'Alsof het hagelt'

King Oliver’s Creole Jazz Band met Louis Armstrong (kornet) en Baby Dodds (drums): Canal Street Blues. 1923. Beluister

‘Jelly Roll Morton of Armstrong – ik weet niet eens wie het zijn, zo oud is het. Het is geweldig dat het überhaupt is vastgelegd, maar wat slagwerk betreft, is dit tamelijk saai. Je hoort de drums helemaal achteraan, vijftig meter achter de solisten. Hoe het buiten de studio klonk, weten we niet. In dixielandbandjes is het een aangepast geluidje geworden, Gebrauchsmusik – maar dat was het niet! Het was feest verdomme, zeker bij Louis Armstrong met Baby Dodds op drums. De opnamen uit die tijd zijn een in elkaar gedrukte miniatuurversie van hoe het werkelijk was. Reken maar dat het waanzinnig uitbundig was, en krankzinnig hard.’

Bady Dodds (solo slagwerk): Spooky Drums. 1946. Beluister

Binnen een seconde: ‘Dit is Baby Dodds, die ten inch solo-lp op het Folkways-label. Ik heb er vier exemplaren van. Mensen denken dat ik die plaat niet heb en geven hem me cadeau. Nou, het blijft een cadeautje, al heb ik er tweehonderdvijftig.

‘Wat ik leuk vind, is dat een slagwerker de studio in is gegaan om alleen maar slagwerk op te nemen – de eerste keer dat iemand dat deed. Baby Dodds was in 1946 al een beetje uit de running, maar hij werd toch gevraagd, door hoe heette hij, die eigenaar van Folkways – Moses Asch ja. Toen ik in 1974 in New York was, ben ik naar Folkways gegaan. Daar heb ik die oude joodse meneer nog gezien, in een kantoortje waar niks te halen viel.

‘Op mijn eerste solo-lp uit 1971 heb ik een stuk naar deze plaat genoemd. Ik kan het zelf niet eens spelen – Martin van Duynhoven kan dit geloof ik wel precies, maar mij interesseert dat niet. Het is net als met mensen die de bijbel lezen op het woord. Ik lees zelf de bijbel niet, maar ik vind mezelf meer christen dan al die mensen die het er steeds over hebben. Zoiets.’

Cozy Cole All Stars: Old Man River. 1944. Beluister

‘Old Man River, natuurlijk. Met Chick Webb? Nee, het klinkt net een beetje moderner. Ik vind dit waanzinnig goed, maar wie het is? O, Cozy Cole? Cozy was de eerste Amerikaanse drummer die ik zag. Ik was een jaar of 11, mijn vader speelde slagwerk in De bonte dinsdagavondtrein van de AVRO-radio, en daarin was Cozy te gast. Hij had zijn eigen drumstel mee, met zijn naam op de bassdrum. Dat vond ik al te gek, maar toen speelde hij een solo van tien minuten, alleen op zijn snaredrum! Misschien is dat wel de reden waarom ik zelf de laatste tijd alleen nog maar die snaredrum wil. Je hebt twee drumstokken en een trommel en dat is meer dan genoeg, play the fuck out of it, and don’t complain.

‘Cozy is geweldig. Enorm strak en met die speciale touch die hem net een beetje anders maakt. Ik heb hem na die ene keer nooit meer gezien. Alleen op video’s en dvd’s. Wat een waardigheid, en wat een mooie man ook. Als ik een schilder was, zou ik meteen die ebonieten kop van hem schilderen.’

Big Sid Catlett Quartet: Just a Riff. 1944. Beluister

‘Bij de brushes van de drummer denk ik aan Papa Jo Jones. Ik zit misschien helemaal fout, maar wat maakt het uit, hiervan krijg ik meteen vlinders in mijn buik. Als je Chet Baker of Billie Holiday hoort, tegen het eind van hun leven, dan is het zo druggy dat het voor mij niet meer gaat waarover het moet gaan. Maar dit is zo fris, heerlijk.’

(Na afloop:) ‘ Big Sid Catlett? Nou ja, er zat geen solo in, dan wordt het moeilijk. Ik heb vorig jaar een film gezien met Catlett en Gene Krupa. Dat moet dan dé man zijn, maar als je hem naast Catlett ziet – zo godvergeten stijf! Hij gaat enorm te keer, maar het haalt het niet bij Catlett. Die heeft de flexibiliteit, de swing, het niet-geforceerde, het niet-brengende. . . Krupa is altijd mijn held geweest, heel erg, en nu laat ik hem helemaal zakken. Raar is dat.’

Kenny Clarke (solo): Now’s the Time. 1955. Beluister

Luistert zwijgend, lacht een paar keer hardop, na afloop diepe zucht: ‘Jezus Christus, wat is dit verschrikkelijk goed. Ik hoor dingen die ik verdomme zelf speel. Ik vond het zó modern, maar bij die laatste afslag van die cymbal – kishhhhhh – dacht ik, nee dit moet een oude opname zijn. Het is oud en modern tegelijk, precies hoe het moet. Kijk, geluid is geluid, maar vorm is wat anders, en wat moet je nou als drummer, met je trommel en je twee stokjes? Dit was zo sterk in zijn vorm. ‘En dan swingde het ook nog eens als de neten. Wie was het dan? Wat, was het Kenny?! Mag het nog een keer? Harder?’

(Na de tweede ronde:) ‘Ongelooflijk! Ik vind het super idioot dat ik dit niet herkend heb. Kenny is mijn all time favorite. Daar dank ik (bassist) Ruud Jacobs nog steeds voor, dat hij me ooit op Kenny wees... want ik hóórde het eerst niet! Het is bijna kinderspel. Rrrrak rrrrak, ka-rak-ke-roem. Daantje doet zijn best. Je kunt het lézen, en terwijl je leest, denk je: wat een leuke zinsbouw. Meer is het niet. Dat heeft Armstrong ook, en al die anderen.’

Trio Art Tatum (piano), Lionel Hampton (vibrafoon), Buddy Rich (drums): Hallelujah. 1955. Beluister

‘Red Norvo op vibrafoon met Gene Krupa. O nee, Lionel Hampton natuurlijk. Wow, wat speelt die man goed, en dat op zo’n kankerinstrument! Art Tatum op piano, maar wie is de drummer nou? Wat speelt hij goed brushes! Ik vind het meesterlijk dat hij zich helemaal op die snaredrum concentreert – alles uit dat ene stuk blik haalt.’

(Na afloop) ‘Buddy Rich? Ha, die trad al op toen ie 4 jaar was, als wonderkind. Hij heeft me nooit zo geïnteresseerd– zo’n all american boy, speedy en agressief. Maar wel waanzinnig spelen natuurlijk.’

Ahmad Jamal trio: Music Music Music, met Vernel Fournier (drums). 1958. Beluister

In de eerste maat: ‘Dit vind ik de mooiste ritmesectie in de wereld: Israel Crosby bas, Vernel Fournier drums en Ahmad Jamal piano. Hier krijg ik het koud van. Voor mij is deze ritmesectie nog heavier dan Kenny Clarke met Ray Brown, nog heavier dan Philly Joe Jones met Paul Chambers, heavier dan Louis Hayes met Sam Jones. Het is zo waanzinnig hecht. Je hoort gewoon geen drums meer, hè? Het is één ding, drums en bas. Jamal is zo’n lul de behanger geworden, maar hier... moet je horen! Als ik DIT nog eens kan bereiken.... shit!’

Roffelende zwarte specht; Veluwe 2001 (van de cd Het woud, www.natuurgeluiden.nl) Beluister

‘Rrrrrrrrrrrrrrrrrrrákkkkkk – wow, dan lul je niet meer. Ik wou dat ik dit met mijn piemel kon! Zet maar af, anders raak ik nog gedesillusioneerd. Spechten zijn de beste drummers van de wereld. En dan kunnen ze nog vliegen ook.’

Art Blakey and the Jazz Messengers: Hank’s Symphony. 1955.

‘Blakey of Philly Joe Jones zou dit kunnen doen. Wat een sound, hè. Net zoals je een trompet hoort en je na de eerste noot al weet dat het Miles Davis is. Niemand heeft zo’n oergeluid op drums. Blakey is misschien geen technicus waarvan je omvalt en je kunt wel zeggen dat hij dat ene roffeltje wel erg vaak speelt, maar doe het maar eens na. Eén seconde en je weet: Art Blakey, klaar.

‘De laatste keer dat ik hem zag, was in Wenen, waar ik speelde met Willem Breuker. Blakey was op het eind van z’n leven hartstikke doof, maar hij kwam nog steeds om het jaar met een nieuwe jonge band. Hij zat backstage te wachten tot hij op moest. Ik stelde me aan hem voor. ‘How long are you with that guy?’, vroeg hij, en hij wees naar Willem. Ik zei: zo- en zoveel jaar. ‘You must be fucking crazy!’, zei hij.’

Tommy Flanagan trio: Verdandi, met Elvin Jones (drums). 1957.

‘Hou maar op: Elvin Jones met pianist Tommy Flanagan, van de lp Overseas, opgenomen in 1957 in Stockholm. Dit is waar wat brushes betreft mijn informatie vandaan komt. Ik heb dit vroeger honderdduizend keer gedraaid en honderdduizend keer meegespeeld, op mijn zolderkamertje thuis. Moet je horen hoe ontzettend gretig dit nog steeds klinkt. Die passie, daar gaat het om. Ik ben in mijn hele leven nog nooit easy going geweest, no way.’

Nils Petter Molvaer: Khmer, met Rune Arnesen (drums). 1997.

‘Dit vind ik heel erg. Bobobobobobob. Alsof ze onder water zitten. Ik heb niks met die elektronische beats. Wie was het? Nou, ik vind Nils een hartstikke leuke jongen en ik ken zijn vader, die ook drummer is, maar deze bullshit klinkt naar niks.’

Duke Ellington & The Harlem Footwarmers: Jungle Jamboree, met Sonny Greer (drums). 1929.

‘Ik vind dit verschrikkelijk mooi. Maar wat is het. . . Barney Bigard op klarinet? Dan moet dit Sonny Greer zijn. Ik heb hem nooit een interessante drummer gevonden, meer een showman, met al die pauken en buisklokken, die hij maar zelden gebruikte. Greer stuwde het orkest wel, maar vaak zat hij er achteraan te sloffen. De enige Ellington-drummer is voor mij Sam Woodyard. Maar dan ook de enige echte. Ik heb Ellington zeker vijf keer in mijn leven gezien. In 1966 op het Newport Festival, met Woodyard en de hele club – mán wat een band!’

Curtis Counce: A Fifth for Frank, met Frank Butler (drums). 1956.

‘Ik ken het stuk niet, maar hier heb ik geen seconde voor nodig: Frank Butler. Wat een ondergeschatte drummer is dat. Toen wij opgroeiden, eind jaren vijftig, luisterden we alleen maar naar East Coast jazz, want dat waren de negers. Naar West Coast jazz luisterden we niet, want dat was blank en telde niet. Maar wat wisten wij nou helemaal in dit kleine kutlandje? Aan de westkust wonen ook zwarten hoor, onder wie Frank Butler, Billy Higgins. Er was daar zoveel aan de orde waar wij niks van wisten.

‘Frank Butler is nooit in het rijtje van de bekende drummers terecht gekomen, ook omdat hij zo lang in de gevangenis zat. Maar als Art Blakey in dat rijtje hoort, en Max Roach, dan hoort Frank Butler er ook in, sorry hoor.

‘Er is nog iemand die een beetje op hem lijkt: Phil Seamen. En Philly Joe Jones natuurlijk. Het is een link die afkomt van Sid Catlett volgens mij. Moet je horen wat er allemaal gebeurt, krrrrr, krrrrr, hoe doet hij dat? Dit kan helemaal niet! Alsof het hagelt! Hij is ik weet niet hoe lang al dood, maar als ik dit hoor, zou ik veel meer van Frank Butler willen weten. Zo technisch en zo inventief. Wil je het alsjeblieft afzetten nu? Ik word hier gek van.’

Duo Max Roach (drums)/ Dizzy Gillespie (trompet): Underground. 1989.

Vies gezicht: ‘Doenk-doenk-doenk-doenk, dit vind ik niet goed. Is het Roy Haynes die pop speelt? O, Max Roach. Nou, ik vind Max sowieso geweldig, maar dit leunt te veel op dat doem-doem-doem-doem.

‘Ik was ooit in Ravenna, daar speelde hij met Cecil Taylor. Op een zaterdagmiddag zag ik hem op straat. Ik maakte mezelf aan hem bekend en toen sloeg hij ineens z’n arm om m’n schouder. Dat zal ik nooit vergeten.

‘Er zijn meer dingen van Max waar ik geen reet aan vind, hoor. In de jaren vijftig speelde hij soms met zo’n luie beat. Maar daar moet je hem niet op aankijken. B Swift en B Quick met Sonny Rollins, uit dezelfde tijd, dat is juist weer geweldig. Als je dan hoort dat hij nu in rolstoel zit, Parkinson heeft of iets anders afschuwelijks en van voren niet meer weet dat hij van achteren leeft... iemand die op zúlke toppen heeft geleefd... dan denk ik, geef mij die pil van Drion maar.’

Drummer Han Bennink speelt een solo tijdens een optreden met het ICP Orchestra in 2003. (Paul van Riel / Hollandse Hoogte)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden