Altijd die toptien DE TULPENHANDEL VAN DE NEDERLANDSE UITGEVERIJEN

HET boekenbedrijf is weer eens heel erg in beweging. Berichten over overnamen (De Bezige Bij naar de Weekbladpers, Van Gennep misschien naar de Wereldbibliotheek) en megafusies als die van Reed Elsevier en Wolters Kluwer kunnen licht de indruk wekken dat er gewerkt wordt aan de totstandkoming van één gigantisch uitgeversconglomeraat...

Binnen zulke omvangrijke bureaucratieën doet niet alleen die ene mooie poëziebundel er niet meer toe, maar legt ook het Nederlands het als lingua franca af tegen de krompraat van de manager, om wiens positie het méér gaat dan om de durende hoge kwaliteit van het fonds of het algemeen belang van de literatuur.

'Portfolio-management', 'return on investment' en 'business units' - dat zijn de termen die je tegenwoordig te horen krijgt als je met een uitgever praat, zelfs als het er een is die bewezen heeft zich sterk te willen maken voor literaire uitgaven in de Nederlandse taal. Het zijn nog betrekkelijk onschuldige uitdrukkingen, omdat ze vooral het 'financiële plaatje' regarderen, maar al gauw raakt de conversatie doorspekt met andere economische en publicitaire sleutelwoorden, zoals 'overproductie', 'hype', het 'biedcircuit', 'voorschotten' en zo verder, en die laten je minder onverschillig, omdat iedereen er in de dagelijkse praktijk het effect van ziet, of hij nu uitgever is, boekverkoper, schrijver of lezer.

Op gevaar af een karikatuur te schetsen van het uitgeversbedrijf, kun je de huidige gang van zaken als volgt omschrijven: er moet heel veel worden geproduceerd, te veel om gezien de belangstelling van de Nederlanders voor het boek, verkocht te kunnen worden. Om te kunnen overleven moet een uitgever die het door zijn onderneming in hem geïnvesteerde geld wil terugverdienen, elk jaar een paar geheide bestsellers hebben ('kassakrakers' noemt Mai Spijkers van Bert Bakker/Prometheus ze, en dat is, weet Maarten Asscher, Zuid-Afrikaans).

Als die grote successen in Nederland niet te vinden zijn, moeten ze uit het buitenland, het liefst uit het Angelsaksische taalgebied, worden geïmporteerd. Dat gaat niet zonder slag of stoot. Daarvoor moet worden betaald. Literaire agenten, vooral in Amerika, spinnen garen bij deze ontwikkeling. Ze spelen uitgevers met verve tegen elkaar uit door ze te laten bieden op een gewenste titel, en dat kan betekenen dat er - zoals Marijke Bartels van De Boekerij onlangs in Het Parool vertelde - tonnen worden betaald voor de vertaalrechten. Er zijn uitgevers in Nederland die acht, negen ton of meer aan dergelijke 'voorschotten' hebben uitstaan, zonder dat ze ook maar enigszins de zekerheid hebben dat ze deze investering terugverdienen, want daarvoor moeten honderdduizenden exemplaren van zulke boeken in Nederland worden verkocht. En dat is nog steeds niet normaal.

Ary Langbroek (van Querido, Nijgh & Van Ditmar en Athenaeum-Polak & Van Gennep, samen behorend tot de Weekbladpers) spreekt van 'tulpenhandel'. Een deel van de overproductie vloeit voort uit deze werkwijze: men plundert de Amerikaanse toptien-lijsten, betaalt veel geld voor vertaalrechten, en moet enorme oplagen maken om aan een boek zoveel over te houden dat de overhead ruimschoots betaald kan worden. Aldus aangekochte boeken worden met zoveel publicitair geweld de wereld ingezonden dat ze geïnteresseerde lezers het zicht op andere, misschien aanzienlijk betere boeken benemen.

Vanaf het begin van de jaren tachtig is de hele uitgeverij, ook voorzover het de nog ongeveer vijftig kleine zelfstandige bedrijven betreft, min of meer van de kassakrakers afhankelijk geworden. Ook de serieuze literaire uitgeverijen kunnen zich niet meer aan de zware commerciële druk onttrekken. De hypes maken dat zichtbaar. Een recent voorbeeld is wat er op de laatste boekenbeurs van Frankfurt gebeurde. Plotseling ontstond daar veel aandacht voor een roman van een jonge Zwitserse, Zoë Jenny: Das Blütenstaubzimmer. De moeite waard, maar niet eens héél bijzonder.

Er werd door tal van geïnteresseerden geboden, maar uiteindelijk haalde Arena voor veertigduizend Mark de buit binnen. Dat betekent, Ary Langbroek rekent het voor, dat er in Nederland zeker vijftienduizend exemplaren van dit boek verkocht moeten worden, wil men uit de kosten geraken, en dat terwijl men weet dat vertalingen hier normaal gesproken hooguit vijftienhonderd kopers trekken, waarbij nog aangetekend moet worden dat boeken uit het Duitse taalgebied in Nederland slecht aarden.

De schaalvergroting en de daarbij behorende commercialisering van het boekenbedrijf brengen een overaanbod aan nieuwe titels met zich mee. De meeste worden nauwelijks gesignaleerd, laat staan gerecenseerd en bereiken nooit een publiek. Als een uitgever er niet in slaagt ten minste een paar maal per jaar uit de internationale tombola een kassakraker op te vissen, dan krijgt hij het moeilijk, maar dat is niet iets waarover de lezer zich druk maakt. Die wil kwaliteit, iets bijzonders, die wil, mag je aannemen, een buitenlands boek alleen als dat verre uitsteekt boven wat hem aan Nederlandse boeken wordt voorgeschoteld. Het hemd is nu eenmaal nader dan de rok.

Maar zelfs uitgevers die een zodanig fonds hebben dat ze kunnen leunen op goedverkopende Nederlandse auteurs (Adriaan van Dis, die zijn Indische duinen in vierhonderdduizend exemplaren over de toonbank zag gaan), ontkomen er niet aan in het buitenland te gaan shoppen. Volgens sommigen is de verhouding buitenlands-Nederlands nu percentagegewijs 60-40. Die 60 procent is relatief duur, vanwege de vertaalrechten, de vertaalkosten en de extra benodigde publiciteit. Lastig is dat zulke boeken niet al te lang na verschijning in hun land van herkomst (meestal Amerika) in Nederland moeten uitkomen, omdat de belangstelling snel wegebt, als er al niet weer een nieuwe hype om aandacht schreeuwt. Het brengt met zich mee dat er snel moet worden vertaald, en dat zet vertalers onder druk, wat niet bevorderlijk is voor de (literaire) kwaliteit van hun werk.

MAAR HET voornaamste bezwaar van deze productiemethode is misschien nog wel dat het hele uitgeversbedrijf is gaan staan naar het snel kopen van een boek, het snel produceren ervan, en vooral naar een snelle verkoop in een zeer kort tijdsbestek. De vraag is of de literatuur, die qualitate qua gebaat is bij een zekere rust (vooral rond de schepper ervan, de schrijver) niet op deze manier doldraait. Als tegenwoordig ook op de paar goede Nederlandse auteurs die we hebben, pressie wordt uitgeoefend om onmiddellijk nadat ze een manuscript hebben ingeleverd, een nieuw werkje op de pennen te zetten, dan komt dit het niveau van hun oeuvre bepaald niet ten goede. Iets goeds kan alleen ontstaan als een schrijver alle tijd wordt gegund. Al doet hij tien jaar over een boek, dat moet kunnen.

Dat kán ook, beweren literaire uitgevers. Maarten Asscher verheelt net zomin als Mai Spijkers dat hij 'kassakrakers' nodig heeft. Die hééft hij, met de veertigduizend exemplaren van Marcel Méings laatste boek (In Babylon), of de veertienduizend verkochte poëziebundels van de Poolse Nobelprijswinnares Szymborska. Maar, zegt hij, je mag niet al je boeken aan dezelfde verkoopeisen onderwerpen. Je moet, met een gevarieerd fonds als Meulenhoff heeft, elk boek afstemmen op een reële taxatie. Je moet, als je een Spaanse auteur van Europees niveau als Javier Marías brengt, genoegen nemen met de drieduizend lezers die daar (nu nog) voor zijn. Je moet erin geloven dat de faam van een dergelijke auteur pas jaren later tot het grote publiek zal doordringen. Je moet kunnen 'bouwen'. Daarvoor moet je heel selectief te werk gaan en honderd procent zeker zijn van je zaak, ook in commercieel opzicht.

Niettemin geeft hij toe dat ook het uitgeven van literatuur onder grote commerciële druk is komen te staan. En er is nog iets anders. In zijn ogen is er sprake van een sterke non-fictionaliseringstendens. Niet alleen is non-fictie vanwege het vermeende 'nut' meer in zwang dan fictie, ook strikt literaire boeken gaan steeds meer non-fictionele trekken vertonen. Het gaat meer om het 'onderwerp' dan om de vorm, bij de gratie waarvan de literatuur als kunst nu eenmaal bestaat. Ook besprekers van typische literaire genres als verhaal, novelle, roman en poëzie geven er blijk van zulke boeken tot hun 'onderwerp' te willen reduceren.

Mai Spijkers ontkent deze invloed van de non-fictie. Hij wijst op een omgekeerd effect: dat juist het literaire zich in toenemende mate over het terrein van de non-fictie uitstrekt, zoals Frits van Oostrom bewees met Maerlants wereld. Ary Langbroek ontwaart op dit punt evenmin iets verontrustends en wijst op een schrijfster als Hella S. Haasse, wier hoogst literaire oeuvre al heel lang non-fictionele trekken vertoont. Dat is niet iets waar hij zich druk om maakt. Wat hem zorgen baart, is de geringe nieuwsgierigheid van het publiek, dat massaal op hetzelfde afkomt - altijd die toptien -, maar te weinig oog heeft voor de nuance, het gevarieerde aanbod aan mooie boeken dat er nog steeds is.

Langbroek had succes met de nieuwe vertaling van Don Quichot door Barber van de Pol, een dure uitgave (¿ 125,-), die niettemin tienduizend afnemers vond. Zoveel verdiende welwillendheid van de lezers is een zegen voor een literaire uitgever. Daar is geen Libris- of Generale Bank-prijs, geen tv, geen hype, geen promotable head van een lieftallige schrijfster aan te pas gekomen, al wil hij best aannemen dat zulke kostbare boeken worden aangeschaft door tweeverdieners, 'die ook al een Jaguar hebben'.

Je moet, zegt Ronald Dietz van De Arbeiderspers, je ogen niet sluiten voor wat er nu gaande is. 'Trainspotting van Irvine Welsh, Morvern Callar van Alan Warner, Mijn moordkuil van James Ellroy, die wereld, dat vitalisme van een generatie voor wie álles er is.' Daarnaast wil het lezerspubliek 'a good read' en of die nu uit het buitenland komt of van eigen bodem doet er niet zoveel toe, maar het is strelender voor een (Nederlandse) uitgever - en domweg financieel aantrekkelijker - als het wél om Nederlandse schrijvers gaat, zoals Tessa de Loo of Anna Enquist.

0 E NEERLANDICUS Dietz, die na het vertrek van Emile Brugman naar Atlas (een imprint van Contact, Veen, Wolters Kluwer), als opvolger van Theo Sontrop een moeilijke begintijd bij De Arbeiderspers had (daarbij ook nog hinderlijk gevolgd door een boze Jeroen Brouwers) hééft iets met zulke boeken. Niet alleen omdat ze goed verkocht worden en het mogelijk maken om ook wat ranke en kwetsbare bootjes in de vaart te houden, zoals hij het omschrijft, maar ook omdat hij van mening is dat een literair boek van belang kan zijn door de invloed die het uitoefent. Volgens hem heeft Tessa de Loo met De tweeling meer gedaan voor de verbetering van de verhouding tussen Duitsers en Nederlanders dan wie ook.

Het wil niet zeggen dat een auteur als Edzard Mik, van wie nauwelijks een boek verkocht wordt, hem niet dierbaar is. 'Hij zal nooit een Joost Zwagerman worden', zegt Dietz, 'en dat is misschien lullig voor hem om te lezen, maar zijn verdienste, het aftasten van bijna surreële grenzen, is van een andere orde.'

'Dat is liefhebben', voegt hij eraan toe, 'houden van een auteur en zijn werk. Je daarvoor inzetten. Een kwestie van drift en bezinning. Het hangt samen met je persoon om zoiets de moeite waard te vinden. Why should I hang on to a dream? Cormac McCarthy, ook zo iemand. Als ik op de rand van een surseance zou zitten, dan zou ik van hem nog net even een nieuw boek uitgeven.'

Juist de literaire uitgevers, die deel uitmaken van een concern (Dietz: 'Een concern? Ja, maar dan wel een piepklein vergeleken bij Wolters Kluwer'), benadrukken met graagte hun literaire betrokkenheid. 'Wat maakt dat nou uit', roept Mai Spijkers, 'of je als kleine zelfstandige rente betaalt op geld van een bank of van een concern? Het gaat erom dat je kunt uitgeven wat je wilt, en dat je dat met verstand van zaken doet. Verkoop is de kunst die elke uitgever moet beheersen. Daarmee krijg je ook het allerwaardevolste bij een publiek.'

Ook Eva Cossée van Ambo, de uitgeverij die samen met Anthos deel uitmaakt van het grote Bosch & Keuning-geheel (en die daarvóór bij Contact haar internationale contacten legde), gelooft dat je verschrikkelijk mooie boeken (van J.M. Coetzee, van David Grossman, van Antonio Lobo Antunes) met succes op de markt kunt brengen als je niet achter elke hype aangaat, maar gebruik maakt - dankzij een kring van internationale adviseurs - van de kennis die je in de loop der jaren verwerft. Dat je, vóór alle anderen, weet dat een nog onbekende auteur met iets verrassends bezig is.

Dat werkt overigens, zoals ook Maarten Asscher laat weten, naar twee kanten. Niet alleen hoor je in je eigen kring over interessante buitenlandse boeken, je kunt je buitenlandse vrienden ook informeren over Nederlandse auteurs, een deel van het succes van de Nederlandse literatuur over de grens. Asscher: 'International networking, daar komt het op aan. Een voorbeeld: als ik een nieuwe Griek ontdek, kan het van belang zijn zijn naam bij een Amerikaanse uitgever te noemen, want je weet dat zo'n boek hier in de boekhandel een beter onthaal krijgt als je erbij kunt vertellen dat ze het in Amerika ook zien zitten.'

Is de situatie voor uitgevers die niet het winstbejag van een concernleiding het hoofd hoeven te bieden, die met andere woorden zelfstandig zijn, anders? Joos Kat van de Wereldbibliotheek geloof het niet. 'Uitgeven', zegt hij, 'is voor iedereen, of je nu zelfstandig bent of niet, een kwestie van trial and error. Dat is het spel. Je weet nooit zeker of wat je uitgeeft aanslaat. Succes in het buitenland is geen enkele garantie. Toen Klaus Wagenbach in Duitsland 65 duizend exemplaren van Misdaad in Cinema Oriente van Javier Toméo verkocht, leek een redelijk belangstelling in Nederland ook wel mogelijk. Het boek werd hier nauwelijks verkocht.'

Zo kun je van je fouten leren, op voorwaarde dat er genoeg tegenover staat. Wat dat laatste stimuleert, zijn vakmanschap, kennis van zaken, en het liefst ook een fonds waaraan door de jaren heen zoveel auteurs van enige importantie hun bijdrage hebben geleverd dat je altijd op hen kunt terugvallen. De backlist.

De vorming daarvan vergt tijd en geduld. De goed verkopende hedendaagse eendagsvliegen kunnen je werk bemoeilijken, maar het onmogelijk maken doen ze niet. Het echte probleem van veel uitgevers is dat ze te weinig in huis hebben. Ook kassakrakers komen niet uit de lucht vallen. Ze worden gevónden, maar louter toevalstreffers zijn het niet, zoals blijkt wanneer de auteurs ervan op den duur steunpilaren worden van je fonds. Mai Spijkers: 'Let maar op, volgend jaar IM van Connie Palmen.'

Willem Kuipers

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden