InterviewSchrijver Jeroen Brouwers

‘Als ouwe lul heb ik nog iets echt vernieuwends gemaakt’

Jeroen Brouwers’ nieuwe roman is vernoemd naar de verteller, die een dag lang – en een boek lang – aan het woord is.Beeld Aurélie Geurts

Jeroen Brouwers heeft nog genoeg te vertellen, maar Cliënt E. Busken, zijn nieuwste roman, zou ook zijn laatste kunnen zijn. Hij heeft er vier jaar aan gewerkt en er zijn hele schrijversleven naar  gestreefd, want dóé het maar eens, een boek schrijven over niks.

‘Zie je hoe die pagina’s erbij staan?’ Jeroen Brouwers, die op 30 april zijn 80ste verjaardag zal vieren, neemt Cliënt E. Busken in de hand. Zijn nieuwe roman is vernoemd naar de verteller, die een dag lang – en een boek lang – aan het woord is. Een man die in verwarde toestand is opgenomen in een bejaardenverzorgingstehuis (pardon: psychiatrisch zorgcentrum). Vastgebonden in een rolstoel, en voorzien van een incontinentieluier, weigert hij te praten met het betuttelende personeel in hun genderneutrale uniformen (‘Olala oeioei stinkiestankie’ en ‘U moet uw gevalletje achter de rand van de bril in de pot houden’), of met de mede-patiënten (pardon: cliënten) van de instelling, die het liefst de godganse dag collectief naar de tv staren, want daar heb je programma’s over koken, of ‘natuur met beesten’, of gezwam. Roken wil hij. Maar dat zal stiekem moeten.

Het denken, het malen, herinneren, het observeren, foeteren en het zoeken naar trots in die poel van misère gaan door – ongeordend, maar ook onhoudbaar.

Dat is terug te zien aan de bladspiegel. Geen uitgelijnde pagina’s, waarop de regels allemaal even lang zijn, maar regels van ongelijke lengte. ‘Heb ik zelf bedacht’, zegt Brouwers, met een fier tikje op zijn boek. ‘Deze bladspiegel drukt uit dat die man van alles door zijn hoofd laat waaien. Hij heeft geen rechte gedachten, als het ware. Alles loopt chaotisch door elkaar. Het is mooi geworden, al zeg ik het zelf.’

Met de rolstoel heeft hij zich verplaatst naar de tafel waar we aan zitten, een deel van de bibliotheek in onze rug, in het riante huis waar hij en zijn echtgenote Gwennie Debergh sinds drie jaar wonen, in het Belgische Lanaken. Glooiend landschap, rustig plaatsje. Daarvoor leefde Brouwers meer dan twintig jaar in afzondering in het bos van het nabijgelegen Zutendaal, in een illegaal gebouwd huisje dat uiteindelijk tegen de vlakte moest. Laatst is hij er nog gaan kijken. ‘Er is niets meer van over. Het hele terrein is teruggegeven aan het bos. Ik ben daar zeer gelukkig geweest.’ Hij moest dringend een huis vinden dat een beetje in de buurt bleef van Maastricht, want daar is het ziekenhuis met de professor die de ‘operatietjes’ kan uitvoeren waarvoor de schrijver elk halfjaar moet worden opgenomen. Roken en drinken mag niet meer, lopen gaat moeilijk, en het kan vervaarlijk piepen door zijn luchtpijpprothese. Maar de nieuwe roman, waar hij met onderbrekingen zo’n vier jaar aan heeft gewerkt, is er.

Wie is die cliënt E. Busken – die beweert dat hij hersenchirurg is geweest, filosoof, paleogeneticus, die in niet te ontraadselen codetaal aan diverse manuscripten tegelijk werkt, waaronder zijn ‘gedenkschriften’ (à la Lodewijk van Deyssel) en een ‘wereldfilosofisch werk’, dat weer doet denken aan de megalomane turf De compositie van de wereld (1980) van Harry Mulisch?

À propos: ooit is Busken door een beroemde schrijver met een pijp gevraagd om deel uit te maken van zijn exquise Herenclub. Helaas, daar moest hij beleefd voor bedanken, daar had hij het te druk voor. Alles en iedereen in zijn omgeving beoordeelt hij, die geen kant meer op kan, platgespoten en geanonimiseerd in een tehuis vol rollators en mede-gehavenden. Is hij van het padje af, vraagt het personeel van huize Madeleine zich soms in gemoede af.

Jeroen Brouwers.Beeld Aurélie Geurts

Speelt Busken voor de halvegare die zijn spraakvermogen kwijt is, en is hij stiekem consistenter?

‘Dat denk ik wél, hoor. Het moet een kerel met een zekere ontwikkeling zijn geweest. (Gniffelend) Hij citeert uit allerlei gedichten en muziekstukken. Hij verbeeldt zich ik-weet-niet-wát te zijn geweest.’

Wat is hij werkelijk geweest, heeft u dat voor uzelf bedacht?

‘Nee. Net als jij ken ik hem niet. Hij heet E. Busken, en die naam heeft geen moer te maken met Conrad Busken Huet, de vermaarde criticus uit de negentiende eeuw. Waarom hij die naam heeft? Weet ik veel. Waarom heet jij Arjan Peters?’

Men kan zijn zwijgen uitleggen als protest. Verzet tegen de afhankelijkheid. Daar zult u toch iets in herkennen.

‘Hoezo herkennen? (Vies gezicht) Je bedoelt iets autobiografisch?’

Zulke zinnen als ‘Laat. Mij. Alleen. Hier. Zitten. Ik. Denk’, of ‘Wie aan mij komt krijgt een elektrische opdonder.’ Wat staat er al decennia op de steen naast uw voordeur? ‘Noli me tangere’, raak mij niet aan, naar de woorden die Jezus sprak tegen Maria toen ze hem herkende na zijn verrijzenis. Vrij vertaald, op zijn Brouwers: Blijf Van Me Af.

‘O ja, dat herken ik wel. Ik hou die man op afstand, maar ik denk wel dat we mekaar begrijpen. Hij begint met vloeken, als hij daar binnenkomt. Godverdómme. Maar als hij beseft dat hij daar misschien niet meer wég kan, tussen die lui die hem als een kleuter toespreken, dan begint hij met zwijgen.’

Maar zijn geest werkt nog volop.

‘Nou, volop, volop… hij is nog compos mentis, maar hij begint dingen te vergeten, en gaat rare dingen fantaseren. Het zit niet helemáál lekker. ‘Ik raak de dingen bijster’, zegt hij, ‘mezelf bijster’. Hoe oud is hij? Weet hij niet meer, alleen dat hij treurig bejaard is.’

Die onduidelijkheid geeft u, de schrijver, een grote vrijheid.

‘Zo is dat. Als hij iets raars zegt, of een woord vergeet, dan kan ik daar niks aan doen. Dat is híj. Dit boek is in hoofdzaak intuïtief ontstaan. Ik heb niks zitten verzinnen. Wat gebeurt er op zo’n dag? Ja, niks.

‘Ik moest, gedurende deze vier jaar, de hele tijd naar het ziekenhuis. Lag ik daar in bed, te denken: Jezus, ik laat een onvoltooid opus na. Dat vind ik onartistiek. Daar werd ik behoorlijk zenuwachtig van. Voordat ik ermee verder kon, lagen er steeds wakken van tijd tussen. Maar verdomd, het is gelukt.’

Cliënt E. Busken heeft een moeder, met zijn gedachten aan zijn overleden moeder begint zijn relaas, en een dochter.

‘Kennelijk. Die moeder is een feit. De dochter weet ik niet, misschien verzint hij die. Als ik een dochter heb, denkt hij, is ze waarschijnlijk heel knap, dus lijkt ze op mij. Is hij getrouwd geweest? Magda of Alma, hoe heette ze dan? Wel vermoed ik dat die moeder, dat kreng, dat leven van hem heeft bepaald.’

Op de eerste pagina zit Busken met zijn moeder in de dampende zon op het strand, zij spant haar vingers en hij denkt: ‘Wegwezen, in ieder geval zorgen voor afstand, want ze gaat meppen. Het zal dus mijn moeder wel geweest zijn’. Later bedenkt hij dat hij met haar in voormalig Nederlands-Indië was.

Brouwers is geboren op Batavia, en zat met zijn moeder in de jappenkampen Kramat en Tjideng. Zij stierf in 1981, hij had haar toen al jaren niet meer gezien, ging niet naar de crematie, maar schreef Bezonken rood over zijn vroegste jaren, en de bron van hun getroebleerde verhouding. En ook over het beste dat ze hem had meegegeven.

‘Ik moest gedurende deze vier jaar, de hele tijd naar het ziekenhuis. Lag ik daar in bed, te denken: Jezus, ik laat een onvoltooid opus na. Dat vind ik onartistiek.’Beeld Aurélie Geurts

In het jappenkamp leerde ze u lezen uit Daantje gaat op reis, van Leonard Roggeveen. ‘Stap-stap-stap. Daar gaat Daantje…’

‘Ja, ja, ik weet het, maar dat gaat over mij! Dat die Busken meteen aan zijn moeder denkt, is toeval. Het komt doordat een verpleegster hem aanraakt bij zijn slaap en onverhoeds een duwtje geeft. Dit hele boek bestaat uit toeval.’

In die vier jaar moest u zich openstellen voor Busken. Wat was er voor nodig om dat te kunnen?

‘Gewoon, pak je pennetje en begin maar.’

Hoeveel uur per dag?

‘Ik word oud, dat wordt steeds minder. Laten we zeggen een uur of drie, vier per dag. In de middag, tussen 2 en 5. Kleine passages, hooguit een regel of 10. Dat kost mij veel moeite. De zinnen moeten kloppen, en het moet ook een beetje mooi zijn, en leuk. Een dag later lees ik ze terug, verander misschien een enkel woord, en maak de volgende tien regels. Zo zijn al mijn boeken ontstaan.

‘En dan vroeg ik mij af: wat gebeurt daar op zo’n dag, in een instelling? Ze krijgen te eten, een paar keer per dag. ‘Een hapje voor máma, een hapje voor pápa.’ Dat soort gelul hoort hij om zich heen. Dan moest ik erachter komen wat er intussen bij hém omging. Dat moet je je even inbeelden. (Grijns) Klaar.’

Hij heeft werk gehad met enige status.

‘Zou het? Ergens staat dat hij op het ministerie van Defensie heeft gewerkt, op de postkamer. Verder is hij niet gekomen. Ik denk dat dát de realiteit is. Die moeder zegt de hele tijd: ‘Jij hebt stront en potloodslijpsel in je hoofd, jij wordt niks en je kan niks. Verbeeld je toch niks’. Daarom fantaseert hij zich tot een soort soevereine figuur, de dirigent van een enorm orkest. Ik zeg niet hoe het echt zit. Je kunt ernaar blijven gissen: wat is dat voor een kerel?

‘En dan moet hij daar ook nog het gekwebbel aanhoren van Mieneke Kalckbrander, voormalig filmdiva. Ook al zo’n raar figuur. Die heeft in bekende films gespeeld, maar alleen haar hand is in beeld gekomen. (Luide lach) Die is ook volstrekt kierewiet. Maar voor die mensen is het de werkelijkheid. Ik stelde me voor hoe dat zou gaan als ik daar zelf zou zitten: ‘Ben jij schrijver? Hou toch op. Was je beroemd? Schei toch uit. Wat heb je dan geschreven?’ En dat ik het zelf niet meer weet, omdat ik het ben vergeten.’

Heeft u gelachen, tijdens het schrijven?

‘Nee. Maar ik had plezier. Voor zover dat kan bij het schrijven, dat een hard beroep is. Ik doe het niet met tégenzin, dan zou ik wat anders gaan doen, maar ik begin er nou ook weer niet fluitend of neuriënd aan. Alleen: als het loopt, als ik merk dat de twijfel van het begin is overwonnen, de ingebakken onzekerheid of de gedachte dat het weer bagger is, ja dan ontstaat er voldoening.

‘Aan het eind van mijn loopbaan heb ik een boek willen maken dat vernieuwend is. Ik ben een ouwe lul van bijna 80. Toch had ik de intentie mij nog te vernieuwen.’

Een boek waarin niks gebeurt.

‘Heb ik mijn hele schrijversleven naar gestreefd: ik wil eens een boek schrijven dat over niks gaat. Heb ik eerder geprobeerd bij De zondvloed, uit 1990, maar dat werden 800 bladzijden, ja dan móét het wel ergens over gaan.

‘Maar nee, totaal niks. Een blanco verhaal. Ik denk dat Marcel Proust het verlangen al kende. Zijn romancyclus over de verloren tijd begint met een madeleine. Daar zal de naam van die instelling bij Busken naar verwijzen.

‘Het is geen originele inval van mij, daar doel ik ook niet op. Maar dóe het maar eens; een boek schrijven over niks.’

Is dit het eind van uw loopbaan?

‘Dat zou kunnen. Ik wil niet zeggen dat ik niets meer te vertellen heb. En ik heb ook niet de plechtige gedachte: ‘Hè hè, het is voltooid.’ Maar ik denk aan mijn leeftijd en gezondheid. Dadelijk komt Hein met de zeis, en dan is het uit. Dáár zit ik aan te denken. Wil je een chocolaatje?

‘Literatuur maken is een kunst. Ik wil tonen dat het kunstig geschreven is. Dat het opvalt, in zeer gunstige zin. Bij Cliënt E. Busken ben ik angstig geweest, aan het begin; durf ik dit wel? Het is zo’n raar boek. Ik bedoel dat ik het wel durf te schrijven, maar de uitgever had vervolgens kunnen zeggen: ‘Sodemieter op, wat is dit voor wartaal?’’

Heeft u een redacteur?

‘Wat is dat? Nee, ik heb geen redacteur. Wat zou die komen doen?’

Halverwege zeggen: het moet anders.

‘Daarom wil ik geen redacteur. (Zet zeurstemmetje op) ‘Het is wel leuk hoor, maar je moet de ik-figuur veranderen in een hij-figuur.’ Dat soort adviezen moet ik niet aan mijn kop hebben.’

Kunnen je volzinnen niet wat korter, wat minder vol, zoals E. Busken zich herinnert als uitspraak van zijn uitgever.

‘Ja, ha ha, die wel! Gelukkig is die uitgever geheel fictief.’

In de essaybundel Het vliegenboek uit 1991 schrijft u dat uw boeken uw biografie vormen: ‘Zij zijn de voetstappen die ik nalaat op mijn weg (…) Ik ben de verhalen die ik vertel (…) Niet ik wil mijzelf ‘overleven’, ik zou willen dat mijn boeken mij overleefden: dit is de enige reden waarom ik schrijf.’

Brouwers, knikkend: ‘De mens, de schrijver zelf, wordt vergeten. Je hoeft maar te sterven, en je bent vergeten. Ik hoop dat iets van dat werk overblijft. Hoeft niet dat hele oeuvre te zijn. Misschien een essay, een opmerking, een citaat.’

‘De zinnen moeten kloppen, en het moet ook een beetje mooi zijn, en leuk.’Beeld Aurélie Geurts

Is dat niet te bescheiden?

‘Laat mij daar maar bescheiden over zijn. In Nederland geldt: schrijver dood, oeuvre dood. Alsof je je hele leven voor niks al die boeken bij elkaar hebt zitten priegelen. Denk maar aan Mulisch, Reve en Hermans. Waar zijn ze? Het gaat zo verrekte snél. Dat zie ik voor mijzelf ook gebeuren, over een paar jaar: ‘Brouwers? Er is toch niemand meer die dat leest!’

‘Achterin Cliënt E. Busken staan vier pagina’s met al mijn titels. (Bassend) Deze zijn De Werken.’

Daar staan ze vermeld, de boeken die tezamen werden bekroond met de Constantijn Huygensprijs in 1993, en hun auteur kreeg in 2018 een eredoctoraat aan de Radboud Universiteit Nijmegen: Bezonken rood  (binnenkort 50ste druk), de verrassend lichtvoetige tragikomische overspelroman Geheime kamers (AKO Literatuurprijs, Multatuliprijs), het katholieke jongenspensionaatsdrama Het hout (ECI Literatuurprijs), De laatste deur (essays over schrijvers die zelfmoord pleegden, van Haverschmidt – Piet Paaltjens – tot Zwagerman), beschouwingen over zijn nieuwe landgenoten in Vlaamse leeuwen (Gouden Uil), Kroniek van een karakter (tweedelig brievenboek), Hamerstukken (de gebundelde polemieken), en het tiendelige eenmanstijdschrift Feuilletons.

Romans over tobbende eenzaten, veelal onhandige mannen (‘het zijn bij mij altijd van die lúlhannesen, hè’), aarzelaars en angsthazen, wier gedoe in een koninklijke stijl, die de spot niet spaart, is geboekstaafd. Daarnaast veel essays, bevlogen scheldstukken en literair-historische portretten, waarin ‘toon en intentie die van solidariteit zijn’ met de eenzaten van wie het werk al dan niet vergeten is.

Zijn meest recente portret heet Laatste plicht (2018), de liefdevolle terugblik op Hans Roest (1917-2006), de chef bij de Geïllustreerde Pers die als een mentor de 22-jarige leerling-journalist Brouwers onder zijn hoede nam en hem altijd zou blijven volgen. Die de kunst van het discreet bewonderen verstond, zonder zichzelf te laten kennen.

Brouwers: ‘Een engel in een oesterschelp, zo noem ik hem. Dat soort dingen zie ik mijzelf nog wel schrijven. Toetjes. Hans Roest moest nog. Hij is een baken in mijn leven geweest. Een soort van vaderfiguur. Laat dat ‘soort van’ er maar af. Hij was mijn geestelijke vader. Over mijn moeder en ook over mijn verwekker, die al in 1964 stierf, had ik al geschreven.’ Brouwers doelt op Bezonken rood, en op een autobiografisch essay in Het vliegenboek, waar hij stelt: ‘Door die man en die vrouw besta ik, toevallig.’ Vanaf zijn tiende stuurden ze hem naar pensionaten en kostscholen. ‘Alsof mijn ouders een eiland zijn geweest waar ik weliswaar ben geboren, maar dat ik nooit heb leren kennen omdat ik er te snel van werd verbannen.’

In die boeken staat ‘het weinige dat ik van hen weet’, zegt hij kortaf, met afgewende blik. ‘Ik vond het derhalve rechtvaardig om ook voor Hans Roest, die tenminste echt vaderlijk voor mij was, een standbeeldje op te richten. Niemand kent die man meer. Het was mijn eer te na om er zelf niet van blijk te geven dat ík hem niet vergeten ben.’

Ook al wordt alles en iedereen vergeten, u legt zich daar niet bij neer.

‘Voor zover het anderen betreft. Ik heb het niet veel over mezelf. Die Brouwers is zo’n chagrijn en zo’n nurks, hoor ik weleens. Jawel, dat klopt. Maar ik heb daarnaast een talent om anderen te bewonderen, en te gedenken. Toen ik als autodidact met alleen mulo in mijn ransel werd verrast door dat eredoctoraat, schreef ik mijn dankrede, Verguld met deze cappa, over de Nijmeegse professor Asselbergs, oftewel de katholieke literator Anton van Duinkerken. Die leerde mij dat je voor een stuk over een schrijver onbelemmerd gebruik moet maken van alle gegevens; dus het werk, maar óók persoonlijke wetenswaardigheden.

‘Daar ben ik het helemaal mee eens. En dat heeft geleid tot mijn gigantische archief van knipsels, foto’s en brieven, waarin iedere Nederlandse schrijver die ertoe doet een map heeft. Ben ik mee begonnen op mijn zestiende.

‘Toen woonde ik in Delft, waar je alleen het Delfts Katholiek Dagblad had. Daar knipte ik mijn eerste stukjes uit, en uit de Libelle van mijn moeder, een stukje over Ina Boudier-Bakker, herinner ik me. Zit er nog altijd in.’

Wat was het doel van dat uitknippen?

‘Weetgierigheid. Dat ik schrijver zou gaan worden, dat wist ik al op kostschool. Ik wilde dat weten. Wie is dat, die schrijfster van De klop op de deur? Zo is dat ontstaan. En nu weet ik het. Bij Ciske de Rat denkt iedereen sinds jaar en dag aan een musical, of een film. (Zingt met Danny de Munk-intonatie) Had ik maar iemand om fan te houwe... Maar Ciske de Rat is een bóék, uit 1942. Van wie? Van Piet Bakker. Gerespecteerd journalist. Heb ik een map over, Piet Bakker.

‘Alles gebruiken wat van pas komt. Dat geldt zelfs voor mijn romans. Waarom zit Busken in een rolstoel? Nou kijk maar, daar staat-ie. Hij heeft in pensionaten gezeten vroeger, en is in Indië geweest. Dat kwam mij goed uit.’

En het blauwe vlindertje dat af en toe langskomt, een gehavend exemplaar met gescheurd vleugeltje, in wie Busken het verlangen om weg te komen meent te herkennen?

‘Ah, de vlinder! Vóórdat ik hieraan begon, dacht ik: als ik nog een roman opzet, gaat die De blauwe morpho heten. Had ik gelezen in De Standaard, in 2014: in de dierentuin van Antwerpen was door een hagelstorm een gat geslagen in de koepel van de vlindertuin. Het gevolg was dat er in de straten van Antwerpen ineens een tiental hoogst zeldzame blauwe vlindertjes ronddwarrelden, van het vlindermerk morpho. Prachtig vond ik dat woord, het deed me denken aan Morpheus en morfine.

‘Uiteindelijk heb ik die naam laten vallen, maar dat blauwe vlindertje duikt vaak op, ja. Dat is de genesis van deze roman. Een krantenknipseltje.

‘Hoe staat het ook weer in Bezonken rood? God, dat boek is van veertig jaar geleden. Voor de aanstaande jubel-editie heb ik een eenmalig nawoord geschreven, en dat ding laatst herlezen.

‘Het is de opening, de eerste woorden in dat boek. Als het heeft gewaaid in een tuin, blijft een tijdje daarna alles wat is aangeraakt door de wind, nog in beweging.

‘Nou, zo waait er van alles door mij heen, dingen die ik ergens heb gelezen of die ik mij herinner. Eenmaal opgeschreven, mag het beweging veroorzaken in de bewustheden en onbewustheden van anderen. (Schorre lach) Mijn geschriften zijn goddank niet in codetaal genoteerd. Ik ga nog even door, als je het goed vindt.’ (Kin omhoog) Voordat ook ik word vergeten, wil ik alles zo goed mogelijk hebben opgeschreven. Nou. Zo.’

Beeld Atlas Contact

Jeroen Brouwers: Cliënt E. Busken. Atlas Contact; 264 pagina’s; € 21,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden