Altijd zeventien gebleven

Ergens in de herfst van 1926 moet het gebeurd zijn. Alice Schwarz en Karl Victor Kurt Mulisch concipieerden Harry Kurt Victor, al wisten zij dat niet. Maar in de hemel hadden ze het in de gaten. Daar zou het volgende voorgevallen kunnen zijn. Een engel riep een van de talloze rondbuitelende vonkjes tot zich. 'Kom eens hier, vonk. Nee, niet jij, schei toch uit, jij hebt allang je beurt voorbij laten gaan. Nee, jij daar, het is jouw beurt.' Het vonkje drijft braaf naar de engel, zijn uur heeft geslagen. Eens in zijn eeuwigheid krijgt hij de kans om mens te worden. Een piepkleine kans. 'Van alle sextiljoen vonken die je hebt zien verdwijnen, is er precies één geslaagd. Opgewekt vooruitzicht nietwaar?'

Het vonkje waagt de gok. De engel die hem rondleidt over de wereld - ze cirkelen even boven Amsterdam, draaien stationair bij de Leidsekade - trekt hem stiekem een beetje voor. 'Of je een man of een vrouw wordt, weet ik niet', zegt hij, 'maar er schuilt denk ik iets bijzonders in je, misschien een kunstenaar, dat wil zeggen iemand die zich vaag iets kan herinneren van de wereld waarin je nu bent.' Als een man op aarde 'zijn tweede neus' in de 'tweede mond' van een vrouw steekt - hoe leg je zoiets uit aan een argeloos vonkje? - dan 'glipt een geslachtsloze vonk uit zijn eigen sferoïde dat geslachtsloze ei in'. Zo gezegd, zo gedaan.

Kleine Harry had het hem gelapt: hij werd een van de sextiljoen - net als zijn hartsvriend Hein Donner, die volgens hem op dezelfde dag verwekt werd. 'Op vrijdag 29 juli werd ik, negen pond zwaar, uit de Stille Oceaan opgevist. (...) Diezelfde dag kwam de Vesuvius plotseling in verhevigde werking, maar de kranten vermeldden niet of dat kwam door mijn geboorte of door Mussolini, die ook die dag zijn verjaardag vierde,' schrijft Mulisch in Mijn getijdenboek, zijn autobiografische fotoboek uit 1975 (dat in september wordt heruitgegeven, vergezeld van Zijn getijdenboek, samengesteld door Onno Blom, dat de jaren 1951-2002 in beeld brengt).

Harry Mulisch zou schrijver worden, en eentje die zijn hemelse afkomst niet zou verloochenen. Maar met Vonk, de roman die hij in 1971 wilde schrijven, werd het niets. Het verhaal, dat moest gaan over een zielevonk die naar de aarde wordt gestuurd, bleek niet levensvatbaar. Nu geeft De Bezige Bij de passage die Mulisch schreef, en waaruit hierboven wordt geciteerd, toch uit, in een boekje ter ere van de 75ste verjaardag van de schrijver. Mulisch schreef er een inleiding bij. Het fragment is geestig en slim bedacht. En natuurlijk was het niet voor niets geschreven. Het blijkt, schrijft Mulisch, een van de 'kiemen' te zijn geweest van zijn magnum opus De ontdekking van de hemel uit 1992. Het fragment 'ging een vruchtbare fusie aan met twee andere thema's: de verdwenen Stenen Tafelen der Wet en de herinnering aan een zojuist gestorven vriend' - Donner.

En zo viel alles toch nog op z'n plaats. Dat kan ook niet anders bij Mulisch. Hij lijfde zijn eigen, nogal bizarre voorgeschiedenis (zoon van een joodse moeder en een Oostenrijkse collaborateur) - samen met wat hij kon gebruiken uit de wereldgeschiedenis, de wetenschap, de mythologie, de theologie, de filosofie en ten slotte de hele kosmos - in bij de machtige kathedraal die zijn Oeuvre heette. Ten slotte werd hij zelf een kunstwerk, een mythe die slechts aan zelfbedachte wetmatigheden beantwoordde.

De Mulisch-mythe was al aardig rond toen hij Mijn getijdenboek schreef, dat hoogst amusante commentaar bij de plaatjes van een jeugd. Hij was 47, volwassen, maar niet ingekapseld. Uiteindelijk toch getrouwd, geen zoon meer, maar vader van twee dochters. De boeken waarmee hij internationaal roem zou vergaren, De aanslag en De ontdekking van de hemel, buitelden nog door het heelal, op zoek naar hun vertolker. Maar het werk dat misschien nog altijd zijn grootste is, Het stenen bruidsbed, had hij al geschreven. Deze roman uit 1959, over het Amerikaanse bombardement op Dresden, met de trekken van een klassiek drama, was voor veel generatiegenoten het bewijs dat hij een echte schrijver was, geen verwarde zwatelaar. In 1962 schrijft hij een tweede, meesterlijk boek over de oorlog, De zaak 40/61, een verslag van het proces tegen Eichmann, de robotachtige uitvoerder van Hitlers miljoenenmoord.

Een jaar ervoor had hij zijn autobiografische verhalen verzameld in Voer voor psychologen. Het openingsverhaal begint met de briljante zin: 'Ik was achttien, toen er gebeld werd.' Hij zou altijd achttien blijven. Achttien, zeventien - Mulisch zou het nog vaak herhalen - is zijn 'eeuwige leeftijd'. Zo oud was zijn moeder toen ze hem baarde, zo oud is Quinten, de uitverkoren jongen uit De ontdekking van de hemel, als hij de Stenen Tafelen terugbezorgt. Achttien is de geniale jongeling uit De pupil die gereedstaat voor 'zijn zegetocht door het publieke leven'; achttien is Harry als hij zich voorneemt de wereld te veroveren met een boek dat 'over alles gaat'.

De jongen die er op school nooit bij was met z'n hoofd, die er niet in slaagde enig ander diploma te halen dan het Verkeersdiploma, had er altijd van gedroomd het middel uit te vinden dat hem onzichtbaar zou maken, net als zijn held Bram Vingerling. Op zijn achttiende verlegde hij zijn alchimistische proefnemingen naar de literatuur. Een onzichtbare Schepper te zijn, dat was zijn ambitie.

Joost Zwagerman wijst in 'Het oeuvre als organisme' - zijn bijdrage aan Mulisch toegesproken, een bundel met toespraken voor Harry Mulisch, die eveneens deze week verschijnt - op het consequent, en luidkeels, door de schrijver geuite verlangen onzichtbaar te zijn, niet te bestaan. Want, schreef Mulisch in Voer voor psychologen: 'Wie bestaat, maakt niets.' En: 'Soms denk ik: IK - en dan barst ik uit in een onbedaarlijk gelach.' Het is inderdaad een van die onnavolgbare Mulisch-paradoxen: beroemd worden door ostentatief níet te bestaan.

Wie niet bestaat, slechts een medium is, een doorgeefluik is voor geniale invallen, mag zich ook ongegeneerd op de borst roffelen. 'Iemand als ik kwam niet alle dagen voor,' zegt de jongeman in De pupil berustend. 'Als ik aan andere mensen dacht, dan moest ik wel eens lachen.' Kan hij het ook helpen?

De Mulisch-mythe werd in de loop der jaren voltooid met bezwerende formules die zijn schrijverschap de schijn van onontkoombaarheid gaven. Soms doet hij die uitspraken in interviews, vaker doen de vertellers ze in zijn werk. De schrijver verzint geen verhalen, leren we, maar 'het boek kiest mij om te ontstaan', ook wel 'het kunstwerk moet bevrijd worden uit de ruwe steen'. De schrijver is elke keer razend benieuwd naar wat zich aandient. 'Het verhaal gebruikt mij, zoals het kind zijn moeder', heet het in De procedure. De verteller hangt aan zijn eigen lippen.

'Schrijven is je herinneren wat nooit gebeurd is', nog zo'n fraai aforisme. Dat gaat zo. Eeuwenoude, rondzwevende mythen die de oerpatronen van het bestaan verbeelden, zoals die over Orfeus, en Oidipous, zoeken via 's schrijvers pen weer ingang in de wereld. Sommige wurgende problemen roepen tijden vergeefs om een oplossing. Zoals het geheim van de 'nulliteit' Hitler, het afgrondelijke Niets, het absolute kwaad dat in de Tweede Wereldoorlog ongestoord zijn slag kon slaan. Dat wachtte op de komst van de schrijver Mulisch, die Hitler zou 'vangen in een net van fictie', in zijn roman Siegfried.

Charlatanerie, baarlijke onzin? Wellicht, maar vruchtbare onzin. Mulisch' pose en zijn megalomane fantasieën leverden wél de brandstof voor een fenomenaal schrijverschap. Ze bleken effectief, en daar gaat het om in het spel dat literatuur is. De glasheldere circulariteit van zijn redeneringen verleent zijn werk een bijna komische immuniteit. Hoe hadden al die verhalen die 'zich aandienden' immers beter gekund, of anders?

De lezer moet maar kiezen. Of hij laat zich meevoeren door het genie en gelooft heilig in het sprookje, of hij slaat zich op de dijen van de pret over zoveel flauwekul en aanmatiging. Als het alleen om de 'inhoud' van Mulisch' romans gaat, ben je geneigd tot het laatste. In de film De ontdekking van de hemel wordt het ongeloofwaardige verhaal van die roman braaf gevolgd. Resultaat is een spectaculaire fantasy-film met een hoog Harry Potter-gehalte, die je na een uur bent vergeten. Maar in de roman heb je, in ieder geval zolang het lezen duurt, het idee dat je in een briljant weefsel van de verbeelding verstrikt bent geraakt. Dát is het schrijftalent van Harry Mulisch: hij komt weg met zijn 'rimram'. Hij maakt zijn lezer bondgenoot, waar die bij een ander al schaterend zou zijn afgehaakt.

Ongetwijfeld bestaat er een menselijke, sterfelijke Harry Mulisch die zijn woede verbijt bij een negatieve recensie of als zijn werk weer eens wordt gepasseerd voor een grote prijs. Anders dan Reve is hij een schrijver die eerder bewondering afdwingt dan liefde voor zijn werk. Geen schrijver van 'warme mensenboeken'. Zijn personages zijn allegorische zetstukken, geen herkenbare hompelaars die je in je hart sluit. Mulisch schrijft niet over het lijden van de menselijke ziel, hij smeert zijn eigen, lichtgevende ziel uit over de hele kosmos.

Het jarenlange gehoon van de schrijvertjes van Propria Cures glijdt van hem af als waterdruppels langs een oliejas: altijd weer gezeur over zijn pakken, dassen, vrouwen en pijpen, en zijn arrogante optreden. De kritiek betreft zelden het werk zelf. En als het daar al eens over gaat, dan altijd over kromme zinnetjes, of een taalfout hier of daar. Dat kan Mulisch niet deren: 'Ik ben geen zinnenschrijver, maar een oeuvreschrijver.' En telkens zie je hem denken: jíj was liever Harry Mulisch geweest dan een zure stukjesschrijver met een 'eeuwige leeftijd' van 88.

Nee dan hij, zonnige zeventienjarige. Híj gaat telkens met jongenachtige bravoure een opwindend avontuur tegemoet. Nieuwe roman? Ha, eens kijken wat het nu weer wordt. Harry Mulisch had er vijftig, nee, 75 jaar lang, onafgebroken 'zin an'. Door zijn oeuvre holt een kind dat stralend 'Kijk mama!' roept. Wat moet dat heerlijk zijn, die vanzelfsprekende afwezigheid van chagrijn en zelfverwijt: nooit een worsteling, nooit getob met het menselijk tekort of de naderende dood. Zulke zielige problemen zijn voor anderen.

Die eeuwige goedgehumeurdheid, dat is misschien Mulisch' allergrootste talent. Hij genas in 1982 van kanker, hoewel hij 10 procent overlevingskans had. Hij is nu 75, springlevend, en de nationale concurrentie is uitgeschakeld. Reve zwijgt, en tja, W.F. Hermans, die had ook wel Harry Mulisch willen zijn. Dan leefde hij nu nog. Want doodgaan is volgens de wet van Mulisch 'een gebrek aan talent'.

W.F. Hermans had, vond hij zelf, altijd gelijk - Harry Mulisch krijgt altijd gelijk. Dat is nu eenmaal zo als je zeventien bent.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden