ALTIJD JOURNALIST GEBLEVEN

Hij is geen veelschrijver, maar eens in de drie, vier jaar levert Amitav Ghosh een meesterwerk af. De 48-jarige Indiër noemt zichzelf een figuratief schrijver met oog voor details....

Door Ariejan Korteweg

Sommige mensen voelen zich overal op hun gemak. Of ze nu op een overladen bootje stinkend en wel naar de binnenlanden van Birma koersen, of zich tijdens een schrijversfestival in Rome laten fêteren op een in feestverlichting badend Forum Romanum hen maakt het niet uit. Ze voegen zich naar de omstandigheden, en geleidelijk treedt dan een volgend stadium in: de omstandigheden voegen zich naar hen.

De schrijver Amitav Ghosh (48) heldere bruine ogen, een gezicht waaraan je de leeftijd niet afziet, hoge, tegelijk lichte en resolute stem heeft dat volgende stadium bereikt. De helft van het jaar woont hij in New York, geeft les aan de universiteit en zorgt dat dochter Lila en zoon Nayan een goede opleiding krijgen. De andere helft woont hij, met zijn gezin, in Calcutta, de metropool in het oosten van India waar hij werd geboren. En verder reist hij. Ghosh is geen veelschrijver, zijn boeken verschijnen om de drie of vier jaar. De tussentijd gebruikt hij voor onderzoek. Voor Het glazen paleis, de roman waarmee hij in 2001 wereldwijd succes had, trok hij door Maleisië, Singapore en Thailand en zocht in Myanmar, het vroegere Birma, de beroemde dissidente Aung San Suu Kyi op in haar gevangenis. Het hongerig getij, dat vorig jaar verscheen, bracht hem naar de Sundarbans, de immense delta aan de monding van de Ganges, waar vluchtelingen en pioniers een strijd om het bestaan leveren met tijgers en springvloeden. Als Ghosh het leven van zoetwaterdolfijnen beschrijft, of de ballingschap van de laatste koning van Birma, dan kun je er rustig van uitgaan dat elk woord klopt. Ik zie mezelf als een figuratieve schilder. Voor abstractie ben ik niet in de wieg gelegd. De schrijvers die ik bewonder zijn doorgaans ook journalist. Gabriel Garçia Marquez heeft zijn schrijverschap altijd met journalistiek gecombineerd, Herman Melville ook.

Als jongen van 19 meldde Ghosh zich bij de Indian Express, in het India van de jaren zeventig de enige krant die de regering kritisch volgde. Wat ik wilde was een literaire loopbaan. Zoiets bestond niet in India. Journalistiek kwam het dichtst in de buurt. Hij leerde het vak the hard way, als corrector, later als eindredacteur en junior verslaggever. Mijn vader was officier, en werkte later bij Buitenlandse Zaken ik ben een kind van de middenklasse. Journalistiek betekende een breuk met mijn afkomst. Ik leerde hoe het was op straat te zijn, met mijn pen in de hand. Mijn belangstelling voor het leven in de marge heb ik in die tijd ontwikkeld.

Na twee jaar kwam hij erachter dat hij niet voor journalistiek in de wieg was gelegd. Met deadlines en politieke wissewasjes kon hij niet uit de voeten. Toch is hij altijd ook journalist gebleven. Ghosh schrijft met regelmaat reportages voor het weekblad The New Yorker.

Zijn nieuwsgierigheid kent geen grenzen. Nog voordat het gesprek goed en wel is begonnen, informeert hij naar de toestand in Nederland en wil hij precies weten hoe de stemming is, na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Haal de Maghreb binnen de Europese Unie, dan is het probleem opgelost, is zijn spontane remedie. Maar ook in de komst van Bollywood-sterren naar Amsterdam is hij geïnteresseerd.

Ghosh is een schrijver met een kristallen bol. In Het hongerig getij beschrijft hij hoe de bewoners van de rivierendelta in Oost-Bengalen worden overvallen door een cycloon, die het water vele meters doet stijgen en bomen, boten, huizen en mensen wegspoelt alsof ze er nooit geweest zijn. Terwijl de tsunami nog moet komen, ligt de gedetailleerde beschrijving van de gevolgen al klaar. Griezelig, jij moet een vreemde intuïtie hebben, zou de gouverneur van Bengalen later tegen hem zeggen.

De tsunami kwam minder dan een jaar na het verschijnen van uw boek. Een vreemde gewaarwording?

Ín het boek gebruik ik de omschrijving a tsunamilike wave. Een cycloon kun je zien aankomen, de tsunami kwam maar de uitwerking die ze hebben, is verwant. Maar geloof me, ik heb geen bijzondere intuïtie. Wel is er een verband tussen kunst en werkelijkheid, geheimzinniger dan wij denken. Toen Melville Moby Dick schreef, was het nog nooit voorgekomen dat een walvis een boot aanviel en wraakzuchtig achtervolgde. Nadat het boek was verschenen, gebeurde het ook in het echt, en meerdere malen.'

Vlak na de tsunami schreef u een verslag van een reis naar de Nicobaren, een zwaar getroffen eilandengroep tussen India en Maleisië. Hoe kon u zo snel ter plekke zijn?

Ik arriveerde op eerste kerstdag in Calcutta bij mijn familie. De volgende ochtend kwam de tsunami. De Bengaalse Golf fascineert me, al mijn boeken spelen zich daar af. Ik moest wat doen. Een vriend, die voor een hulpverleningsorganisatie werkte, zei: kom mee. Twee dagen later zat ik in het vliegtuig naar de eilanden.

In Nederlandse kranten verschenen berichten dat de hele eilandengroep overstroomd zou zijn, en dat helikopters door de laatste overlevers met kokosnoten en speren verjaagd werden.

De inboorlingen hadden weinig last van de vloedgolf, die wonen hoog in de bergen van de Andaman-eilanden. Maar de Nicobaren zijn vlak als koraalriffen. Al honderden jaren mogen Indiërs er zich als kolonisten vestigen. Het land is vaak uitgegeven als beloning voor soldaten. Die eilanden zijn zwaar getroffen. Het gaat er de komende tijd nog gruwelijker worden Op het vasteland was de hulp heel efficiënt. Maar op die eilanden is geen democratische structuur. De hulp komt niet door.

De verhalen zijn zo angstaanjagend. Een piloot vertelde hoe hij, toen het water kwam, met zijn gezin naar de bovenste verdieping van hun huis ging, waar al 29 mensen waren. Het water rees, iedereen spoelde van het dak af. Hij raakte gescheiden van vrouw en dochter. Met zijn helikopter heeft hij drie hulpvluchten uitgevoerd, en pas daarna hoorde hij dat ook vrouw en dochter veilig waren. Ze hadden zich aan een boom vastgebonden. Van de 29 mensen op het dak bleken er 7 nog te leven.

De Golf van Bengalen blijft instabiel, er is zoveel activiteit onder water. Dit is een voorbode van meer onheil.

Twintig jaar geleden deed u voor uw studie antropologie aan de universiteit van Oxford veldwerk in Egypte, en schreef daarover het reisboek In an antique land. U trof daar Egyptenaren die geld inzamelden voor de strijd in Afghanistan, en anderen die erover dachten daar te gaan vechten. Herkende u die vonk als een voorbode van een grotere beweging?

Op 11 september 2001 was mijn dochter maar een mijl verwijderd van het World Trade Center. Toen ik haar eindelijk vond, tussen alle mensen die over de Brooklyn Bridge vluchtten, zei ze: ik zag het allemaal gebeuren door het raam van mijn geschiedenisklas. Dat is ook het verhaal van mijn leven. De golf van terrorisme die we nu meemaken, was te vermijden. De jaren tachtig waren een periode van dynamiek en succes in Egypte. Jonge Egyptenaren werkten in Irak en in de Golf. Ze brachten veel geld mee, de enige oliedollars die over de Arabische wereld werden verspreid. Er was overvloed. Dat alles kwam met de Golfoorlog van 1991 in één klap tot stilstand. De ellende die we nu zien, is terug te voeren op die oorlog en op het wanbeleid dat daarna werd gevoerd.

Heus, er waren goede gronden om strijd te leveren. Het was, anders dan de huidige oorlog in Irak, een legitieme strijd, gesteund door de wereldgemeenschap. Maar de westerse leiders waren dom of vals. Vier miljoen Arabische gastarbeiders verloren hun baan, en kregen nooit meer werk. Ze werden vervangen door Thai's en Filipino's. Als de Egyptenaren en Palestijnen toen weer aan de slag hadden gekund, was veel onheil voorkomen.

Dit conflict gaat een aantal decennia duren. Het perspectief is lelijk en somber. En de gevolgen worden niet gevoeld in de Verenigde Staten, maar in Engeland, in India, in Israël, in Turkije, in Europa. Het is de grootste catastrofe van de hedendaagse geschiedenis.

Dus u vindt dat er een economische basis is voor het hedendaagse terrorisme?

Absoluut. Alle eisen van Bin Laden zijn terug te voeren op de Eerste Golfoorlog. Dan gaat het om de aanwezigheid van de Verenigde Staten in Saoedi-Arabië, om de bemoeienis met het Arabische vorstenhuis en ga zo maar door. Ik woonde maanden in het Egyptische dorp Nashawy. Mohammed Atta, de vermoedelijke leider van de terroristen van 11 september, woonde in een dorp even verderop. Hij radicaliseerde niet in de jaren tachtig, maar pas toen zijn perspectief verdween, in het midden van de jaren negentig. Dat verhaal wordt nooit verteld.

Heeft u nog contact met de Egyptenaren die u toen leerde kennen?

In 1993 was ik er voor het laatst. Dat was deprimerend, ik wilde meteen weer weg. In datzelfde jaar ging ik voor het eerst naar Cambodja. Het was alsof je van het donker in het licht kwam. In de islam en het christendom speelt de geschiedenis een cruciale rol. Het Midden-Oosten zit al eeuwenlang gevangen in een spiraal van slachtofferschap en wrok. De landen ten oosten van India gaan heel anders om met hun geschiedenis. Een Thai kijkt niet met wrok naar het verleden. Die zegt: het was slecht, maar we kunnen er op bouwen. Dat geldt zelfs voor Vietnam, dat zo veel geleden heeft onder het imperialisme.

Kijk bijvoorbeeld eens naar wat Birma in een eeuw tijd moest doorstaan. Eerst liepen de Britten er binnen, ze claimden zowel het land als de hulpbronnen. Daarna kwamen de Japanners, die alles vernielden wat nog overeind stond. Toen de Britten zich uiteindelijk terugtrokken, waren er zestien groeperingen die elkaar naar het leven stonden. Birma was het eerste land dat een strijd tegen terrorisme moest voeren. In de jaren vijftig ontplofte er elke dag wel een bom, in een trein of een drukke winkelstraat. Opmerkelijk is niet hoe snel Birma instortte, maar hoe lang het zich nog staande hield.

Toen ik er rondreisde, had ik steeds een angstig voorgevoel. Als ik zag hoe oud en versleten alles eruitzag, dacht ik: misschien is dit niet het verleden, maar zie ik hier onze eigen toekomst. Terrorisme kan een land van binnenuit opblazen. Als je nu naar grote delen van de wereld kijkt, naar de boog die loopt van Birma, via Nepal, Kashmir, Afghanistan, de Kaukasus, dan zie je dat een steeds groter deel zoals Oost-Birma wordt. Elke vorm van overheidscontrole ontbreekt, die streken worden geregeerd door krijgsheren en gefinancierd met drugsgeld.

Dus India wordt omsloten door een ring van barbarij?

Tel Albanië mee en die slurf reikt tot in Europa. Je moet de vorming van staten heel kritisch tegemoettreden, elke staat is een beperking van de vrijheid van het individu. Maar als krijgsheren het alternatief vormen, dan weet ik wel wat beter is. India is daaraan ontsnapt. De Indiase politiek is een van de naoorlogse mirakels. Dat danken we aan de eerste leiders. Hoe meer ik over Gandhi lees, hoe meer ik hem bewonder. Hij wilde de geschiedenis niet zien als een opeenvolging van wrok. Hij zei: we willen de gevolgen van het verleden niet alleen herstellen, maar ons ervan overtuigen dat het zich niet zal herhalen. Niet één bevolkingsgroep is dominant in India, de variëteit is zo groot dat de volkeren wel naar elkaar móeten luisteren. Compromissen sluiten is goed voor een samenleving, zo leer je de grenzen kennen.

In India is de democratie niet instrumenteel, het is geen bestuurssysteem, geen stelsel van wetten en diensten. De democratie is er expressief, het is eerst en vooral het recht van mensen om gehoord te worden. Dat miljoenen mensen demonstreren en het vervolgens toch oorlog wordt, zoals in Londen en Rome is gebeurd, is ondenkbaar in India.

Uw romans spelen in en om India, terwijl u de helft van het jaar in de Verenigde Staten doorbrengt. Wordt het niet eens tijd voor een Amerikaanse roman?

Dat zal nooit gebeuren. Wat ik ben en hoe mijn hoofd werkt, is totaal vervlochten met India. Ik schrijf weleens fragmenten waarin de Verenigde Staten voorkomen, zoals in Het glazen paleis. Maar Amerika brengt mijn fantasie niet op gang. Over New Delhi zou ik trouwens ook niet kunnen schrijven.

En ooit, als mijn kinderen het huis uit zijn, vestig ik mij voorgoed in Calcutta.

U heeft stellige opvattingen over wat er schort aan de wereld. Toch schrijft u zelden pamfletten.

Zou ik met mijn fictie een doel nastreven, dan werd het slechte fictie, zonder betekenis. Ik wil geen oplossing geven, maar laten zien hoe mensen leven en wat dat teweegbrengt. Ik wil de lezer met alle facetten van een situatie laten kennismaken. Fictie is de compleetste menselijke uiting. Je kunt hetzelfde landschap laten zien door de ogen van een visser, van een wetenschapper en van een angstige kleine jongen. Het resultaat zal heel verschillend zijn. Wel mag mijn fictie een instrument zijn. Als je trouw bent aan je uitgangspunten en je stelt de lezer in staat zich een situatie eigen te maken, dan zal hij zich een mening vormen. Het hongerig getij had dat effect. Sinds dat boek verscheen, is er in India debat over het evenwicht tussen natuurbehoud en landbouw, tussen tijger en boer, natuur en veiligheid in de Sundarbans.

En soms schrijf ik toch een politiek pamflet. Ik heb me voorgenomen dat niet meer dan één keer per jaar te doen, en alleen als ik aan niets anders kan denken. De vrijheid van meningsuiting is niet bedoeld om maar wat te kletsen.

Gaat u zich vaker in het debat mengen als u weer het jaar rond in India woont?

Ik denk eerder dat het dan minder zal zijn. In India kun je helemaal in beslag genomen worden door allerlei kwesties. Dan moet je je privacy beschermen, anders heb je de hele dag aanloop en kun je niet meer werken.

Uw boeken hebben altijd een autobiografische kern er was een oom die ergens had gewoond, u had een interessante wetenschapper ontmoet. Vanwaar die voorkeur om dicht bij de werkelijkheid te blijven?

Om te beginnen, maakt dat mijn werk leuk. Een deel van mijn leven bestaat uit reizen, met een notitieboekje in de hand. De mensen die ik ontmoet en de omstandigheden waarin zij leven, voeden mij als schrijver. Zoals Dickens, die ook beschreef wat hij zag.

Ik ga op reis, schrijf wat, ga terug, schrijf weer wat en zo verder. Dat is een heel organisch proces. Ik moet precies weten wat mijn hoofdpersonages doen, hoe hun leven in elkaar zit. Voor Het hongerig getij bezocht ik zelf de Sun-darbans, samen met een visser. Toen ik daar was, werd ik benieuwd hoe een jong Indisch meisje zou reageren op die primitieve omstandigheden. Mijn eigen dochter bijvoorbeeld, wat zou die van de visser vinden? Als bij toverslag zag ik daar die dode dolfijn op de oever, die behoorde tot een soort dat ik niet kende. Het bleek een irrawaddy-dolfijn te zijn. Toen ik ging zoeken op internet, leerde ik een specialist kennen, een jonge vrouw, die in Cambodja veldwerk ging doen. Zij stond model voor de vrouwelijke hoofdpersoon.

Was zij even toegewijd als de hoofdpersoon in het boek?

Precies. Tot dan had ik dergelijke jonge wetenschappers als flierefluiters beschouwd. Hun werk blijkt zo veeleisend te zijn. Ik vond Isabel, een meisje van begin twintig uit Nieuw-Zeeland, in een stadje aan de Irawaddy in het noordoosten van Cambodja. Ze had amper vrienden daar, maar wel een hond. Terwijl ik sliep, kreeg die hond de kolder. Hij heeft haar gebeten waar hij maar kon, in armen, benen, gezicht. Met de fietstaxi heb ik haar naar het ziekenhuis gebracht. Geen traan heeft ze gelaten. De volgende dag is ze, van top tot teen in het verband, toch op onderzoek gegaan. Wat in haar geval betekent: de hele dag staan in een wankel bootje, en in de hete zon. Echt heldendom is dat. Toen ik wegging, waren er nog zeventig dolfijnen, de kritische grens om de soort te laten voortbestaan, ligt bij vijftig. Vorig jaar schreef ze me dat het aantal daar nu onder is gezakt.

Vanwaar uw obsessie met details?

Ik werk heel nauwgezet, de omstandigheden en het decor moeten kloppen. Maar uiteindelijk draait alles om de bezigheden van de mensen die in dat decor leven. Fictie is interessanter dan geschiedenis, omdat het om de lotgevallen van het individu draait. Ik word wel met de Zuid-Amerikaanse magisch-realisten vergeleken. Maar die gebruiken de werkelijkheid als een metafoor. De werkelijkheid die ik wil beschrijven, is van zichzelf al magisch.

Al voel ik me wel met hen verwant. Veel westerse schrijvers kunnen alleen nog ironisch met gevoelens omgaan. Ze schrijven niet meer direct over emoties, er moet afstand zijn tussen henzelf en hun gevoelens. Indiase schrijvers kunnen het nog wel. Lezers wereldwijd herkennen dat.

Is het India dat u ertoe dwingt de wereld zo serieus te nemen dat er geen ruimte is voor ironie?

Het leven in het Westen is zo individualistisch, dat mensen een ironische kijk op zichzelf krijgen. Ze zeggen niet: ik ben gelukkig. Maar: is het mogelijk te denken dat ik gelukkig ben? Dat is een terugtrekkende beweging. Bovendien: er is al zo veel over gevoelens geschreven. Niemand wil graag Tolstoj of Flaubert herhalen. Een diepe angst om over emoties te schrijven is het resultaat. En dat leidt weer tot ironiseren.

De Golf van Bengalen is uw epicentrum. Toch schrijft u in het Engels. Ervaart u dat als een ontkenning van uw achtergrond?

Het is nooit mijn keus geweest in het Engels te schrijven, er was simpelweg geen andere mogelijkheid. Ik ben buiten Bengalen opgegroeid, mijn literaire vorming voltrok zich niet daar. Maar ik voel me er niet gemakkelijk bij. De Engelse taal perverteert je relatie tot de tekst. Zo noemden de Engelsen hun intocht in Birma een pacificatie, terwijl het eigenlijk een invasie was, een bezetting. Steeds weer moet je woorden uitvinden.

Eigenlijk ben ik steeds naar het Engels aan het vertalen. Ik heb me voorgenomen in de toekomst meer in het Bengali te schrijven. De literatuur van de 19de en 20ste eeuw was monocultureel: de personages deelden hun taal en omstandigheden. De werkelijkheid is allang niet meer zo. Schrijvers als ik, die met een dubbele cultuur zijn opgegroeid, hebben daardoor een voorsprong.

Pamfletten

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden