ALTIJD OP WEG NAAR DEZELFDE BESTEMMING

Achttien jaar heeft Mariss Jansons erover gedaan, en acht orkesten kwamen eraan te pas. Nu zijn ze er: de complete symfonieën van Dmitri Sjostakovitsj, gedirigeerd door Jansons, verzameld in een cd-box en uitgebracht in samenwerking met de Volkskrant....

‘Gezegd werd dat hij van drank en vrouwen hield.’ De wereld kent een kleine handvol dirigenten die alle vijftien symfonieën van Dmitri Sjostakovitsj op de plaat hebben gezet. Onder hen zijn er twee die de reus van de 20ste-eeuwse symfonie (1906-1975) persoonlijk hebben gekend.

Mariss Jansons: ‘Maar je kreeg moeilijk hoogte van hem. Aan de buitenkant zag je nooit wat. Hij kon glimlachen, met zo’n snel, ingehouden lachje. Zijn gezichtsexpressie was effen, met kleine snelle veranderingen waardoor je nooit kon beoordelen hoe hij zich voelde.’

Sjostakovitsj staat nog scherp op Jansons’ netvlies. Scherper dan op het trommelvlies. ‘Hij zei wel eens wat vriendelijks tegen me, voor of na een concert. Ik was 37, 38 jaar jonger dan hij. Zo’n ventje vertrouw je geen gewichtige zaken toe.’

Jansons was 32 toen Sjostakovitsj overleed, ver weg in Moskou, gesloopt door een hartkwaal en kanker, en mentaal aan het eind van zijn latijn na een carrière waarin hij beurtelings tot held en tot vijand van het volk was verklaard.

Jansons was 13 toen hij in 1956 als aankomend conservatoriumleerling naar Leningrad verhuisde, de stad van het Rimski-conservatorium, van een Philharmonie, en van Sjostakovitsj. Met zijn moeder reisde hij uit Letland zijn vader Arvid Jansons achterna. Die was dirigent geworden van het Philharmonisch Orkest van Leningrad, naast de legendarische chef Evgeni Mravinski.

Sjostakovitsj was daar kind aan huis. Mravinski had er de premières gedirigeerd van zijn Vijfde Symfonie (in 1937), van zijn Zesde (1939), Achtste (1943), Negende (1949) en Tiende (1953). Dat ging nog even door; Mravinski hield in ’61 ook de Twaalfde ten doop. Uitvoeringen van Sjostakovitsj’ Zevende, bijgenaamd de ‘Leningrader’, namen er de vorm aan van een jaarlijkse traditie.

Maar hoe vertrouwd de bebrilde componist bezoekers en orkestleden ook mocht voorkomen, met zijn strakgetrokken mond, zijn nerveuze tics en zijn schuin over het voorhoofd geveegde haarlok – hij bleef, zegt Jansons, een ‘tamelijk ondoorgrondelijke verschijning’. ‘Toen ik op het conservatorium zat, deed ik mee in het koor. We zongen Sjostakovitsj’ Tien gedichten. Hij kwam luisteren, en vertelde dat hij er érg gelukkig mee was. Er bestaat een foto waarop hij samen met ons koor te zien is. Aan zijn gezicht zie je niets.’

Ja, de componist hield van damesgezelschap en was ‘dol op wodka’. Zoveel vernam Jansons nog wel van Mravinski, die Mariss in 1973 tot assistent promoveerde. De perfectionist Jansons wist zich in Leningrad ‘omringd door mensen die ook konden vertellen over wat er áchter de noten zat, over het tragische conflict tussen het persoonlijke en het algemene, het politieke, brute en systeemachtige’.

Na de plotselinge dood van zijn vader Arvid werd Jansons in 1985 vaste dirigent in Leningrad – naast een chefschap dat hij had aangenomen in Oslo. Er braken jaren aan van perestrojka. Het orkest van Leningrad mocht met Jansons geregeld naar het Westen. Zo verzeilden de Leningraders in 1988 met Sjostakovitsj’ Zevende Symfonie in Oslo, en lieten ze diezelfde Zevende in het Konserthus vastleggen door de Britse platenproducent EMI.

De opname maakte in heel Europa furore, werd bekroond met een Nederlandse Edison – en ziet nu opnieuw het licht als onderdeel van een cd-box: Sjostakovitsj/De complete symfonieën onder leiding van Mariss Jansons. In die verzameling is de opname van de Zevende de oudste, maar alles behalve de zwakste. Het strijkerscorps van de Philharmonie van Leningrad, omgedoopt inmiddels tot St.-Petersburg, hoorde destijds tot de indrukwekkendste ter wereld. De snedigheid van het samenspel en de soul van de uitvoering maken duidelijk dat die Zevende, door Sjostakovitsj in het oorlogsjaar ’42 opgedragen aan zijn belegerde geboortestad, verankerd lag in een uitvoeringstraditie zoals je die elders in de wereld nog lang niet tegenkwam.

Andere orkesten heeft hij veel meer moeten vertellen over de ‘wereld achter de noten’, zegt Jansons, die in zijn Sjostakovitsj-verzameling ook aan het werk is met zeven West-Europese en Amerikaanse orkesten. De laatste opnamen maakte hij kort geleden in München. ‘Voor een goede Sjostakovitsj heb je tegenwoordig geen ‘‘echt Russisch’’ orkest meer nodig’, beslist Jansons. ‘Het is meer een kwestie van stemming en atmosfeer. Die bepaalt de klankkleur. Daar ga je samen naar op zoek.’

Dat praten en zoeken was geboden in het Amerikaanse, nimmer door dictatuur of krijgsgeweld geteisterde Pittsburgh. Jansons nam er vijf jaar geleden de Achtste op. ‘Dat stuk ademt de traumatische atmosfeer van een oorlog die net gewoed heeft. Neem het begin. Daar heb je de ‘‘juiste sound’’ nodig. Er is haast geen spoortje leven in te bekennen. Een bijna complete stilte. Dat gevoel van leegte moet je in klank zien uit te drukken. Als een orkest zich daar niet mee verbonden voelt, gebeurt er niets. Als ik in Wenen dirigeer, waar de Philharmoniker buitengewoon intelligent zijn, leg ik dat soort dingen toch ook maar even uit. In Leningrad wisten ze het zelf wel.’

Zo kennen ze in Philadelphia wel sneeuw, maar geen tsarenpaleis met een plein waarop zich in 1905 een bloedbad afspeelde. ‘De Elfde Symfonie begint met een unieke kilte, een winterse duisternis. Als ik dat hoor, zie ik de enorme uitgestrektheid van dat plein voor het Winterpaleis in St.-Petersburg, zoals ik dat als kind al zag, elke dag als ik naar school ging. Ook daarvoor heb je een ‘‘juiste klank’’ nodig. Maar die is tegenwoordig met elk goed orkest te realiseren.’

Dat de symfonieën van Sjostakovitsj zich laten ‘lezen’ als een barometer, respectievelijk als een kroniek van de woelingen in het oude Rusland en de voormalige Sovjet-Unie, daarvan is de wereld inmiddels wel doordrongen, denkt Jansons. Dat die kroniek haar eigen gang gaat, dat de betekenissen complex zijn, zich op tal van niveaus afspelen en aanleiding vormen tot eindeloze discussie, is langzamerhand ook geen geheim meer. De Russen zijn er zelf mee begonnen. De intelligentsia was in Sovjet-tijden altijd ‘enorm bezig’, zegt Jansons, met het opsporen van bedoelingen achter de noten. Hetzelfde gebeurde met poëzie, theater en beeldende kunst.

‘Tegelijk is muziek ook weer zó abstract. Volgens mij is dat precies wat Sjostakovitsj heeft gered. Als hij geen componist was geweest maar een ander vak in de kunst had beoefend, zou hij zeker naar Siberië zijn gestuurd, of was het nog slechter met hem afgelopen.’

Oppassen dus met die Elfde Symfonie uit 1957. Volgens de officiële (Sovjet-welgevallige) betiteling gaat het stuk over de revolte van 1905, toen troepen van de tsaar het vuur openden op een om voedsel smekende massa. Suggesties dat de Elfde in werkelijkheid Sjostakovitsj’ compassie met de Hongaarse opstand van 1956 zou uitdrukken, doen Jansons de schouders ophalen.

‘Ik vind dat we daar niet te veel over moeten speculeren. Als je de juiste stemming vindt, dan past het ongetwijfeld bij beide. Sjostakovitsj vond een fantastische methode om kilheid uit te drukken, met strijkers zonder vibrato. Altijd vindt hij iets unieks. Zoals de knekelmars in de Zevende Symfonie. Dat opkomen van een grote negatieve kracht: geniaal geïnstrumenteerd. Sjostakovitsj hoorde in zijn hoofd alle instrumenttimbres in al hun registers. Je hoeft als dirigent bijna nooit iets bij te stellen aan wat hij schreef. De balans en de nuance zitten er al in. Zijn gevoel voor klankkleurcombinaties is verbazingwekkend.’

En dan de Twaalfde Symfonie, ‘Het jaar 1917’? Sjostakovitsj droeg haar op aan de nagedachtenis van Lenin. Maar volgens Jansons kreeg die symfonie haar ondertitels pas op laatste moment, vlak voor Mravinski de première dirigeerde. Jansons vraagt zich af of het concept eigenlijk wel zo ‘programmatisch’ was.

Zoveel is zeker: het enige waarin een componist 100 procent concreet kan zijn – juist daarin laat Sjostakovitsj het steeds afweten.

De tempi. ‘Zijn metronoomcijfers zijn verschrikkelijk’, zegt Jansons. ‘In zijn partituren staat de ene ongelukkige aanwijzing na de andere. Mravinski zei: ‘‘Trek je nooit iets aan van een metronoomcijfer van Sjostakovitsj. Ze kloppen geen van alle!’’ Sjostakovitsj’ opera Lady Macbeth is met geen mogelijkheid uit te voeren met de aangegeven tempi. Veel te snel genoteerd. Niet omdat hij een verkeerde metronoom had, denk ik, maar omdat hij een jonge vent was. Opgewonden. Alles moest snel, snel, snel.

‘Maar vergeet niet: het meeste van wat hij opschreef, had hij in gedachten al uitgebroed. Hij wandelde, en na een paar dagen schreef hij zonder remmingen op wat hij in zijn hoofd had. Dat werkt anders dan wanneer een componist aan de piano zit. En dat is weer heel iets anders dan wanneer je voor een orkest staat.’

Mravinski had vooral over het tempo van het roemruchte slotdeel van de Vijfde Symfonie zijn eigen opvatting. Jansons: ‘Hij nam dat slotdeel naar mijn smaak veel te langzaam. Mijn vader net zo. Ik doe het sneller.’

De Vijfde was de symfonie die Sjostakovitsj componeerde nadat zijn opera Lady Macbeth van Mtsensk in de Pravda was aangevallen vanwege zijn modernisme en ‘negativisme’. Een aanval die voor Sjostakovitsj een levensgevaarlijke wending had kunnen nemen. De Vijfde, in 1937 geëtiketteerd als ‘antwoord van een Sovjet-kunstenaar op terechte kritiek’ heeft een slotdeel dat volgens de ‘officiële’ opvatting van destijds triomf en optimisme uitdrukt. Volgens Mravinski was dat onzin.

Jansons: ‘Over die finale is altijd discussie geweest. Maar welk tempo je ook neemt, het moet in ieder geval geen ‘‘victorie’’ uitdrukken, dat is duidelijk. Sjostakovitsj zei tegen Mravinski dat het slotdeel van de Vijfde iets moet uitdrukken als ‘Er is een parade, ga, ga, ga... Ga naar de parade, mensen.’ Ze willen niet, maar je moet ze erheen duwen en trekken.

‘Mijn idee is: hoe sneller je het neemt, hoe meer je de anticlimax laat horen, de dubbele bodem. Hetzelfde heb je aan het eind van de Zevende. Een groot razend slot in C-groot. Op het moment dat dat komt, laat je zien: ‘‘O mijn god, dit is een nep-triomf!’’ Bij Sjostakovitsj is dat essentieel. Als je voor de overwinning gaat, ben je verkeerd bezig.’

Sjostakovitsj’ Vijfde markeert een breuk in Sjostakovitsj’ symfonische stijl. Zijn muziek wordt plotseling ‘klassieker’, minder grillig van vorm en met minder dissonanten. ‘Ik denk dat hij in de Vijfde zijn andere kant vond’, zegt Jansons. ‘Misschien was hij al op weg zijn muzikale taal te veranderen. Het is mogelijk dat hij sowieso op zijn Vijfde uitgekomen zou zijn, maar dat de tijd als het ware van hem eiste dat hij dat sneller zou doen... Ik denk: het blijft Sjostakovitsj. In welke richting hij ook gaat, hij is altijd op weg naar dezelfde eindbestemming.’

Met alle dubbelzinnigheid die het kenmerk is van grote muziek, concludeert Jansons. ‘Kijk naar Lady Macbeth. Op de meest tragische momenten van die opera zet hij een polka in, of een banale, luchthartige muziek. Het is zijn stramien. Het laat zien dat je altijd een paar verschillende Sjostakovitsjen tegelijk voor je hebt.’

Jansons zegt dat zijn visies op het oeuvre nauwelijks zijn veranderd sinds zijn avonturen met de Leningraders. ‘Ik prijs me wel gelukkig dat ik de minder bekende symfonieën pas in een later stadium heb opgenomen. Ook die hebben op bepaalde momenten een magische kwaliteit, maar op andere momenten moet je alert zijn om de spanning vol te houden, zoals bij de nummers 2 en 12. Het is goed dat ik die pas later ben gaan doen, want ik denk dat ik nu een betere vertolker ben dan een jaar of twintig geleden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden