Interview

'Als je iets niet snapt, vraag je het maar aan je moeder'

Ze is eigenlijk klaar, Martha Heesen. Ze krijgt dan vandaag wel de Theo Thijssen - prijs uitgereikt voor haar hele oeuvre, maar voor haar hoeft al die aandacht niet. Een buitenbeentje, precies waarover ze graag schrijft in haar jeugdboeken.

Martha Heesen. Beeld Erik Smits

'Je hebt weinig woorden aan me gewijd', zegt de schrijfster lichtelijk verwijtend, nog voor er een vraag is gesteld. En ze heeft gelijk: Martha Heesen, 'een ouderwetse schrijfster' vindt ze zichzelf, gooide begin deze eeuw hoge ogen bij jury's en recensenten, maar moet het tegenwoordig met minder aandacht van de pers doen.

Heesen (1948) debuteerde laat en haar literaire bloei heeft kort geduurd. Op de achterkant van haar vroegste boeken, uit de jaren negentig van de vorige eeuw, was ze al meteen die tijdloze vijftiger in het leren jasje met die imponerende bos haar. Nu ze ver in de zestig is, heeft ze recht op rust, vindt ze zelf. En dan ineens die Theo Thijssenprijs voor haar hele oeuvre. 'Eerlijk, ik dacht: jezus, wat nu weer!'

'Oestgeests wijfje'

In het echt is ze een stuk kleiner en fijner dan die stoere taal en de robuuste zwart-witachterflapfoto doen vermoeden. 'Een Oegstgeests wijfje', noemt ze zichzelf. Zo een met een vogelgidsje en verrekijker paraat op de eetkamertafel, die haar tuin laat verwilderen en er zaden zaait die ze op haar lange wandelingen verzamelt en je nooit in een tuincentrum zult aantreffen. Een perfect merelnestje, onlangs gevonden, pronkt op de stoep.

Met schrijven overweegt ze al een tijdje te stoppen. Eén jeugdboek per jaar werd één per drie jaar en of er nog een komt weet ze niet. Vertalen, haar eigenlijke beroep, doet ze al helemaal niet meer. Haar ex-man en haar volwassen dochter zijn al jaren het huis uit en dat is prima zo.

Nu spelt ze de krant. Zit in de tuin. Kijkt voor zich uit. Herleest haar favorieten, De boeken der kleine zielen, Jane Eyre, Kuifje. Fietst een stukje. 'Heel soms denk ik: waarom doe ik niks? Waarom ben ik zo veel alleen? Maar ik vind ook dat ik dat wel mag. Ik heb een tijdlang echt heel hard gewerkt. Nu geniet ik van mijn AOW.'

De dag dat ze hoort dat ze de Theo Thijssenprijs krijgt, de driejaarlijkse prijs voor jeugdliteratuur namens de Stichting PC Hooft-prijs voor Letterkunde, begint als een rotdag. Een vertrouwde wandeling, 30 kilometer op en neer naar Wassenaar, heeft haar uitgeput. 'Ik baal: ik kan niet eens meer een stukje lopen. Dus ik pak een fles wijn en stommel lekker naar boven, iedereen kan de pot op. Gaat de telefoon. Ik neem niet op. Als ze me dan eindelijk te pakken hebben, ben ik verrast én in de war. Ik vind het een hele eer, maar ik moet weer gaan optreden. En wat moet ik dan zeggen?'

Beeld Erik Smits

Gefoeter

Martha Heesen wordt vlak na de oorlog geboren en groeit met drie broers op in het Brabantse Oisterwijk. Haar vader is 'een hoge piet' bij de Rijksnijverheidsdienst, die laat trouwt met een twaalf jaar jongere vrouw. Ze verhuizen uit Zeeland naar Brabant en kunnen daar niet aarden. 'Het was ook niet leuk: katholieke kinderen haalden de ventielen uit de fietsen van protestantse kinderen. En andersom. De eerste Indische kinderen werden uitgescholden. Over Joodse families werd gezegd dat ze blij mochten zijn dat ze nog leefden.'

Wat de situatie extra lastig maakt, is dat haar ouders zelf niet goed weten bij wie ze horen. Ze gaan wel naar de kerk en sturen Martha naar de nonnenschool, maar het gebeurt niet van harte. Martha trekt 's winters een broek aan naar school en als haar ouders erop worden aangesproken dat er een rok overheen hoort, is haar moeder woedend.

'Natuurlijk hadden mijn ouders daarin ergens gelijk. Maar ze hebben nooit aangevoeld wat zoiets doet met een kind. Dat eeuwige gefoeter thuis. Op de boeren, de middenstanders, de paters, de nonnen, meneer pastoor: niemand deed het goed. Ik wilde ze niet afvallen, maar achteraf denk ik: ze waren gewoon onzeker. Maar je moet de wereld waarin je kinderen opgroeien niet tegelijkertijd afbreken.' Ze schrijft erover, voor het eerst, in haar laatste boek Biezel (2014).

Hoe slecht de relatie met haar moeder ook is, een uitweg biedt die haar wel: alles hatend wat kleinburgerlijk en Hollands is, krijgt dochter Martha alleen maar vertaalde buitenlandse boeken te lezen. Klassiekers uit Amerika en Scandinavische landen, bij voorkeur over kinderen die zich zonder hun moeder uitstekend redden. Martha verandert in een obstinate lezer, gaat zodra ze kan in Amsterdam Nederlands studeren en begint zelf boeken te vertalen. Van Edgar Allen Poe tot aan De dagboeken van Bridget Jones.

Een van de meest inspirerende auteurs vindt ze de Oostenrijkse Amerikaan Frederik Prokosch, van wie ze drie boeken vertaalt. 'Vooral zijn verzonnen reisverhalen over Azië, waar hij nooit is geweest, vind ik adembenemend. Die verhalen zijn zó overtuigend. Terwijl hij alles uit encyclopedieën en atlassen heeft. Dat ik word gezien als een realistische schrijver is een misverstand. Ik ben gewoon te lui om al dat onderzoek te doen.'

Misplaatstheid

Rond haar veertigste begint ze te fantaseren over zelf schrijven. De 'ijselijke troep' die ze voor haar broodwinning óók moet vertalen, gaat haar steeds meer tegenstaan. 'Ik had het ontzettend druk, was niet tevreden met mijn leven en ineens had ik een verhaal in mijn hoofd dat helemaal van mezelf was. Ik ben het nooit van plan geweest. Anders had ik het echt wel eerder gedaan.'

Dan is ze 45, verdiept zich nauwelijks in de kinderboeken van dat moment, schrijft gewoon waar ze zin in heeft. Na heel veel geleur - alle afwijzingsbrieven heeft ze nog - wil de uitgever die ze tot het laatst heeft bewaard haar graag ontmoeten. En dan is er ineens Het plan Stoffel (1993), over een 12-jarige jongen die vaak alleen is in het huis van zijn tante, waar hij in de kelder een gevaarlijk geheim ontdekt. 'Een paar dagen was ik heel gelukkig, daarna werd ik zenuwachtig. Want dan ben je ineens schrijver en moet er nog een komen. Hoe ga je verder? Ik voelde me wel een beetje geprest.'

Haar schrijverschap komt desondanks meteen goed op gang. Critici spreken lovend over haar boeken. Ze wint een paar Zilveren Griffels en voor Toen Faas niet thuiskwam (2003), haar beste maar in Nederland over het hoofd geziene boek, een Gouden Uil in Vlaanderen.

Daarna verandert de aandacht van toon. Critici blijven haar boeken mooi vinden, maar ze halen zelden meer dan een eerste druk. Is het wel voor kinderen wat ze schrijft, wordt haar steeds vaker gevraagd. Een vraag die haar doet zuchten. Ja, het is waar: van dat avontuurlijke van de jeugdlectuur die ze zelf graag las is niets te vinden in haar werk. Juist die sfeer van misplaatstheid komt steeds terug in haar boeken. Niets is vanzelfsprekend, maar ook niets onmogelijk, dingen worden geprobeerd en mogen mislukken, er wordt gedroomd, gemijmerd, gemopperd en soms gepiekerd. En nee, dat spreekt niet alle kinderen aan.

'Maar ik zou eigenlijk willen zeggen: ik weet nu wel dat ik niet zo'n populaire schrijfster ben, blijf toch niet zo op hameren op die verkoopcijfers. Dat een boek lúkt, is voor mij het belangrijkste. En voor wie ze zijn? Weet ik veel! Sommige mensen hebben nu eenmaal een kinderhoofd. Dat maakt wat ik schrijf nog niet per definitie voor kinderen. Een boek kan ook gewoon zijn zoals het is. Voor een bepaald soort kinderen en volwassenen, niet voor iedereen. Er wordt zo veel rekening gehouden met kinderen tegenwoordig. Dat verbaast me. Dan ontdek je toch nooit meer wat? Als kind genoot ik juist van boeken die ik niet helemaal begreep. En als je een keer een woord niet snapt, dan vraag je het maar aan je moeder.'

Drenthe

Nu ze de Theo Thijssenprijs krijgt, komt het toch nog een beetje goed. Toen Faas niet thuiskwam wordt opnieuw uitgegeven. Er komt een vierde druk van Bajaar. En haar toegankelijkste boeken Wolf en Maandag heeft vleugels verschijnen in één band. Meer hoeft ze niet, echt niet. Ze gaat liever snel weer met haar beste vriendin naar Drenthe, waar het nog stiller is dan in Oegstgeest.

'Ik wil niet de rest van mijn leven kreunen en steunen dat ik geen boeken meer schrijf. Dus misschien is die toespraak die ik straks moet houden wel een mooie afsluiting. Wel weer een gedoe, hoor, zo'n dankrede. Vreselijk lang over gedaan. Ik heb me wat dankredes laten toesturen, maar die helpen niet. Ik ben een mopperpot, ik heb altijd de neiging om te zeggen: ik sta hier nu wel, maar ik heb helemaal geen zin in jullie. Dat zou ook leuk zijn, misschien moet ik het gewoon doen.'

Liever goed dan populair

Vier Heesen-boeken die je gelezen moet hebben

Toen Faas niet thuiskwam (2003) over de 13-jarige Petrus die het gezin draaiend moet houden na de dood van zijn moeder. Zijn artistieke broertje Faas tekent alles wat hij ziet en zit dan weer op het dak, dan weer in het moeras. Alleen Petrus weet hem altijd te vinden. Heesen schept een indringend en geloofwaardig beeld van de binnenwereld van Faas en Petrus, in een dwingende vorm: het hele boek beslaat één dag van hun leven. (13+)

Wolf (2006) en Maandag heeft vleugels (2005) zijn haar toegankelijkste verhalen voor jongere kinderen. Kenmerkend voor Heesen is dat ze zich op de relatie concentreert. Zo gaat het in Wolf om de jaloezie van Nene, omdat Coppe alleen nog maar aandacht heeft voor Wolf. De twee boeken verschijnen deze maand in één band, als omkeerboek. (7+)

Watson, of Hoe je een meisje verovert met 23uitvindingen en 1 muis (2007) over de wat onbeholpen Carl, die de ene uitvinding na de andere bedenkt, maar zijn gevoelens voor de stugge Veerke niet kan uiten. Zoals gewoonlijk bij Heesen bestaan de uitvindingen vooral in de fantasie en doen ze als ze echt worden gebouwd iets anders dan bedoeld. (9+)

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden