Altijd samen

Al sinds 1975 fotografeert Nicholas Nixon elke zomer zijn vrouw en haar zusters, altijd in dezelfde volgorde. Dat levert prachtige portretten op van een grote intimiteit....

In 1975 stort Heather Brown zich vol overgave in haar studie biologie, terwijl haar acht jaar jongere zusje Mimi nog op school zit. Zij is voor het eerst, en tot haar grote schrik, verliefd. Hun oudste zus, Bebe, is dan al getrouwd en worstelt hardop met de vraag of en wanneer ze kinderen wil. Laurie zit overal tussenin en droomt stiekem van een jaar rondtrekken door Europa.

Hier klopt niets van. Althans – daar ga ik van uit, want ik heb het verzonnen. Klopt het wel, dan is dat puur toeval, of ik blijk over een bijzondere gave te beschikken, die mij in staat stelt om aan de gezichten en lichaamhoudingen van vier gefotografeerde zussen af te lezen wie ze zijn en wat ze doen. Feit is dat ik nauwelijks iets weet over Heather, Mimi, Bebe en Laurie, behalve hun leeftijden (ze zijn, of worden, dit jaar respectievelijk 58, 50, 60 en 56 jaar oud). Ook weet ik dat Bebe in 1971 trouwde met fotograaf Nicholas Nixon (Detroit, 1947), die vanaf 1975 elk jaar in de zomer een groepsportret maakt van de vier vrouwen.

Er zijn dus inmiddels al 35 van die portretten. En wie slim is, reist ondanks de sneeuw spoorslags naar het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam, waar de foto’s (afkomstig uit de Spaanse Fundacion Mapfre) nu allemaal bij elkaar te zien zijn. Want de serie is onvergetelijk. Zwart-wit en sober. De dames, immer in dezelfde volgorde, kijken ernstig, dromerig, hooguit glimlachend in de camera – alleen de jongste, altijd de tweede van links, lacht, alsof ze het niet helpen kan, af en toe haar tanden bloot. Verder ontbreekt elke informatie, blijft het gissen naar eventuele zwangerschappen (Is dat een lichte bolling daar onder die jurk? Is haar gezicht dat jaar niet wat dikker dan normaal?), naar gebeurtenissen die fysieke sporen achterlaten op een gelaat, een lijf. Niets weet ik van die vrouwen, van hun leven, hun plezier, hun pijn, en ook niet of het verglijden van de tijd hun karakters heeft gehard of juist zachter heeft gemaakt.

Het enige dat ik met absolute zekerheid over de zussen Brown kan beweren, is dat ze elk jaar ouder worden. Ze krijgen rimpels. De een wordt dikker, de ander juist magerder. De huid gaat hangen, de lippen worden dunner, oogleden verzakken. De 35 foto’s zijn daarvan het keiharde bewijs.

Bewijs ja. Want hoewel je fotografische beelden in deze tijd eigenlijk voor geen meter meer kunt vertrouwen, zoveel wordt er heimelijk of juist openlijk mee gesjoemeld – de chronologische fotoserie van Nicholas Nixon is waar. Zo waar als een doorsnee familiealbum waar is – en dan niet dat van jezelf, waarin de foto’s worden ingekleurd door herinneringen en de dingen die je van elkaar weet, maar het album van een ander, bestemd voor privé-gebruik, en waarin je het uiterlijk van onbekende mensen langzaam ziet veranderen. Het zijn foto’s die laten zien hoe het is, niet hoe het zo is gekomen, en wat je erbij verzint, mag je zelf weten. Maar elke rimpel zit waar hij zit, en oogt de gefotografeerde soms wat jonger, dan komt dit eerder door de flatterende lichtval dan door de retoucheerknop op de computer.

Nixon, die overigens niet alleen bekend werd met The Brown Sisters, maar ook met zijn veelbesproken documentairereeks People With AIDS uit de jaren tachtig en negentig, is in al die jaren niet gezwicht voor de lokroep van de digitale camera. In 1974, toen hij de allereerste foto van zijn vrouw en schoonzussen nam – die foto bestaat niet meer, omdat hij hem niet goed genoeg vond – besloot hij om alleen nog maar te fotograferen met een grootformaat camera, een bakbeest van een ding, met negatieven van acht bij tien inch. Op de foto uit 1984, de foto die ook het omslag van de eerste publicatie siert (die loopt van 1975 tot 1999), doemt de schaduw van de camera, plus die van de fotograaf, bijna angstaanjagend op tegen de witte kleding van de meisjes, die lieflijk en bruinverbrand poseren op het strand.

Elk jaar weer maakt Nixon met diezelfde camera een aantal foto’s en daaruit kiest hij er één. Die wordt het: de vertegenwoordiger van weer twaalf maanden erbij, een nieuwe blik, een versgeknipt koppie, de aanzet tot een lijntje in het voorheen nog zo strakke voorhoofd. Het is het enige dat de fotograaf manipuleert: híj kiest de foto – en verder doet hij niets. Het licht is steeds natuurlijk, want de vrouwen staan, enkele uitzonderingen daargelaten, altijd buiten. Er is niets wat afleidt, zelfs hun kleding niet, die weliswaar iets van de tijdsgeest uitademt, maar nooit overdreven modieus is.

Simpel duurt het langst, zo blijkt. Niets ten nadele van (ingewikkelde) projecten met verschillende soorten fotografie – oude, nieuwe, gevonden, samengestelde – maar dikwijls wordt het medium daar gebruikt om een verhaal te vertellen dat een even grote rol speelt als de foto’s, zo niet een grotere. De afzonderlijke foto’s zijn puzzelstukjes, allemaal met hun eigen codes, die in de goede volgorde moeten worden gelegd, teneinde het verhaal te begrijpen.

Voor The Brown Sisters geldt dat niet. Het concept van de serie is bij de eerste aanblik kraakhelder. Er is niet eens echt een verhaal, of het moet dat van de fotografie zelf zijn, die elk jaar weer doet waar ze eigenlijk zo goed in is: het koeltjes en gewetenloos registreren van een moment, liefst steeds dezelfde soort momenten, die zich naderhand goed laten vergelijken. Het menselijke gezicht, met zijn vermogen om boekdelen te spreken en ouderdom te reflecteren, is daarvoor uitermate geschikt.

Nixon is niet de enige die dit doet. Andere fotografen hebben soortgelijke seriële projecten opgezet, sommige geslaagd, andere wat minder. Karl Baden, een kunstenaar uit New York, schoot twintig jaar lang elke dag een zelfportretje (http://kbeveryday.blogspot.com) – alleen probeerde hij tijdens die twintig jaar zo min mogelijk te veranderen. Hij liet geen snor staan, liet zijn haar steeds in hetzelfde model knippen en kwam voor elke foto met dezelfde lege blik op de proppen.

Het resultaat is indrukwekkend vanwege de hoeveelheid foto’s en Badens uithoudingsvermogen, maar ook extreem saai, omdat er zevenduizend foto’s lang eigenlijk niets gebeurt.

Interessanter is het project van het Argentijnse gezin Goldberg (zonezero.com/magazine/essays/diegotime/time.html). The Arrow of Time gaat terug tot 1976, toen Diego en Susy besloten om zichzelf jaarlijks te portretteren. Er kwamen drie zoons, die eveneens elk jaar afzonderlijk op de foto gingen – en gaan, want het project loopt nog steeds. Dit komt veel dichter in de buurt van The Brown Sisters, omdat de foto’s in The Arrow of Time elk jaar iets nieuws brengen: een ander kapsel, een bril, wallen onder de ogen of een wijzere blik.

Gaan de zoons straks zelf door met het jaarlijkse ritueel, dan hebben ze aan het einde van hun leven een unieke registratie van hun ouderdomsproces. Bovendien gaat het hier om een gezin, met kinderen die op hun ouders lijken of juist helemaal niet, waardoor terugkijken en vergelijken een stuk leuker is dan bij de conceptuele foto’s van Karl Baden.

Toch is Nixons project nog steeds unieker. Dat zit hem niet alleen in de ongeëvenaarde kwaliteit van de foto’s, maar ook, en vooral, in het feit dat de zusjes Brown steeds samen op de foto gaan, en niet ieder voor zich, zoals de leden van het gezin Goldberg.

Heather, Mimi, Bebe en Laurie zijn uiteraard wel afzonderlijk door de jaren heen te volgen, maar hun interactie is ook interessant. Nu eens staan ze gevieren met de armen om elkaar heen geslagen, dan weer omhelst Bebe Laurie, of legt Heather teder een hand op de buik van Mimi (de foto van 1992, één van de weinige keren dat de zussen niet allemaal in de lens kijken, en de enige keer dat je als kijker toch wel met zekerheid mag stellen dat Mimi in verwachting is). De tegenstelling tussen de koele, observerende techniek van de fotografie en de warmte die de uiteindelijke registratie uitstraalt, is opmerkelijk.

Het is de verdienste van alle betrokkenen dat die grote mate van intimiteit door de jaren heen op de foto’s bewaard is gebleven, en ook steeds weer terugkomt. Want hoewel Nicholas Nixon elk jaar een portret maakt van mensen die dichtbij hem staan en wier leven hij op de voet volgt, zoals zo velen van ons jaarlijks doen in de eigen familiekring, weet de fotograaf, en weten ook zijn modellen, dat die foto later zal worden bekeken door totale vreemden, die niet alleen zullen proberen te graven naar het verhaal achter de gezichten, maar die ook in staat zullen zijn om de zussen in een half uur tijd (of in vijf minuten, het is maar hoe snel je langs de foto’s loopt) drastisch te zien verouderen. Ga er maar aan staan, zeker als Amerikaanse vrouw in deze tijd – hoewel de ogen van de zusjes Brown in 2009 bij lange na nog niet zijn uitgeblust.

The Brown Sisters is geen aanklacht tegen de cosmetische industrie of een pamflet voor natuurlijk ouder worden. Gelukkig niet, dat zou de serie onnodig zijig maken. Eerder is zij een viering van familiebanden, desnoods een eerbetoon aan sterke vrouwen – en bovenal een hommage aan de fotografie. Want wie toch schrikt van het vooruitzicht op kraaienpoten en hangende wangen, of dit alles met lede ogen herkent, krijgt mede dankzij de fotografie de mogelijkheid om in het gezicht van een 56-jarige vrouw het meisje van toen te ontdekken. Daar staat ze. En wie ze is, maakt eigenlijk niet veel uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden