Als twee aangespoelde vissen

CHARLOTTE MUTSAERS had een socialistische tante, tante Klaar. Ze had waarschijnlijk nog wel meer socialistische tantes, 'maar tante Klaar was de enige socialistische tante die haar menslievendheid de godganse dag stond uit te dragen'. Zelfs aan het kerstdiner.

Dan zong ze een couplet uit een nobel lied, over bonkige kerels op zee 'die stormen trotseren terwille van 't brood, op vele manieren beloerd door de dood'. Denk daar maar eens aan, schrijft Mutsaers in Zeepijn, op kerstavond. Dan flaneert ook zij langs de Oostendse Visserskaai, zoals elke kerstavond, want dan is Mutsaers altijd in Oostende, en ziet ze het ene na het andere restaurant, Flandria, Belgica, Ensor, Lusitania, ter Schelpen, Het Ankertje, 'vol tafelende mensen met kreeftenslabben voor'.

Ze woont afwisselend in Amsterdam, in het Franse Nevers en in Oostende, de vissersstad van haar geliefde schilder James Ensor. Van nature, bekende ze in Paardejam, 'ben ik een Kerst- en een zee-freak en het aardige is dat zee en Kerst op zo'n dwingende manier samenhangen'. Mutsaers is, zoals Jules Vernes kapitein Nemo, 'een zeezot in optima forma', al gaat ze niet in zee zwemmen. Nemo slaapt op zeegras, weet ze, 'schrijft met intvis-inkt, drinkt walvismelk, eet zeewild en draagt zelfs kleding die geweven is uit de zijdeachtige bekleding van bijzondere schelpen'.

Mutsaers wil altijd naar zee, ze verlangt naar 'het ruisen van de zee'. In La vie dans les plis van Henri Michaux, 'het leven in plooien', las ze over een komische poging tot zee-wording: 'Het gebeurt me vaak dat ik me naar voren werp zoals de zee op het strand. Maar ik weet nog niet wat te doen. Ik werp me naar voren, ik trek me weer terug en ik werp me opnieuw naar voren.' Mutsaers houdt van de zee, van Oostende, 'van de Nacht van het Paard, het bal du Rat Mort, de orde van de Garnaal, de drapeau belge met de fiere Vlaamse leeuw erop, de kraaiende nabijheid van Den Haan aan Zee, het haantje op de Peperbusse, de Viertorre, de blauwvoeten, maar ook van de schapen uit het hinterland, de sole Ostendaise, de zwarte pladijs, het kieksje-in-e-kommetsje, de frioentjes in de duinen en de duivinnetjes in de Ensor-disco'.

Ze zou geen stad ter wereld weten die zo veel dieren herbergt en toch zo weinig wegheeft van Burgers' Dierenpark, schrijft ze in Zeepijn. 'En het allermeest houd ik wel van Oostende op zijn Kerstst: een streling voor de tong en een plaatje voor het oog.' Daarom viert ze liever kerstfeest in Oostende dan in Amsterdam, in een restaurant op de Visserskaai, bij een hartverwarmende apéro Noël en met om middernacht een kerstboompluk.

Het zeelandschap, filosofeert Eric de Kuyper (die afwisselend in Nijmegen, Brussel en Oostende woont) in Met zicht op zee; Aan zee - veertig jaar later, 'leidt onvermijdelijk tot meditatie'. Bekijk de schuimbekkende zeegolven en de schuimslierten die ze voortbrengen, sluit je ogen en laat je pen in je hand losjes en spontaan over een vel papier gaan, 'dan ontstaan er vanzelf kronkels en golvende, spiraalachtige figuren'.

De Kuyper kocht krijtjes en tekenpapier. 'Hoe wonderbaarlijk! Je kiest en koopt niet alleen krijtjes, potloden en verf, nee, je kiest en koopt kleuren. Dat blauw, dit okergeel. Weliswaar heeft die kleur een naam, maar het is in de eerste plaats toch kleur.'

Hij maakte pasteltekeningen, elke dag tekende hij de zee zoals hij haar zag. 'Maar de zee zoals ik haar zag, leek nooit op mijn pastel. Wanneer ze kalm was, en de golven rustig, was de mijne woest en wild. En omgekeerd. Of het bruin-groen werd op mijn tekening groen-bruin. Een andere keer werd de zee weer te blauw.'

Het krijt liep en gleed in zijn hand over het vel papier heen, en wat er tevoorschijn kwam, verraste hem telkens. Hij kopieerde de zee, 'maar de zee laat zich niet kopiëren'.

De zee roept bij hem herinneringen op aan zijn kinderjaren, aan de vakanties in Oostende, bij zijn tante Jeannot. De Kuyper kende toen alle geheimen van het zand, hij kende het zand 'zoals de visser de zee en de wind'. De Kuyper is een 'zondagsschrijver'. Hij flaneert door het Oostende van zijn herinneringen. 'Hoog en droog zit ik in mijn kamer die geen kamer is', verzucht hij in zijn appartementje op de twaalfde verdieping van een flatgebouw dat zestien etages telt. 'Vóór mij strekt zich het strand uit, en verderop de zee met daarboven de hemel. Zo eenvoudig is het.' De zee kijkt mij aan, schrijft hij in Met zicht op zee, ook als ik niet kijk. Nu eens zijn de golven ver, een bibberende streep op het strand, meer niet. En dan zijn ze weer dichtbij. 'Bij vloed lijkt het alsof ze tot onder mijn vloer doorlopen. Ik hier, zij daar.'

Er zijn kerstbomen, zegt hij, zoals ook nu. 'Dat is normaal, want over een paar weken is het Kerstmis. Maar de kerstbomen staan op de zeedijk, recht tegenover mijn huis. Ze zijn gelukkig niet versierd, maar ze hebben hetzelfde effect als de dennen die je in Beverly Hills in deze tijd van het jaar onder de palmbomen ziet staan.'

'Dat is normaal?', riposteerde Mutsaers in een 'open brief' aan De Kuyper in het Vlaams cultureel tijdschrift Ons Erfdeel. 'U bent toch geen normaalridder aan 't worden?' En die kerstbomen staan 'recht tegenover mijn huis'? Dat wil dus zeggen: 'Tussen u en de zee. Hoe durven ze. Maar de zee zelf ziet dat totaal anders, zo heeft ze mij verteld. Zij beleeft die kerstbomen helemaal niet als sta-in-de-weg tussen u en haar. Eigenlijk had ze nog nooit over u nagedacht.' En 'gelukkig niet versierd'? Dan zijn het geen kerstbomen. 'Kijk uit dat u met die hekel aan versieringen niet in calvinistisch vaarwater belandt. Duik liever eens onder de zeespiegel. Een en al kerstversiering wat je daar ziet.' En 'hetzelfde effect als de dennen die je in Beverly Hills in deze tijd van het jaar onder de palmbomen ziet staan'? Multicultureel is ook niet alles. 'Toch zijn zowel palmen als dennen van (groene) visgraten voorzien. Evenals de zee. Dat verandert de zaak. Wat doet u ook in Beverly Hills?'

Het werd een echt literair akkefietje, 'een duel om Oostende', over het plaisir d'hiver in 'de koningin der kerststeden'. De Kuyper namelijk had twee plastic buxussen, 'evergreens zoals de dennenboom', op zijn balkon geplaatst. Hoe had hij het in zijn hoofd gehaald? 'De plastic buxussen zag ik als een test om na te gaan in hoeverre dat beeld van de zee en het strand en de hemel bestand is tegen deze stevige nepdingen', repliceerde De Kuyper in Ons Erfdeel. 'Nu, na een aantal jaren zijn zelfs mijn plastic boompjes uitgeput: de ijzeren stang waar de takken rond bevestigd waren, is geheel verroest en alle plastic takken brokkelen een na een af.'

Drie jaar geleden vochten ze hun duel uit op een literaire avond in de Venetiaanse Gaanderijen van Oostende. 'Ik zou niet willen, en ik ben ervan overtuigd dat jij dat ook niet zocht', had De Kuyper haar geschreven, 'dat we om Oostende vechten.' Ze zijn allebei zestig, geboren in 1942. Ze zijn in Oostende 'aangespoeld'. Een echte Oostendenaar is een Oostendse ploate, een pladijs of een schol; vreemdelingen of nieuwkomers, zoals Mutsaers of De Kuyper, zijn 'aangespoelde vis'. Ze hebben wel meer met elkaar gemeen. 'Net als u heb ik geen afkeer van uitroeptekens', schrijft Mutsaers in een van haar brieven. 'Net als u woon ik op drie verschillende plekken tegelijk. En net als u heb ik als een van deze plekken Oostende uitgekozen.'

Ze hebben inderdaad veel gemeen, ze zijn allebei dubbeltalenten, 'maar zoals dat vaker voorkomt tussen mensen die veel gemeen hebben', antwoordde De Kuyper, 'zijn de verschillen tussen ons ook zeer groot, geloof ik'. Ze zien en ruiken andere dingen. 'Kijk, jij wandelt met een hondje langs het strand, ik meestal alleen, en één enkele keer met een kleuter aan de hand. Jij gaat op stap naar Bredene, ik naar het binnenland van Mariakerke (waar ik nog minder te zoeken heb dan in Beverly Hills, waar ik tenminste voor mijn werk was). Verder lijkt onze dagindeling veel op elkaar. Af en toe ga ik een koffie drinken in het Café du Parc; daar kruisen onze wegen elkaar, maar het vreemde is dat we elkaar nog nooit hebben ontmoet.' Drie jaar geleden spraken ze elkaar voor het eerst en nu exposeren ze samen in Stranden en Blikken - Een tentoonstelling rond het oeuvre van Charlotte Mutsaers en Eric de Kuyper, in diezelfde Venetiaanse Gaanderijen waar ze in de herfst van 1999 hun 'ruzietje' hebben bijgelegd.

Bij de ingang ligt in een vitrine hun correspondentie. Het 'gewaardeerde confrater' werd na enige tijd 'mijn beste' en bij De Kuyper zelfs 'lieve Charlotte'. Hun dispuut was een dispuutje. 'Als Oostende een zeemeermin was', schrijft Mutsaers in haar eerste brief, 'dan zou De Kuyper zich waarschijnlijk blindstaren op de waterspiegel om haar heen en ik op de dennenappel-schubben van haar kwispelende staart. Op die manier zouden we elkaar mooi aanvullen. Maar 't was maar een gedachte. Bovendien is Oostende geen zeemeermin. Oostende is een koningin. De koningin der badsteden. En de koning? Dat is Léon Spilliaert.'

In de Gaanderijen hangen tientallen werken van Ensor en Spilliaert, die Oostende hebben vereeuwigd, en foto's en aquarellen van twee andere Oostendse kunstenaars, Valère Prinzie en Liliane Vandenbroucke, die hun blik en kijk op hun stad hebben 'verrijkt door de ogen, het hart en de geest van Eric de Kuyper en Charlotte Mutsaers'.

De Kuyper 'botaniseert' herinneringen, hij roept 'taferelen uit de kinderjaren' op. Het zijn beelden. Hij ziet de vele gedaanten van de zee en het strand, herinnert zich de wandelingen op de Zeedijk, 'tante Jeannot arm in arm met Julienne, en Fons en Annie en Liliane'. Hij ziet de rode vlek van het slipje van een jongen, 'als een vingerwijzing op dat lichaam', een vlek die telkens weer in het oog springt, en dan weer verdwijnt achter een handdoek of een tent. Hij beschrijft die slipjes, want 'ze verdienen een nadere beschrijving', broekjes die 'aan beide kanten op de heupen waren vastgesnoerd 'met witte veters die kruiselings door met metaal omrande gaatjes werden geregen'. De Kuyper is een oplettende maar ook een vertederende antropoloog. Op de tentoonstelling laat hij bureauladen zien, waarin kennelijk vakantiekiekjes worden 'gearchiveerd', kleine gekartelde en vergeelde foto's van speelvriendjes, van tante Jeannot en van hemzelf.

Alle voorwerpen hebben iets met hun boeken te maken of met hun 'duel om Oostende'. In de Mutsaers-vitrine staat de gele vis van steen uit Zeepijn, de aanleiding voor het boek. Op zijn rug bevindt zich een zout-, peper- en mosterdstel, op zijn zij een geschilderd dennentakje met daaraan twee dennenappels. Mutsaers kocht de vis in een Oostendse schelpjeswinkel. 'U verkoopt mij de vis', zei ze, 'en ik schrijf als tegenprestatie een boek waaruit duidelijk moet worden dat het dennentakje op deze vis even logisch is als de kerstboom in jullie etalage.'

Er hangen schilderijen en tekeningen waarover zij en De Kuyper in hun boeken hebben geschreven. Mutsaers is gek op Ensor, gek op Spilliaert (die vaak de Venetiaanse Gaanderijen heeft getekend en geschilderd), 'maar met de Oostendse schilder Félix Labisse heb ik niet veel op'. Pontificaal hangt Bonjour monsieur Ensor op de expositie, een portret dat Labisse van de grote Oostendse meester heeft geschilderd, en van de al even legendarische 'Oostendse ploaten' Col en Manchette. Ook De Kuyper houdt niet van Labisse, van dat opgetutte surrealisme. Hij adoreert de 'zwartgallige' Spilliaert.

Ook die zwartgalligheid was voorwerp van hun discussie: wist De Kuyper dat Spilliaert ooit een schitterende kerstboom had gemaakt? Die litho kun je nu in de Gaanderijen zien, Les plaisirs d'hiver uit 1918, 'niks onheil, niks beklemming, niks zwartgalligheid, maar een stralende reactie op de oorlog'. Een droom zonder naalden.

Oostende inspireert. Het is ongelooflijk hoeveel beeldende uitdrukkingen de Oostendse vissers aan de taal hebben toegevoegd, schreef Mutsaers in een van haar notities voor de Vlaamse krant De Standaard (nu opgenomen in haar nieuwe boek Bont ). Gernoazn peeln mé bokshaansjoes, dat is Oostends voor 'garnalen pellen met bokshandschoenen', wat zoveel wil zeggen als 'zéér, zéér veel geduld oefenen'. Zoiets als schrijven dus. Het woordenboek van het Oostendse dialect, zegt De Kuyper in Met zicht op zee, 'dat tot mijn verbazing naar schatting evenveel woorden bevat als Oostende inwoners telt', leert ons dat de taal van de kust tot dezelfde familie behoort als het Zeeuws, maar ook als het Noordfries, het Oostfries, het Westerlauwersfries, het Westfries, het strandfries ('het Katwijks zou veel gelijkenis vertonen met het Oostends'), het kustwestvlaams, het Fransvlaams. Daarom misschien hebben Charlotte Mutsaers en Eric de Kuyper, meer dan ze kunnen bevroeden, ondanks hun verschillen veel met elkaar gemeen.

Charlotte Mutsaers: Bont - Uit de zoo van Charlotte Mutsaers.
Meulenhoff; 180 pagina's; ¿ 35,-.
ISBN 90 290 7170 2.
Stranden en Blikken - Een tentoonstelling rond het oeuvre van Mutsaers en De Kuyper.
Van 14 december tot en met 16 februari 2003 in de Venetiaanse Gaanderijen in Oostende.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden