlakbij het dorpje Amen. Wanneer hij een wandeling door de omgeving maakt, vindt hij een uitgebrande auto. Daaronder ligt een verkoold lijk. Van een voormalig RAF-lid, blijkt algauw. De politie vindt het vreemd dat Sam onder de auto keek toen hij het wrak aantrof.

De zoektocht naar de herkomst van het lijk verwikkelt zich in razende vaart met Sams jeugdherinneringen, toen een buurmeisje spoorloos in de Alpen verdween. En met hunkeringen naar Joyce, een depressieve maar goddelijk sexy vrouw wier blik steeds hol werd als Sam haar romantisch in de ogen staarde.

De vervlechting van de thematiek is zo compact dat je eigenlijk niet kunt zeggen waarover deze roman gaat: over verlies? Liefdesverdriet? Zingeving? Leegte? De ideeën, woorden en beelden zijn als een borromeaanse knoop, een hechte eenheid waaruit niets kan worden verwijderd zonder dat de roman uiteenvalt. 

De hechte structuur is ook bijzonder omdat het in eerste instantie lijkt alsof Möring zijn nieuwe roman in een korte, intense periode heeft geschreven. Het is een dun boek, bezeten van toon en uiterst persoonlijk. Na die doos durft de schrijver vaker het banale toe te laten: flarden uit het kinderachtige liedje Dinge dong van Teach In, die van ‘is het lang geleden, is het lang geleden’, dat de verteller helaas in zijn hoofd heeft, gestamelde bijbelverzen of boeddhistische gebeden, half uitgesproken verlangens. 

Deze grillige vorm is een verademing vergeleken bij de overgeconstrueerde romans die Möring eerder publiceerde: de danteske trilogie waarvan zijn laatste roman Eden het sluitstuk was. Dat was een dik boek waarin magisch realisme, intellectuele bespiegelingen en bladspiegel-spielerei elkaar opvolgden, wat een hoop gedoe leek, maar stilistisch teleurstelde.

Wat toen ergerlijk was, valt in Amen op zijn plek. Mörings vaste thema, ontheemding en thuisloosheid, wordt hier niet essayistisch uiteengezet, maar belichaamd. Sams wanhoop is werkelijk aangrijpend, maar ook literair: Amen is een boek vol rake onderstreepzinnen (een ‘wolkende kont’). Mörings voorliefde voor paradoxen (‘alles is steeds anders en toch hetzelfde’, ‘een afwezigheid die aanwezig is’) past hier bij het personage, de te hard proberende Sam, en bij de gefrustreerde pogingen tot contact met zijn vrouw. De vrouw die naar het einde toe steeds moeilijker blijkt: ze liegt en bedriegt, ze kan zich niet openstellen – één brok ellende. Waarom is hij überhaupt met haar getrouwd? Die ongeopende doos blijkt dan een krachtige metafoor voor de tragiek van de beschadigde, met een verleden opgezadelde Jood, die niet ziet dat hij voor Joyce viel omdat pijn vertrouwder voelde dan geluk.

Marcel Möring: Amen. De Bezige Bij; 208 pagina’s; € 22,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden